Rechtbank Rotterdam, 30-04-2015 / 13/3923


ECLI:NL:RBROT:2015:3022

Inhoudsindicatie
verwijtbare werkloosheid, weigering WW uitkering, dringende reden
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-30
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
13/3923
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3


zaaknummer: ROT 13/3923


uitspraak van de meervoudige kamer van 30 april 2015 in de zaak tussen

[eiseres]- [eiseres], te Rotterdam, eiseres,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: C.F. Sitvast.



Procesverloop


Bij besluit van 3 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij met ingang van die datum recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Deze uitkering wordt echter niet betaalbaar gesteld vanwege verwijtbare werkloosheid.


Bij besluit van 3 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op verzoek van eiseres is de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van de uitkomst van het beroep tegen het ontslag. Bij uitspraak van 8 oktober 2014 heeft de rechtbank Den Haag op het beroep van eiseres tegen het ontslag beslist (ECLI:NL:RBDHA:2014:12283).


Bij brief van 12 januari 2015 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2015. Eiseres is verschenen. Voorts waren aanwezig de partner van eiseres en haar zoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Bij besluit van 4 maart 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om de verklaringen van medewerkers van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA),[werknemer 1] en[werknemer 2]), over te leggen. Het betreft verklaringen die door hen zijn afgelegd in het Hoffmann-onderzoek alsmede verklaringen die door hen bij de rechtbank Den Haag zijn afgelegd.


Bij brief van 16 maart 2015 heeft eiseres voornoemde verklaringen van [werknemer 1] en [werknemer 2] overgelegd.


Verweerder heeft bij brief van 23 maart 2015 aangegeven geen commentaar te hebben op de overgelegde verklaringen.


Op 23 april 2015 is een nadere zitting gehouden waarbij eiseres en haar echtgenoot zijn verschenen. Verweerder is met bericht niet verschenen.


Overwegingen


1.1

Eiseres is per 1 maart 2001 bij het COA in dienst getreden voor 36 uur per week. Ingaande 1 juni 2003 is zij benoemd in de functie van Hoofddirecteur Opvang voor 40 uur per week. Met ingang van 1 oktober 2004 was eiseres werkzaam als Algemeen Directeur c.q. Voorzitter van het Bestuur van het COA. In de arbeidsovereenkomst is vastgelegd dat eiseres de beschikking krijgt over een leaseauto, hiervoor geen eigen bijdrage aan het COA hoeft te betalen en dat met de leaseauto een onbeperkt aantal privé kilometers mag worden gereden.


Het COA heeft eiseres per 23 april 2012 ontslagen.


1.2

Verweerder heeft aan het primaire besluit de acht navolgende aspecten ten grondslag gelegd.


De bestuursstijl van eiseres heeft geleid tot een negatief effect op de sociale veiligheid binnen het COA.

Eiseres heeft onjuiste informatie verstrekt ten aanzien van het salaris.

Eiseres heeft onjuiste informatie verstrekt over het privégebruik van de dienstauto.

Eiseres heeft onjuiste informatie verstrekt over het afbestellen van een nieuwe dienstauto.

Eiseres heeft niet integer gehandeld door het achteraf (laten) wijzigen van haar agenda.

Eiseres heeft de schriftelijk verklaarde geheimhoudingsplicht geschonden.

Er is een vertrouwensbreuk gecreëerd met de Raad van Toezicht van het COA.

De minister acht een terugkeer bij het COA uitgesloten.


1.3

In bezwaar heeft verweerder rekening houdend met de door het COA aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen en na een eigen onderzoek - bestaande uit vragen die gesteld zijn aan het COA en eiseres en na kennisneming van alle stukken - geconcludeerd dat van vijf van de acht aspecten onvoldoende is komen vast te staan dat eiseres daarvoor een zodanig verwijt treft dat op grond daarvan een situatie van verwijtbare werkloosheid aan de orde zou zijn.

In het bestreden besluit gaat het nog om de volgende aspecten:


Onjuiste informatie naar buiten brengen met betrekking tot de hoogte van het salaris.

Onjuiste informatie verstrekken over het privégebruik van de dienstauto.

Opdracht geven tot het achteraf (laten) wijzigen van de agenda, ter maskering van het privé gebruik van de dienstauto (en hierbij opgelopen verkeersboetes).


1.4

Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat het voor eiseres redelijkerwijs duidelijk was dat haar salaris boven de WNT-norm lag en dat een benoeming alleen gerealiseerd zou kunnen worden als de bezoldiging binnen de WNT-norm zou vallen. Uit onder andere e-mails van 20 april 2011 en 12 mei 2011 en gespreksverslagen van 10 mei 2011 en september 2011 blijkt dat eiseres bemoeienis heeft gehad met de opstelling van de salarisvoordracht. De Minister heeft verklaard dat eiseres tegenover hem heeft aangegeven dat het salaris voldeed aan de gestelde norm. De fout in de opgave wordt veroorzaakt doordat het door eiseres opgegeven salaris slechts 36/40 is van hetgeen eiseres daadwerkelijk ontvangt. In het licht dat het salaris wordt gepubliceerd op de WOPT-lijst is verweerder van mening dat eiseres een verwijt valt te maken voor de onjuiste opgave van haar salaris. Mede door het handelen van eiseres is op zijn minst de schijn ontstaan dat getracht is de (voor het voldoen aan de norm) nodige salarisverlaging te ontlopen. Door het handelen van eiseres is sprake van een aan eiseres toe te rekenen onachtzaamheid, die geleid heeft tot een breuk in de vertrouwensrelatie en de noodzaak tot het geven van ontslag.

