Rechtbank Rotterdam, 24-04-2015 / ROT 14-5298


ECLI:NL:RBROT:2015:2909

Inhoudsindicatie
Het beroep gericht tegen de vastgestelde beoordeling is ongegrond. Het beroep gericht tegen de afwijzing van de bevordering van eiser naar de functie van Senior Gebieds Gebonden Politie in het kader van de Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (circulaire HAP II) is gegrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de gegeven uitleg van de circulaire HAP II de grenzen van zijn beoordelingsruimte overschreden, nu hij daarmee een kennelijk onredelijke invulling heeft gegeven aan het criterium ‘boven de norm’. Nu niet in geschil is dat de norm ‘voldoende’ (3) is, kan een beoordeling met een eindscore hoger dan ‘voldoende’ niet in redelijkheid anders worden aangemerkt dan als een beoordeling ‘boven de norm’. Het functioneren van eiser is op alle acht de beoordeelde competenties als beter dan voldoende en daarmee als boven de norm beoordeeld, zodat verweerder in redelijkheid niet anders heeft kunnen concluderen dan dat eiser ten tijde hier van belang boven de norm functioneerde en voldeed aan alle voorwaarden voor doorstroming naar de functie van Senior GGP. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit op dit punt. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Eiser voldoet aan alle voorwaarden voor doorstroming naar de functie van Senior GGP op grond van het HAP II beleid. Gelet hierop verklaart de rechtbank het bezwaar van eiser tegen primair besluit 2 gegrond, herroept zij dat besluit en draagt zij verweerder op eiser te bevorderen naar de functie van Senior GGP met ingang van de datum waarop hij aan alle voorwaarden voldeed (maar niet eerder dan 1 november 2010, waarmee de rechtbank aansluiting zoekt bij de uitspraak van 9 april 2015 van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:2015:RBGEL:2369)).
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-24
Publicatiedatum
2015-04-28
Zaaknummer
ROT 14-5298
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2


zaaknummer: ROT 14/5298


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2015 in de zaak tussen
[a], te [b], eiser,

gemachtigde: mr. H. Oosting,


en


de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. M.J.M. Suijs.



Procesverloop


Bij besluit van 27 november 2013 (primair besluit 1) heeft verweerder een beoordeling van het functioneren van eiser opgemaakt over de periode tot en met 31 december 2012.


Bij besluit van 19 december 2013 (primair besluit 2) heeft verweerder bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor doorstroming naar de functie van Senior Gebieds Gebonden Politie (GGP).


Bij besluit van 26 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.


Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.M. van den Berg, kantoorgenoot van zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [c], personeelsmanagementadviseur.



Overwegingen


1.1.

Eiser is werkzaam bij de eenheid Rotterdam, voorheen de politieregio Zuid-Holland Zuid.


1.2.

Op 1 november 2010 is, als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007, de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (circulaire HAP II) in werking getreden (Staatscourant 2010, nr. 19782). In bijlage 6 van de circulaire HAP II is het Loopbaanbeleid van Assistent A tot en met Senior in de GGP opgenomen. In het kader van dit loopbaanbeleid zijn binnen de politie collectieve afspraken gemaakt over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren van de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2012-2014 is afgesproken dat het loopbaanbeleid voor de overgang van schaal 7 naar schaal 8 op 1 januari 2013 komt te vervallen, waarbij een overgangsmaatregel is getroffen.


1.3.

Voor doorstroming van Generalist GGP (schaal 7) naar Senior GGP (schaal 8) gelden op grond van bijlage 6 van de circulaire HAP II de volgende eisen:

• een met goed gevolg afgeronde functiegerichte aangewezen opleiding op niveau 4;

• relevante werkervaring als Generalist GGP;

• vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor Senior GGP;

• een eventueel door het korps te stellen geografische stap en/of werkterrein c.q. aandachtsgebied als aanvullende voorwaarde.


