Rechtbank Rotterdam, 29-04-2015 / 10/731048-14


ECLI:NL:RBROT:2015:3273

Inhoudsindicatie
De verdachte en het slachtoffer hebben bewust de confrontatie met elkaar gezocht. Dit staat een gerechtvaardigd beroep op noodweer(exces) in de weg. De verdachte is volledig ontoerekeningsvatbaar voor de door hem gepleegde bedreiging en mishandelingen. Voor deze feiten wordt hij ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank gelast plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar, zoals ook geadviseerd door het Pieter Baan Centrum, en niet, zoals gevorderd door de officier van justitie, de maatregel van ter beschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging. De rechtbank ziet geen aanleiding om van het onderbouwde deskundige advies af te wijken. De verdachte is wel strafbaar voor drie pogingen tot inbraak en een voltooide inbraak. Daarvoor legt de rechtbank verdachte een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden op.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-29
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
10/731048-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/731048-14

Datum uitspraak: 29 april 2015

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het PPC van de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie Scheveningen,

raadsman mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 april 2015.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. E. Ahbata heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot moord;

- bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag, de onder 2 primair tenlastegelegde zware mishandeling en het onder 3 tot en met 5 tenlastegelegde;

- ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte voor de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3;

- verminderde dan wel enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte voor de tenlastegelegde feiten 4 en 5;

- oplegging van de maatregel ter beschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging van overheidswege ten aanzien van de tenlastegelegde feiten 1, 2, 3, 4 en 5;

- toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

VRIJSPRAAK

Feit 1:

Ten aanzien van de tenlastegelegde poging tot moord:

De onder 1 ten laste gelegde poging tot moord is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu dit zowel door de officier van justitie is gevorderd als door de raadsman is bepleit zal dit niet nader worden gemotiveerd.

Ten aanzien van de tenlastegelegde poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling:

De aangever [aangever 1] (hierna: aangever 1) heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte naar hem en een vriendin, aangeefster 1 (hierna: aangeefster 1), kwam toelopen met een groot mes in zijn (rechter)hand. Vervolgens hief de verdachte zijn rechterhand - met daarin het mes - op, waarna de aangever 1 met beide handen de rechterhand van de verdachte beetpakte. Aangeefster 1 heeft verklaard dat de verdachte in hun richting liep met een mes in zijn (linker)hand en dat hij daarmee een stekende beweging richting haar en aangever 1 maakte.


De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat de verdachte met een mes een zwaaiende of een stekende beweging heeft gemaakt richting aangever 1 en aangeefster 1.

Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de door aangever 1 en aangeefster 1 omschreven handeling van de verdachte kan niet worden afgeleid dat die gericht is geweest op het doden van de aangevers, dan wel op het hen zwaar lichamelijk letsel toebrengen. Ook verder zijn er in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte opzet - ook niet in voorwaardelijke zin - had om de aangevers te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de (impliciet tenlastegelegde) poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling.

Feit 2:

Ten aanzien van de tenlastegelegde (poging tot) zware mishandeling:

Aangever 1 heeft verklaard dat hij tijdens een worsteling met de verdachte een kopstoot op zijn mond heeft gekregen, waardoor hij pijn had en een voortand afgestorven is. Dat vindt steun in de verklaring van aangeefster 1 en in de Farr-verklaring.

De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat de verdachte aangever 1 een kopstoot heeft gegeven waardoor zijn voortand is afgestorven.

Op grond van vaste rechtspraak heeft de rechtbank bij de beoordeling of sprake is van zwaar lichamelijk letsel de vrijheid om, ook buiten de gevallen van zwaar lichamelijk letsel die worden genoemd in artikel 82 Sr, bepaald letsel als zodanig te duiden. Zij mag daarbij betrekken of het lichamelijk letsel naar gewoon spraakgebruik als zwaar letsel wordt aangeduid. De rechtbank zal dan wel duidelijke indicaties moeten verschaffen omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel om te kunnen komen tot de vaststelling dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel

Wanneer de bovenstaande vaststellingen worden geplaats in dit toetsingskader kan niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel zoals is bedoeld in de tenlastelegging.

Voorts blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het dossier onvoldoende dat de verdachte door zijn handelen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dan wel dat hij met het geven van de kopstoot zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdachte zal derhalve ook van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1.

(Subsidiair)

hij op 06 januari 2014 te Rotterdam aangeefster 1 en aangever 1 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde aangeefster 1 en aangever 1 een mes getoond en voorgehouden en met een mes zwaaiende of stekende beweging richting die aangever 1 en aangeefster 1 gemaakt.

2.

(meer subsidiair)

hij op 06 januari 2014 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten aangever 1), tegen het gezicht van die aangever 1 een (zogenaamde) kopstoot, heeft gegeven, waardoor deze aangever 1 letsel (te weten één afgestorven tand) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.


3.

hij op 27 februari 2014 te Rotterdam opzettelijk mishandelend aangever 2, meermalen (met kracht) tegen het gezicht, heeft geslagen, waardoor deze aangever 2 letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.


4.

hij in de periode van 17 januari 2014 tot en met 18 januari 2014 te Rotterdam meermalen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit

- een bedrijfspand (bloemenzaak) genaamd [naam 1] gevestigd aan de [adres 1] en

- een bedrijfspand (snackbar) genaamd [naam 2] gevestigd aan de [adres 2] en

- een bedrijfspand (thuiszorg) genaamd [naam 3] gevestigd aan de [adres 3], weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan

[aangever 3] (naam 1) en [aangever 4] (naam 2) en [aangeefster 2] (naam 3), en zich daarbij de toegang tot de genoemde panden te verschaffen en die weg te nemen goederen/geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak en inklimming, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.