Voorts heeft de werkgever aangegeven dat eiseres (in strijd met de waarheid) heeft verklaard privé geen gebruik te maken van de aan eiseres ter beschikking staande dienstauto. Hoewel eiseres stelt dat zij nooit heeft verklaard dat zij alleen zakelijk gebruik zou hebben gemaakt van de dienstauto, acht verweerder de door de Secretaris Generaal en de waarnemend Directeur Generaal van het ministerie van Veiligheid en Justitie afgelegde verklaringen op dit punt niet onjuist. De salarisvoordracht(en) met de daarin opgenomen verklaring dat eiseres alleen zakelijk gebruik maakt van de dienstauto, kan aan eiseres worden toegerekend. Eiseres had dan ook dienen te beseffen dat onjuiste verklaringen zouden kunnen leiden tot een breuk in de voor het functioneren noodzakelijke vertrouwensbasis.

Tot slot heeft verweerder geconcludeerd dat de werkgever na onderzoek tot de conclusie is gekomen dat eiseres ondergeschikten opdracht heeft gegeven om de agenda van eiseres aan te passen, teneinde het privégebruik van de dienstauto te maskeren. De verklaring van eiseres dat zij geen belang zou hebben bij maskering van het privégebruik, omdat zij hiertoe gerechtigd was, kan in het licht van de bovenvermelde verklaringen van de ambtelijke top van het ministerie, anders worden beoordeeld. Nu twee ondergeschikte medewerkers onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat eiseres opdracht heeft gegeven tot het aanpassen van de agenda met het kennelijke doel het privégebruik te maskeren, kan verweerder deze verklaringen niet anders dan als juist aannemen. Het geven van een dergelijke opdracht is als niet integer aan te merken en het handelen van eiseres is haar verwijtbaar.


Gelet op het handelen van eiseres ten aanzien van bovengenoemde aspecten meent verweerder dat voor ieder punt afzonderlijk maar zeker in combinatie een voldoende dringende reden voor ontslag aanwezig is en eiseres van dit handelen een verwijt kan worden gemaakt.

Door de opvolgende (negatieve) gebeurtenissen is er uiteindelijk een situatie ontstaan waarin de werkgever het dienstverband heeft beëindigd.

Verweerder heeft er rekening mee gehouden dat er ten aanzien van de bovenstaande drie aspecten ook sprake is van elkaar tegensprekende verklaringen en van in het voordeel van eiseres pleitende argumenten. Ook heeft verweerder overwogen dat eiseres een groot aantal jaren uitstekend leiding heeft gegeven aan het COA in een moeilijke situatie waarin meerdere malen gereorganiseerd moest worden. Deze omstandigheden doen echter naar het oordeel van verweerder niet, althans onvoldoende, af aan het aan eiseres toegerekende verwijtbare handelen. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat indien in de lopende arbeidsrechtelijke procedure de rechter tot een ander oordeel zou komen inzake de beoordeling van de aan eiseres toegerekende verwijtbare gedragingen, dit gewijzigde oordeel ook gevolgen kan hebben voor de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid in de zin van het bestreden besluit. In die situatie zou eiseres een verzoek tot herziening kunnen doen.


2.1

In beroep heeft eiseres ten aanzien van de drie in het bestreden besluit door verweerder gehandhaafde aspecten het volgende aangevoerd.

1. Ten aanzien van het punt dat er onjuiste informatie ten aanzien van het salaris naar buiten is gebracht stelt eiseres zich op het standpunt dat haar salaris openbaar was.

Het salaris werd vermeld in de jaarrekening die door de Minister wordt gepubliceerd in de Wopt-lijst. Het verschil tussen het gepresenteerde salaris kan worden verklaard door het verschil tussen een 36- en 40 urige werkweek. Dit heeft KPMG Advisory in oktober 2011 onderzocht en vastgesteld.

2. Ten aanzien van het punt dat onjuiste informatie zou zijn verstrekt over het privégebruik van de dienstauto: gelet op de arbeidsovereenkomst was eiseres gerechtigd onbeperkt gebruik te maken van de dienstauto. De werkgever verstrekte eiseres vanaf 2007 een volledige compensatie voor de fiscale bijtelling van de dienstauto. Eiseres had geen enkele reden om de Raad van Toezicht onjuist te informeren over het privégebruik van de dienstauto. De Raad van Toezicht was ervan op de hoogte dat eiseres haar dienstauto privé gebruikte. Vanwege consternatie met betrekking tot vragen van de NOS en de gewenste aanpassing van het salaris binnen de gestelde norm heeft eiseres per september 2011 definitief afgezien van het privégebruik van de dienstauto. Hierdoor kon de fiscale bijtelling uit het salaris worden verwijderd waardoor het salaris zou voldoen aan de norm die de Minister hanteerde. Het privégebruik van de auto is niet als zelfstandig onderwerp maar slechts als onderdeel van de discussie rond de aanpassing van het salaris van eiseres aan de gestelde norm aan de orde geweest. Eiseres stelt nimmer de intentie te hebben gehad om het privégebruik van de auto te verhullen simpelweg omdat daar geen aanleiding voor was. Het COA heeft eiseres ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om op voornoemde beweringen te reageren, maar heeft dit aspect mede als ontslaggrond gebruikt. Verweerder heeft voetstoots het oordeel van de werkgever overgenomen.