Voor de beoordeling geldt dat deze recent moet zijn vastgesteld in de huidige functie, met een eindscore die tenminste voldoende is. Voor doorstroming van een Generalist GGP naar de functie van Senior GGP geldt volgens bijlage 6 van de circulaire HAP II als voorwaarde een (recente) beoordeling boven de norm.


1.4.

In december 2012 heeft eiser verzocht op grond van dit loopbaanbeleid in aanmerking te komen voor doorstroming naar de functie van Senior GGP. Op 12 augustus 2013 is een conceptbeoordeling opgemaakt van het functioneren van eiser. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden als weergegeven onder het procesverloop.


2.1.

Omdat de beoordeling (primair besluit 1) niet voldoet aan door verweerder gehanteerde norm dat op tenminste 80% van de te beoordelen competenties ‘uitstekend’ wordt gescoord (80% uitstekend), heeft verweerder bij primair besluit 2 het verzoek van eiser tot doorstroming naar de functie van Senior GGP afgewezen.


2.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Wat betreft de afwijzing van het verzoek tot bevordering heeft verweerder in afwijking van het advies van 2 mei 2014 van de Bezwaren Advies Commissie van de eenheid Rotterdam beslist.


De beoordeling

3.1.

Op grond van artikel 71, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie wordt met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels de ambtenaar die een aanvraag daartoe indient dan wel ten aanzien van wie dit door het bevoegd gezag nodig wordt geacht, beoordeeld over de wijze waarop hij zijn functie vervult en zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die functie. Aan de aanvraag van de ambtenaar om overeenkomstig dit lid te worden beoordeeld, wordt niet eerder voldaan dan na het verstrijken van één jaar sedert de vastlegging van de voorafgaande over hem uitgebrachte beoordeling.


Op grond van artikel 7, zevende lid, van het Beoordelingsreglement 2005, voor zover hier relevant, kan de betreffende districtschef de beoordeling aanvullen en/of wijzigen. Indien hij daartoe voornemens is, wint hij voorafgaand informatie en advies in. Voorafgaand aan de effectuering van zo’n voornemen, bespreekt hij dit met de beoordelaar, de betrokkene en de personeelsmanagement adviseur. In dat geval wordt blad 2 van het gedeelte van het beoordelingsformulier dat bedoeld is voor ondertekening, ingevuld.

3.2.

Eiser betoogt dat verweerder bij primair besluit 1 ten onrechte is afgeweken van de op 12 augustus 2013 opgemaakte conceptbeoordeling.


3.3.

Dit betoog faalt. De beoordelingen van 10 april 2013 (ondertekend op 16 mei 2013) en 27 november 2013 (primair besluit 1) bestrijken dezelfde periode van beoordeling tot, in ieder geval, eind 2012. De beoordeling van 10 april 2013 is opgemaakt in het kader van het volgen van een opleiding, de conceptbeoordeling van 12 augustus 2013 is opgemaakt in het kader van het HAP II beleid en ligt ten grondslag aan primair besluit 2. Op grond van artikel 7, zevende lid, van het Beoordelingsreglement 2005 was de districtschef bevoegd de conceptbeoordeling van 12 augustus 2013 namens verweerder te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de beoordeling van 10 april 2013 over dezelfde periode. Van deze bevoegdheid heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken. Tegen de beoordeling van 10 april 2013 heeft eiser geen bezwaar gemaakt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat hij de beoordeling in het kader van het HAP II-beleid in lijn met de beoordeling van 10 april 2013 mocht vaststellen. De wijze van functioneren en de beoordeling die aan de verschillende competenties wordt gegeven behoort immers niet afhankelijk te zijn van het doel van de beoordeling. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bij primair besluit 1 vastgestelde beoordeling niet houdbaar is.


3.4.

Het beroep, voor zover gericht tegen handhaving van primair besluit 1, is ongegrond.


3.5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat in zoverre geen aanleiding.


De bevordering

4.1.