3. Ten aanzien van het punt dat eiseres opdracht zou hebben gegeven tot het achteraf (laten) wijzigen van de agenda, stelt eiseres dat zij ondergeschikten geen opdracht heeft gegeven om haar agenda aan te passen om het privégebruik van de dienstauto te maskeren. Allereerst merkt eiseres op dat bij de totstandkoming van het rapport van onderzoeksbureau Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (Hoffmannrapport) de beginselen van hoor en wederhoor niet zijn toegepast. De verklaringen van de twee medewerkers berusten niet op waarheid. De verklaringen zijn inconsistent, met elkaar tegenstrijdig en bevatten cruciale en aantoonbare feitelijke onjuistheden. Uit het Hoffmannrapport blijkt onder andere dat afspraken door mevrouw [werknemer 1] zijn ingevoerd. Voorts blijkt dat drie van de tien achteraf ingevoerde zakelijke afspraken samenvallen met data van bekeuringen. De heer [werknemer 2] spreekt over vijf bekeuringen en mevrouw [werknemer 1] over twee tot drie bekeuringen. Uit het Hoffmannrapport blijkt dat er op twee data, namelijk 13 en 20 september 2011, in totaal tien afspraken achteraf zijn ingevoerd in de digitale agenda van eiseres. Mevrouw [werknemer 1] spreekt over acht afspraken. De heer [werknemer 2] en mevrouw [werknemer 1] stellen dat de afspraken na 18 september zijn ingevoerd. De heer [werknemer 2] zegt dat de afspraken op één dag zijn ingevoerd en mevrouw [werknemer 1] stelt dat de afspraken in de periode van 18 september tot 27 september 2011 zijn ingevoerd. De heer [werknemer 2] heeft verklaard dat hij aanwezig was toen mevrouw [werknemer 1] de afspraken achteraf in de agenda heeft geplaatst om aan de hand van wegaanduidingen aanwijzingen te geven. Uit het Hoffmannrapport blijkt dat er slechts één werkbezoek samenviel met een bekeuring.

De onderbouwing die verweerder gebruikt om zijn besluit te motiveren kan geen stand houden. Tot slot merkt eiseres op dat het eerste gesprek met de waarnemend Directeur Generaal plaatsvond op 10 mei 2011. Het informele gesprek met de Secretaris Generaal was op 26 september 2011. Uit het Hoffmannrapport blijkt dat de zogenaamde “fake” afspraken op 13 en 20 september 2011 in de agenda zijn geplaatst. In tegenstelling tot het door verweerder gestelde kunnen het gesprek en de zogenaamde verklaring nimmer een verband hebben met het achteraf laten wijzigen van de agenda. Voorts heeft eiseres begin september 2011 met de voorzitter van de Raad van Toezicht,[voorzitter], afgesproken om in het kader van haar salarisaanpassing per september 2011 geen privégebruik meer te maken van de dienstauto. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat eiseres daags hierna haar agenda zou laten wijzigen om privégebruik van de dienstauto vóór september 2011 te maskeren.

Tot slot stelt eiseres dat verweerder de argumenten die in het voordeel van eiseres pleiten niet noemt in het bestreden besluit. Verweerder heeft ten onrechte de argumenten van de werkgever klakkeloos overgenomen.


Tijdens de zitting op 23 april 2015 hebben eiseres en haar echtgenoot inzake het achteraf laten wijzigen van de agenda een nadere toelichting gegeven.

Zij hebben verklaard dat er geen motief was om vóór september 2011 de dienstauto niet privé te gebruiken. Dit gebruik was toegestaan, er werd door eiseres gebruik van gemaakt en pas in september 2011 kwam de fiscale bijtelling die door de werkgever werd gecompenseerd, te vervallen. Vanaf dat moment heeft eiseres de dienstauto niet meer privé gebruikt.

Toen eiseres de dienstauto nog privé gebruikte kwamen bekeuringen die met de dienstauto waren gemaakt, binnen op de administratie van het COA. Daar werd aan de hand van de agenda beoordeeld of de bekeuring een zakelijk of privé karakter had. Indien het ging om een bekeuring voor een overtreding tijdens privégebruik van de dienstauto, dan werd de bekeuring aan eiseres doorgegeven en door haar privé betaald. In de periode voorafgaand aan september 2011 gaat het om zes bekeuringen die tijdens privégebruik zijn opgelopen en door eiseres zijn betaald.

Eiseres stelt dat zij nimmer aan wie ook opdracht heeft gegeven om nepafspraken in de agenda op te nemen teneinde privé opgelopen bekeuringen te verdoezelen. Zij heeft die bekeuringen ook niet aan de medewerkers overhandigd zodat zij aan de hand van deze data de nepafspraken zouden kunnen plannen. Indien eiseres het privégebruik had willen maskeren, dan had zij de inname van facturen door de administratie moeten beïnvloeden.

Wel heeft eiseres haar secretaresse gevraagd om een paar werkbezoeken in de agenda te plannen, maar dit gebeurde veelvuldig. De achteraf ingevoerde bezoeken hadden – op één bezoek na- geen relatie met de plaatsen waarop de bekeuringen betrekking hadden. Het is vreemd dat er achteraf veel meer afspraken dan voor deze zes bekeuringen in de agenda zijn opgenomen. Eiseres gebruikte de inhoud van haar agenda als structuur voor haar dagelijkse bezigheden. De agenda wijzigde voortdurend omdat afspraken vervielen of toegevoegd moesten worden.

Eiseres vindt het buitengewoon onbevredigend dat verweerder op de door haar eerder aangegeven inconsistenties in de verklaringen van [werknemer 1] en [werknemer 2] niet is ingegaan en op de tweede zitting niet aanwezig is. Zij veronderstelt dat haar werkgever en het ministerie feiten die gekwalificeerd kunnen worden als een misverstand en die in een gesprek gemakkelijk hadden kunnen worden opgelost, hebben aangegrepen om van haar af te komen en dat zij gebruik hebben gemaakt van de verklaringen van [werknemer 1] en [werknemer 2]. Eiseres veronderstelt dat deze medewerkers uit vrees hun [werknemer 2] te verliezen, zijn meegegaan in de opzet van het COA om eiseres te ontslaan.


2.2

Verweerder heeft ter zitting van 17 februari 2015 nog gesteld dat er met betrekking tot de onjuiste salarisvoordracht geen aanleiding is om eiseres niet verantwoordelijk te houden voor de onjuiste opgave van haar salaris. Met betrekking tot het verzwijgen van privégebruik van de dienstauto heeft verweerder aangevoerd dat uit de getuigenverklaringen vermeld in de uitspraken van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:12283 en 12254) zonneklaar blijkt dat wel sprake was van privégebruik van de dienstauto, maar dat eiseres dit tegenover leden van de Raad van Toezicht heeft ontkend. Met betrekking tot het laten wijzigen van de agenda ter maskering van het privégebruik van de dienstauto heeft het COA aangegeven dat na onderzoek is vast komen te staan dat eiseres ondergeschikten opdracht heeft gegeven haar agenda aan te passen. Dit blijkt uit de hiervoor vermelde getuigenverklaringen. In de heroverweging heeft verweerder ook betrokken dat eiseres jarenlang goed heeft gefunctioneerd. Dit pleit in het voordeel van eiseres en is meegewogen. Ook is betrokken dat de positie van eiseres op de arbeidsmarkt door de gebeurtenissen is verzwakt en dat het vinden van ander werk er niet eenvoudiger op is geworden. Verweerder blijft bij het standpunt dat de drie genoemde aspecten in hun onderlinge samenhang bezien als zodanig ernstig moeten worden gekwalificeerd dat deze een blijvende gehele weigering tot uitbetaling van de werkloosheidsuitkering rechtvaardigen. Dit geldt ook voor elk van de aspecten op zich. Het door ondergeschikten laten wijzigen van de agenda ter maskering van het privégebruik van de dienstauto is dermate ernstig dat daarmee de grens van het toelaatbare is overschreden en ontslag onvermijdelijk werd.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd nog toegelicht dat hij ook de eerste grond handhaaft ondanks hetgeen hierover wordt overwogen in de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2140) in rechtsoverweging 4.15. Verweerder betrekt hierbij dat hij tot een eigen beoordeling dient te komen. Dat ook de Raad van Toezicht hierbij een steek heeft laten vallen, doet niet aan af aan de verantwoordelijkheid van eiseres.


3. Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.


Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.


Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW, voor zover van belang, weigert het UWV, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, opgelegd, niet is nagekomen, de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.


Op grond van artikel 7:678, eerste lid, van het BW, worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.


4.1

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder eiseres terecht blijvend en geheel met ingang van 3 oktober 2012 uitbetaling van een uitkering ingevolge de WW heeft geweigerd. Daarbij staat de vraag centraal of verweerder terecht heeft aangenomen dat aan de werkloosheid van eiseres een dringende reden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW juncto artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt en zo ja, of eiseres hiervan een verwijt kan worden gemaakt.



4.2

In een reeks uitspraken van 18 februari 2009, met kenmerken LJN:BH2387, LJN:BH2388, LJN:BH2390, LJN:BH2392, LJN:BH2393 en LJN:BH2394, welke uitspraken nader gepreciseerd zijn in de uitspraak van 21 oktober 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK 2128), heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) het toetsingskader aangegeven in zaken waarin een dringende reden voor ontslag aan de orde is. De Raad heeft overwogen dat verweerder inhoudelijk moet beoordelen of aan de werkloosheid een zowel objectieve als subjectieve dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is de wijze waarop het dienstverband is beëindigd niet doorslaggevend. Bij de beoordeling van de objectieve dringende reden vormen de artikelen 7:678 en 7:677 van het BW de maatstaf. Artikel 7:678 van het BW geeft echter geen uitputtende opsomming van feiten en omstandigheden die als dringende reden moeten worden aangemerkt. Gelet op de samenhang met artikel 7:677 van het BW moet daarnaast worden bezien of, indien zich een omstandigheid voordoet die objectief als dringende reden zou kunnen worden aangemerkt, dit ook voor de betreffende werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Dat zal volgens de Raad steeds per individueel geval dienen te worden beoordeeld. Tot de elementen die uiteindelijk moeten worden gewogen bij de inhoudelijke beoordeling of de werkloosheid het gevolg is van een dringende reden behoren dus de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en ernst van de gedraging, alsmede de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Tot slot zal verweerder, in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, moeten beoordelen of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.


Blijkens voornoemde uitspraken mag verweerder in het kader van het onderzoek naar de vraag of sprake is van een dringende reden voor de werkloosheid en of de werkloosheid van de werknemer verwijtbaar is, uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, tenzij de betrokkene alsnog kan aantonen dat die feiten niet juist of niet volledig zijn of indien voor de vaststelling van de feiten onvoldoende steun wordt gevonden in de stukken.


4.3

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Verweerder had de beschikking over het omvangrijke dossier, waaronder het rapport van de commissie [s] en het Hoffmannrapport. Verder heeft verweerder aanvullende vragen aan het COA en aan eiseres gesteld. Voor zover eiseres stelt dat het Hoffmannrapport niet gebruikt mocht worden omdat er jegens eiseres geen wederhoor is toegepast, volgt de rechtbank eiseres daarin niet onder verwijzing naar hetgeen de kantonrechter hierover heeft overwogen in de rechtsoverwegingen 2.39 (punt 3.10) en 2.41 van het (tussen)vonnis van 5 juni 2013 (ECLI:NL:RBDHA:CA2140). Op grond van het hierin gestelde ziet de rechtbank niet in dat eiseres onvoldoende gelegenheid heeft gehad om op voornoemd rapport te reageren. Dat de reacties van of namens eiseres geen aanleiding hebben gegeven tot positieve dan wel andere inhoudelijke aanpassingen maakt dit niet anders. Het feit dat de rechtbank ‘s-Gravenhage tot het tussenvonnis van 5 juni 2013 (ECLI:NL:RBDHA:CA2140) en de twee eindvonnissen van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:12254 en 12283) is gekomen na het bestreden besluit maakt evenmin dat sprake zou zijn van een onvolledig onderzoek.



4.4

Uit de uitspraak van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:2014:12283) blijkt dat geen sprake is een kennelijk onredelijk ontslag op grond van artikel 7:681, tweede lid, aanhef en onder a, van het BW. Evenmin is het ontslag op grond van het zogeheten gevolgencriterium door de kantonrechter kennelijk onredelijk geacht. Niet gebleken is dat het ontslag is verleend in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. Het ontslag is op toereikende gronden verleend nu eiseres ernstig nalatig heeft gehandeld waardoor zij het vertrouwen dat het COA in haar had, onherstelbaar heeft beschaamd.