Tussen partijen is in geschil of eiser voldoet aan de voorwaarde van vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm. De geschiktheid van eiser voor de functie van Senior GGP is niet in geschil.


4.2.

Op het formulier Potentieel beoordelingsgesprek van 12 augustus 2013 is uitgelegd dat de scoringsmethode per onderdeel – voor zover hier van belang – als volgt is:

3 = voldoende; 4 = uitstekend.

Bij eiser zijn acht competenties beoordeeld, waarbij eiser op drie competenties een ‘goed’ scoort en op vijf competenties een ‘ruim voldoende’. Volgens verweerder worden al deze scores als ‘3/4’ beschouwd, een score die in de beoordelingssystematiek officieel niet voorkomt, maar door beoordelaars in de praktijk regelmatig blijkt te zijn toegepast om tot uitdrukking te brengen dat het functioneren op dit punt beter is dan voldoende, zij het niet uitstekend.


4.3.

De rechtbank stelt vast dat de circulaire HAP II invulling geeft aan verweerders beleidsvrijheid bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid om tot bevordering over te gaan, met als doel het loopbaanbeleid van de politie landelijk te harmoniseren. Daarbij is onderkend dat er regionaal uiteenlopende beoordelingsnormeringen bestaan waarop het oordeel moet worden gebaseerd of de betrokken politieambtenaar ‘boven de norm’ functioneert. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat verweerder op dit aspect beoordelingsruimte toekomt en dat die per (voormalige) politieregio anders kan worden ingevuld. Daarbij betrekt de rechtbank dat in de circulaire HAP II niet is toegelicht wat onder ’boven de norm’ moet worden verstaan.

Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar op Intranet gepubliceerde berichten, op het standpunt gesteld dat onder het vereiste van een beoordeling ‘boven de norm’ moet worden verstaan een beoordeling waarbij het geheel van de functievervulling voor 80% met ‘uitstekend’ (4) is gewaardeerd.


4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze uitleg van de circulaire HAP II de grenzen van zijn beoordelingsruimte overschreden, nu hij daarmee een kennelijk onredelijke invulling heeft gegeven aan het criterium ‘boven de norm’. Nu niet in geschil is dat de norm ‘voldoende’ (3) is, kan een beoordeling met een eindscore hoger dan ‘voldoende’ niet in redelijkheid anders worden aangemerkt dan als een beoordeling ‘boven de norm’.Het functioneren van eiser is op alle acht de beoordeelde competenties als beter dan voldoende en daarmee als boven de norm beoordeeld, zodat verweerder in redelijkheid niet anders heeft kunnen concluderen dan dat eiser ten tijde hier van belang boven de norm functioneerde en voldeed aan alle voorwaarden voor doorstroming naar de functie van Senior GGP.


5. Het beroep, voor zover gericht tegen de handhaving van primair besluit 2, is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit op dit punt. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien. Eiser voldoet aan alle voorwaarden voor doorstroming naar de functie van Senior GGP op grond van het HAP II beleid. Gelet hierop verklaart de rechtbank het bezwaar van eiser tegen primair besluit 2 gegrond, herroept zij dat besluit en draagt zij verweerder op eiser te bevorderen naar de functie van Senior GGP met ingang van de datum waarop hij aan alle voorwaarden voldeed (maar niet eerder dan 1 november 2010, waarmee de rechtbank aansluiting zoekt bij de uitspraak van 9 april 2015 van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:2015:RBGEL:2369)).


6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.


7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960,- (1 punt voor het bezwaarschrift gericht tegen primair besluit 2, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).



Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de handhaving van primair besluit 1, ongegrond;
  • - verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de handhaving van primair besluit 2, gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
  • - verklaart het bezwaar van eiser tegen primair besluit 2 gegrond, herroept dat besluit, draagt verweerder op eiser te bevorderen naar de functie van Senior GGP met ingang van de datum waarop hij aan alle voorwaarden voldeed (maar niet eerder dan 1 november 2010) en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;
  • - bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.960,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2015.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.