4.5.1

Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat door toedoen van eiseres een situatie is ontstaan waarin redelijkerwijs niet van de werkgever gevergd kon worden de arbeidsrelatie met eiseres nog langer voort te laten duren. Verweerder stelt dat er sprake is van een (objectief) dringende reden voor ontslag. Aan deze objectief dringende reden heeft verweerder de drie in rechtsoverweging 1.3 genoemde verweten aspecten tezamen en afzonderlijk ten grondslag gelegd. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank het volgende.


4.5.2

Ten aanzien van het verwijt dat eiseres onjuiste informatie naar buiten heeft gebracht met betrekking tot de hoogte van het salaris verwijst de rechtbank naar hetgeen de kantonrechter in rechtsoverweging 4.15 van het tussenvonnis van 5 juni 2013 hierover heeft overwogen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat in het rapport [s] is geconcludeerd dat de Raad van Toezicht van het COA zijn verantwoordelijkheid voor de juistheid van de gegevens in de salarisvoordracht aan de Minister niet heeft genomen en de door eiseres aangeleverde gegevens niet op juistheid heeft gecontroleerd. Bij het opstellen van de benoemingsvoordracht zijn –naast eiseres- de Raad van Toezicht en het ministerie betrokken geweest. De aanvankelijk aan het ministerie gepresenteerde voordracht berustte op een vergissing, nu was uitgegaan van een 36-urige werkweek in plaats van een 40-urige. De commissie [s] erkent de vergissing en heeft niet kunnen vaststellen dat het gaat om opzettelijk onjuist verstrekte informatie. Hoewel eiseres bij de informatievoorziening betrokken is geweest en het –gelet op het feit dat het om haar eigen salaris ging- in haar mogelijkheid lag om deze gegevens op juistheid te controleren, kan niet worden gesteld dat eiseres ter zake een zodanig verwijt te maken valt dat dit op zich zelf een reden voor ontslag vormt.

De rechtbank verenigt zich met de beoordeling van de toepasselijke feiten door de kantonrechter en betrekt hierbij dat de Raad van Toezicht van het COA zich aanvankelijk afzijdig heeft gehouden in een zaak die zijn primaire verantwoordelijkheid betrof, te weten het als werkgever opstellen van een benoemings- en salarisvoordracht aan de Minister voor de beoogde bestuursvoorzitter. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan het verwijt aan eiseres inzake de onjuiste informatieverstrekking over haar salaris niet aan de objectief dringende reden ten grondslag worden gelegd. De beroepsgrond van eiseres met betrekking tot dit aspect slaagt, maar leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.


4.3.2

Ten aanzien van het verwijt dat eiseres onjuiste informatie heeft verstrekt over het privégebruik van de dienstauto stelt de rechtbank vast dat het bij dit verwijt niet gaat over de vraag of eiseres de dienstauto wel of niet privé mocht gebruiken maar over de vraag of eiseres verklaard zou hebben dat zij de dienstauto niet privé gebruikte. Niet in geschil is dat eiseres blijkens haar arbeidsovereenkomst de dienstauto privé mocht gebruiken. Pas in september 2011 heeft eiseres afgezien van privégebruik van de dienstauto. Het COA heeft aangegeven dat eiseres meerdere keren heeft verklaard dat zij haar dienstauto niet voor privé doeleinden heeft gebruikt. Dit was in februari 2011 tegenover de toenmalige vice-voorzitter van de Raad van Toezicht, in maart 2011 tegenover [advocaat], advocaat, op 21 april 2011 tegenover de Raad van Toezicht en op 10 mei 2011 tegenover de waarnemend Directeur Generaal Vreemdelingenzaken en de directeur PRIO. Voorts heeft eiseres op vragen van de NOS verklaard dat zij de dienstauto niet privé gebruikte en ook zou eiseres ten aanzien van de commissie [s] (p.127/142 van het rapport) hebben verklaard dat zij de dienstauto nooit privé heeft gebruikt. Eiseres stelt hier tegenover dat zij er geen belang bij zou hebben, gelet op haar arbeidsovereenkomst, om te verklaren dat zij geen privé gebruik maakte van de dienstauto en dat ze in september 2011 haar privégebruik heeft beëindigd. Hiermee heeft zij voornoemde verklaringen niet ontkracht. Uit de uitspraak van de kantonrechter van 8 oktober 2014 blijkt dat beide partijen (het COA en eiseres) gelegenheid hebben gehad getuigen te doen horen. De volgende getuigen zijn gehoord: [getuigen](leden van de Raad van Toezicht van het COA) en [getuige]strategisch adviseur van het COA. Verder zijn gehoord [s], Rijsdijk en Van der Mark, vanuit de commissie [s]. Ook zijn gehoord[getuige]verbonden aan het ministerie. In de rechtsoverwegingen 2.8 tot en met 2.29 van voornoemde uitspraak zijn de getuigenverklaringen weergegeven. In de rechtsoverwegingen 2.29 en 2.38 komt de kantonrechter tot de conclusie dat op basis van de processen-verbaal, in onderling verband bezien en in samenhang met de in de respectieve verhoren aan de orde gestelde documenten, bewezen wordt geacht dat eiseres -in strijd met de waarheid- diverse malen ten overstaan van leden van de Raad van Toezicht, medewerkers van het ministerie en leden van de commissie [s] heeft verklaard dat zij de dienstauto in de periode van mei tot en met september 2011, in het kader van de voordracht van eiseres tot voorzitter van de Raad van Bestuur van het COA, niet privé gebruikte.


De rechtbank betrekt bij haar beoordeling dat eiseres geen nieuwe of andersluidende objectieve informatie heeft overgelegd die afbreuk zou kunnen doen aan hetgeen de kantonrechter bewezen heeft geacht. Verweerder heeft het aangehaalde vonnis van de kantonrechter mede mogen beschouwen als nader bewijs van het in het bestreden besluit opgenomen standpunt ter zake van dit verwijt en dit kunnen aanmerken als een objectief dringende reden voor ontslag.


4.3.3

Ten aanzien van het verwijt dat eiseres opdracht zou hebben gegeven om achteraf haar agenda te (laten) wijzigen ter maskering van het privé gebruik van de dienstauto (en opgelopen boetes) overweegt de rechtbank het volgende. Het COA heeft de stelling dat eiseres achteraf haar agenda liet wijzigen en dat zij daarbij ondergeschikten heeft betrokken, hoofdzakelijk gebaseerd op het Hoffmannrapport. Onderdeel van het Hoffmanrapport zijn de verklaringen van [werknemer 2] (chauffeur van eiseres) en [werknemer 1] (secretaresse). Aan dit rapport kan worden ontleend dat er acht werkbezoeken in de digitale agenda van eiseres zijn ingevoerd die betrekking hadden op fictieve dan wel onjuiste afspraken. Uit gesprekken is duidelijk geworden dat deze werkbezoeken op verzoek van eiseres in de agenda zijn gezet. Uit onderzoek is gebleken dat deze werkbezoeken in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden. Daarnaast is bekend geworden dat er in totaal 27 afspraken, inclusief de acht hiervoor genoemde, achteraf in de digitale agenda van eiseres zijn gezet.

In het eerder aangehaalde vonnis van de kantonrechter van 8 oktober 2014 is onder rechtsoverweging 2.31 tot en met 2.37 uitvoerig weergegeven wat door [werknemer 2] en [werknemer 1] onder ede is verklaard in de getuigenverhoren die op dit aspect betrekking hebben. Uit deze verklaringen heeft de kantonrechter afgeleid dat eiseres in de periode van de uitzending van de NOS van 18 september 2011 met [werknemer 2] heeft besproken dat de agenda van eiseres moest worden aangepast in verband met haar privégebruik van de dienstauto en dat [werknemer 1] van eiseres de instructie heeft gekregen om dat privégebruik via aanpassingen in de agenda te verhullen.

Eiseres heeft in haar aanvullende beroepschrift en ter zitting betoogd dat de verklaringen van [werknemer 2] en [werknemer 1] inconsequent en innerlijk tegenstrijdig zijn. Bijna alle door eiseres aangevoerde punten hieromtrent zien op de wijze waarop [werknemer 1] en [werknemer 2] invulling hebben gegeven aan de wijzigingen in de agenda. De rechtbank acht niet doorslaggevend hoe de wijzigingen zijn geadministreerd of uitgevoerd. Het feit dat eiseres opdracht gegeven heeft om haar agenda te wijzigen op een wijze die niet strookt met de werkelijkheid en dat zij dit deed om privégebruik van de dienstauto te verhullen, is doorslaggevend. De enkele ontkenning van eiseres dat zij geen opdracht aan haar ondergeschikten heeft gegeven, acht de rechtbank onvoldoende. Ook de stelling van eiseres dat zij er geen belang (meer) bij zou hebben om wijzigingen in de agenda ten aanzien van verkeersboetes door te voeren volgt de rechtbank niet, gelet op hetgeen ten aanzien van het tweede verwijt (zie hiervoor onder rechtsoverweging 4.3.2) is overwogen. In het licht van de verklaring van eiseres dat zij haar dienstauto niet privé gebruikte, zou het oplopen van verkeersboetes bij niet-zakelijke ritten immers niet te verklaren zijn. Het feit dat eiseres de privé opgelopen verkeersboetes zelf betaalde, doet aan het voorgaande niet af.

De kantonrechter heeft in de rechtsoverwegingen 2.35 tot en met 2.37 van de uitspraak van 8 oktober 2014 uiteengezet dat de beide getuigen geloofwaardig zijn en dat zij hun verklaringen eerder hebben afgelegd bij het onderzoek van Hoffmann. Dat de getuigenverklaringen op enkele - ondergeschikte - onderdelen inconsistent en niet gelijk zijn, doet aan het voorgaande niet af, nu de verklaringen van [werknemer 2] en [werknemer 1] steun vinden in anderszins beschikbaar gekomen informatie. Op grond hiervan komt de kantonrechter in rechtsoverweging 2.38 tot de conclusie dat bewezen wordt geacht dat eiseres verhuld heeft dat zij de dienstauto voor privédoeleinden gebruikte en dat zij daarbij ondergeschikten heeft betrokken.


4.3.4

De rechtbank heeft na heropening van het onderzoek kennis kunnen nemen van de onder ede bij de kantonrechter afgelegde verklaringen van [werknemer 2] en [werknemer 1], alsmede de verklaringen die zij eerder hebben afgelegd in het kader van het onderzoek van Hoffmann. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat [werknemer 1] en [werknemer 2] consequent en niet tegenstrijdig hebben verklaard met betrekking tot het gegeven dat eiseres zelf verzocht heeft om fictieve afspraken in de agenda te plaatsen. Beiden hebben verklaard dat eiseres rond de uitzending van de NOS opdracht had gegeven om de agenda aan te passen.

De rechtbank verwijst naar pagina 14 van het getuigenverhoor van [werknemer 1] op 2 september 2013 bij de kantonrechter, waarbij [werknemer 1] verklaarde:

Rondom de uitzending van de NOS vroeg [werknemer 2] aan mij of ik wat afspraken in de agenda wilde zetten. Dat had [eiseres] met [werknemer 2] in de auto kort gesloten, zo vertelde [werknemer 2] mij. [eiseres] verscheen op dat moment in de deuropening met hetzelfde verzoek. Er had een aantal verkeersovertredingen plaatsgevonden in het weekend. [eiseres] had deze begaan. Ik dacht dat ik al een aantal facturen van verkeersovertredingen in het weekend had, toen [werknemer 2] mij verzocht om afspraken in de agenda te zetten. Ik was verbaasd dat er afspraken in het weekend in de agenda gezet moesten worden in verband met verkeersboetes. -Ik moest clusterbezoeken in de agenda zetten, zo gaf [eiseres] aan. Het waren fictieve bezoeken. Ik heb ze rond de data en locatie van de verkeersboetes gepland. [werknemer 2] heeft mij daarbij geholpen. Ik ben topografisch slecht. Om het niet te laten opvallen heb ik deze over een paar maanden ingepland. Ik meen dat het om zes of zeven clusterbezoeken ging.

Naderhand heeft [eiseres] mij gevraagd of ik de fictieve afspraken in de agenda had gezet, hetgeen ik heb bevestigd.

-op pag. 15 verklaart [werknemer 1] dat zij ook fictieve werkbezoeken in de agenda heeft gezet, die niet corresponderen met een boete. Zij deed dit om het zo onopvallend mogelijk te maken. Verder op pag. 15 verklaart zij dat [eiseres] haar opdracht had gegeven fictieve werkbezoeken in te plannen.

- op pag. 17 verklaart [werknemer 1] dat zij van [eiseres] geen bekeuringen gekregen heeft om daaromheen afspraken in te plannen in de agenda. Deze bekeuringen had ik zelf al.


Tijdens het vervolggehoor op 5 september 2013 verklaart [werknemer 1] op pagina 37:

U vraagt mij naar mijn verklaring zoals afgegeven ten overstaan van Hoffmann en zoals ik deze afgelopen maandag heb gegeven met betrekking tot het verzoek van [werknemer 2] om werkafspraken in de agenda te zetten. Allereerst merk ik op dat de chauffeur niet geautoriseerd is om dergelijke verzoeken te doen. In dit geval is het [eiseres] die mij dit verzoek heeft gedaan. Op de vraag wat de exacte bewoordingen waren van [eiseres] toen zij de opdracht gaf, antwoordt [werknemer 1] dat zij dit niet precies kan zeggen omdat het al weer een tijdje geleden was. Het was iets in de strekking van “Of ik een paar werkbezoeken wilde inplannen”. Nadat [eiseres] [werknemer 1] had verzocht de agenda aan te passen heeft zij dat dezelfde dag gedaan. De tweede maal dat zij de fictieve afspraken heeft ingevoerd was zonder dat [werknemer 2] daarbij was.


-Op pag. 2 van het gehoor van [werknemer 1] op 21 februari 2012 in het kader van het Hoffmannrapport verklaart zij dat zij van [eiseres] na de NOS uitzending opdracht heeft gekregen om werkbezoeken in het weekend in te plannen. Het waren fakeafspraken in verband met het rijden van de dienstauto in het weekend. De opdracht die [eiseres] gaf was mondeling. Ik kan me niet herinneren dat ze een reden hiervoor opgaf. In eerste instantie kwam [werknemer 2] met dit verzoek bij [werknemer 1], Daarna kwam [eiseres] met dit verzoek.

-Op pag. 3 antwoordt [werknemer 1] op de vraag wat [eiseres] met het inplannen van weekendbezoeken wilde bereiken: “Dat weet ik niet. Ik denk dat het een paniekaanval was”.


In het getuigengehoor bij de kantonrechter op 2 september 2013 verklaart [werknemer 2] (pag. 19) dat de agenda werd aangepast op initiatief van [eiseres] rond de NOS uitzending. Op een gegeven moment zei [eiseres] tegen mij: [werknemer 2] weet jij of de bekeuringen die ik privé heb gekregen tijdens het weekend geregistreerd zijn bij het COA”. Ik zei: “ik weet het niet, jij betaalt ze toch zelf?”. Met betrekking tot de aanpassing van de agenda verklaart [werknemer 2] dat [eiseres] aan de secretaresse vroeg ([eiseres] stond toen in de deuropening) om van de privé bekeuringen zakelijke ritten te maken. Ze vroeg dat in mijn aanwezigheid. [werknemer 1] keek toen heel verschrikt op en vroeg hoe ze dat moest doen, waarop ik heb gezegd: “[werknemer 1], ik help je wel, want ik ben topografisch beter dan jij”. -Op pag. 21 verklaart [werknemer 2] dat voor zover hij weet, de agenda is aangepast de dag na de uitzending van de NOS.


-In het vervolggehoor op 5 september 2013 bij de kantonrechter verklaart [werknemer 2] (pag. 35) dat [eiseres] de dag na de uitzending van de NOS, vanuit de deuropening van de kamer van [werknemer 1], aan [werknemer 1] vroeg “[werknemer 1], wil jij van de bekeuringen zakelijke ritten maken?”

-Op pag. 36 van dit gehoor verklaart [werknemer 2] dat er een gesprek heeft plaatsgevonden over de registratie van de privé bekeuringen waarop [eiseres] zei “Ik zal wel even laten nagaan of het zo is”. Hierop zei [werknemer 2] ”Waarom zou je dat doen, want je hebt ze toch zelf betaald?” [eiseres] heeft toen aan [werknemer 2] gezegd dat ze deze aanpassing van de agenda wilde “voor de beeldvorming”. [werknemer 2] heeft vervolgens verklaard dat hij [werknemer 1] heeft geholpen bij het achteraf inplannen van de werkbezoeken.

-Eveneens op pag. 36 verklaart [werknemer 2] dat hem er niets van bekend is dat [eiseres] met hem zou hebben kortgesloten dat [werknemer 1] wat afspraken in de agenda zou zetten. Hij verklaart dat het niet juist is dat hij [werknemer 1] heeft verzocht om afspraken in de agenda te zetten; [eiseres] heeft die opdracht gegeven.


Op pag. 3 van het gehoor van [werknemer 2] in het kader van het Hoffmannrapport verklaart [werknemer 2]: Op een gegeven moment zei [eiseres] tegen mij: [werknemer 2] weet jij of de bekeuringen die ik zelf heb betaald geregistreerd zijn bij het COA”. Ik zei: “dat lijkt me stug”. Ik weet niet waarom mevrouw [eiseres] het vroeg over de registratie van de bekeuringen. Het bleek dat achteraf het COA alle bekeuringen registreerde. Aan de hand van de weekendbekeuringen zijn er werkbezoeken gepland. Dat is door [werknemer 1] gebeurd in opdracht van mevrouw [eiseres]. Ik stond er bij toen ze die opdracht gaf. Ze zei iets in de trend van: “je moet maar even ritten plannen zodat de bekeuringen verantwoord zijn”. Dat heeft [werknemer 1] samen met mij gedaan. [werknemer 1] is namelijk niet zo topografisch onderlegd en ik wel. Volgens mij ging het om vijf bekeuringen en zijn de andere bezoeken gepland om het niet te laten opvallen.


Ter zitting van 23 april 2015 heeft eiseres verklaard dat zij haar secretaresse wel opdracht heeft gegeven om enkele werkbezoeken in de agenda te zetten, maar dat daarbij geen relatie is gelegd tussen deze werkbezoeken en de privé opgelopen bekeuringen. Met eiseres ziet de rechtbank niet in welk deugdelijk motief zij zou hebben om bekeuringen opgelopen tijdens privé gebruik van de dienstauto voorafgaand aan september 2011 te maskeren. Dit privé gebruik was immers toegestaan waarbij tijdens privé gebruik opgelopen bekeuringen door eiseres werden betaald. [werknemer 1] veronderstelt dat eiseres na de uitzending van de NOS in paniek handelde. [werknemer 2] geeft aan dat eiseres de aanpassing van de agenda wilde vanwege de beeldvorming. In het licht van het gestelde in rechtsoverweging 4.3.2. waarin is weergegeven dat eiseres verschillende malen en tegen verschillende personen heeft verklaard de dienstauto niet privé te gebruiken, zou het maskeren van privé gebruik wel relevant zijn. De rechtbank kan echter in het midden laten met welk motief eiseres de bewuste opdracht heeft verleend en zich beperken tot de vraag of eiseres daadwerkelijk de bewuste opdracht heeft verleend. Hierbij rijst de vraag aan welke verklaringen meer waarde wordt gehecht: aan die van eiseres of aan de verklaringen van [werknemer 2] en [werknemer 1].

Kennisneming van de betreffende proces-verbalen leidt de rechtbank tot de conclusie dat zij het oordeel van de kantonrechter en van verweerder met betrekking tot het aspect achteraf (laten) wijzigen van de agenda kan volgen. De rechtbank volgt het oordeel van de kantonrechter dat er geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk in negatieve zin van invloed zijn geweest op de geloofwaardigheid van de getuigen [werknemer 1] en [werknemer 2]. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat zij persoonlijk, financieel danwel anderszins een belang of motief hebben of hadden om in strijd met de waarheid een voor eiseres belastende verklaring af te leggen. Integendeel, de getuigen hebben verklaard - hetgeen ook niet door eiseres is ontkracht - dat zij een goede relatie met eiseres hadden, zodat niet valt in te zien waarom zij zouden verzinnen dat eiseres aan hen een dergelijke opdracht zou geven, terwijl zij wisten dat, indien dit bekend zou worden, dit vergaande gevolgen zou kunnen hebben voor eiseres én voor henzelf. De rechtbank volgt eiseres niet in haar veronderstelling dat [werknemer 1] en [werknemer 2] in strijd met de waarheid de hiervoor weergegeven verklaringen hebben afgelegd uit vrees om hun [werknemer 2] te verliezen indien zij niet zouden meewerken aan het vertrek van eiseres bij het COA. Noch in de feiten, noch in hun verklaringen zijn hiervoor aanwijzingen te vinden. Beiden hebben uitdrukkelijk anderszins verklaard.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze gedragingen, in aanmerking nemend de functie die eiseres vervulde, haar volledig zijn te verwijten. Haar handelwijze is niet passend voor een bestuurder op het niveau van eiseres en is strijdig met gangbare opvattingen over integer handelen en het vervullen van een voorbeeldfunctie naar ondergeschikten in de organisatie.

Zowel het verwijt zoals genoemd in rechtsoverweging 4.3.2 als het verwijt genoemd in de rechtsoverwegingen 4.3.3 en 4.3.4 vormen op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien een objectief dringende reden en rechtvaardigen het aan eiseres gegeven ontslag.


4.3.5

Voor zover eiseres heeft gesteld dat de in haar voordeel pleitende omstandigheden, zoals haar goede functioneren, haar dienstjaren en haar positie op de arbeidsmarkt onvoldoende zijn meegewogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze in het bestreden besluit niet expliciet heeft benoemd in de veronderstelling dat deze uitgebreid aan de orde zouden komen in de lopende arbeidsrechtelijke procedure. In de uitspraak van de kantonrechter van 8 oktober 2014 is hierop ingegaan in de rechtsoverwegingen 2.40. en 2.41. De kantonrechter heeft overwogen dat de onmiskenbaar nadelige gevolgen van het ontslag in dit geval voor rekening van eiseres dienen te blijven nu de belangen van het COA bij de opzegging van de arbeidsrelatie zwaarder wegen. Mede op grond hiervan verenigt de rechtbank zich met de overweging van verweerder dat de in het voordeel van eiseres pleitende omstandigheden onvoldoende aan de objectieve dringende reden afdoen. Voornoemde omstandigheden heeft verweerder dan ook minder zwaar kunnen laten wegen.


5. De rechtbank concludeert dat er sprake is van een objectief en subjectief dringende reden in de zin van artikel 7:678, eerste lid, van het BW. Het opkomen van de dringende reden is eiseres te verwijten. Dit betekent dat verweerder er terecht van is uitgegaan dat eiseres met ingang van 3 oktober 2012 verwijtbaar werkloos is geworden. Daarom is ook terecht per die datum geweigerd de werkloosheidsuitkering uit te betalen.


6. Het beroep van eiseres dient ongegrond te worden verklaard.


7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van ‘t Laar, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. H. van der Waal-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.