5.

hij op 11 december 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand (thuiszorg) genaamd [naam 3] gevestigd aan de [adres 3] heeft weggenomen een kistje geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 3] en/of [naam 3], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en inklimming.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

BEWIJSVERWEER

Standpunt van de verdediging:

De raadsman heeft namens de verdachte ten aanzien van de eerste confrontatie tussen de verdachte en [aangever 2] (hierna: aangever 2) een beroep gedaan op noodweer en ten aanzien van de tweede confrontatie een beroep op noodweer(exces) gedaan.

Beoordeling:

Uit het proces-verbaal van uitkijken van de camerabeelden gemaakt op de luchtplaats op het politiebureau maakt de rechtbank op dat de verdachte en aangever 2 bewust de confrontatie met elkaar hebben gezocht door, nadat verdachte aangever 2 had aangesproken, (uitdagend)met hun hoofden tegen elkaar te staan en door over en weer te duwen, waarna een vechtpartij volgde, waarbij (vervolgens) over en weer is geslagen.

Hoewel juist is dat aangever 2 bij die (eerste) confrontatie als eerste een klap heeft gegeven staat het provocatieve gedrag van de verdachte direct voorafgaand aan die klap een gerechtvaardigd beroep op noodweer in de weg.

Uit het eerdergenoemde proces-verbaal blijkt verder dat aangever 2 en de verdachte na de eerste confrontatie even uit elkaar zijn gaan staan en vervolgens weer op elkaar aflopen. Wederom wordt over en weer geslagen, waarbij ditmaal de verdachte de eerste klap uitdeelt.

Op dezelfde gronden als bij de eerste confrontatie staat het handelen van de verdachte voorafgaand aan de eerste maar nu daarboven ook nog dat voorafgaand aan de tweede confrontatie een gerechtvaardigd beroep op noodweer(exces) in de weg.

De verweren worden verworpen.


STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

2.

mishandeling.

3.

mishandeling.

4.

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd.

5.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank heeft kennis genomen van:

het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en Psychologie over de verdachte d.d. 6 maart 2014, opgemaakt door drs. [naam psychiater 1], psychiater;

het psychiatrisch rapport over de verdachte d.d. 25 april 2014, opgemaakt door [naam psychiater 2], psychiater;

het psychologisch rapport over de verdachte d.d. 13 mei 2014, opgemaakt door [naam psycholoog 1], klinisch psycholoog;

het reclasseringsadvies, van Het Leger des Heils, afdeling reclassering, over de verdachte

d.d. 28 oktober 2014;

het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (hierna PBC-rapport), over de verdachte d.d. 3 november 2014, opgemaakt door [naam psycholoog 2], psycholoog en [naam psychiater 3], psychiater.

In het PBC-rapport is uiteengezet dat er bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis die zich onder meer uit in formele denkstoornissen in de vorm van een verwarde gedachtegang. Er zijn ook aanwijzingen voor achterdocht en er is zeer waarschijnlijk sprake van de diagnose schizofrenie van het paranoïde type. Ook zijn er aanwijzingen voor een gebrekkige ontwikkeling van de persoonlijkheid.

De agressie van de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten lijkt voornamelijk voort te komen uit de psychotische symptomen.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 wordt een substantiële doorwerking van de symptomen waarschijnlijk geacht. De verdachte zocht de confrontatie met de aangevers zonder een duidelijk en invoelbaar motief. De beide gedragsdeskundigen achten een psychotisch motief hierbij zeer waarschijnlijk. Op grond van de aard en ernst van verdachtes geschetste problematiek wordt daarom geadviseerd om de verdachte voor deze feiten als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Ten aanzien van het derde feit wordt eveneens aannemelijk geacht dat hieraan een psychotisch motief ten grondslag ligt. De verdachte geeft aan dat de aangever een opmerking tegen hem maakte over het feit dat hij zich door betrokkene aangestaard voelde. Het is waarschijnlijk dat ook ten tijde van dit ten laste gelegde feit betrekkingswanen het gedrag van verdachte in substantiële mate hebben beïnvloed, waardoor hij zich vanuit zijn psychose ernstig bedreigd voelde door de aangever. Ten aanzien van dit feit wordt daarom geadviseerd om de verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Ten aanzien van de vierde en vijfde ten laste gelegde feiten worden geen concrete aanknopingspunten gevonden voor een doorwerking van verdachtes psychiatrische problematiek.

De rechtbank kan zich vinden in deze conclusies en sluit zich hierbij aan. De verdachte wordt derhalve volledig ontoerekeningsvatbaar geacht voor de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten. Nu die feiten hem niet kunnen worden aangerekend, is verdachte niet strafbaar en dient hij daarvoor ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

De verdachte is gelet op het bovenstaande wel strafbaar ten aanzien van het onder 4 en 5 bewezenverklaarde.

STRAFMOTIVERING/MOTIVERING MAATREGEL

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft uit het niets de aangevers aangever 1 en aangeefster 1 met een mes bedreigd, terwijl zij op straat stonden te praten bij de woning van aangeefster 1. De verdachte heeft vervolgens aangever 1, terwijl deze de verdachte in bedwang probeerde houden, een kopstoot gegeven. Hierdoor heeft aangever 1 pijn gehad en is zijn voortand afgestorven. De verdachte heeft door zijn agressieve en onberekenbare wijze van optreden gevoelens van angst en onveiligheid bij beide aangevers veroorzaakt en heeft een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever 1. Dit heeft een grote impact gehad op het leven van de aangevers zoals dit is verwoord in de schriftelijke slachtofferverklaringen.

De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan mishandeling van een medegedetineerde tijdens het luchten in het politiebureau. Hij heeft zonder aanleiding de confrontatie gezocht met aangever 2 en heeft hem meermalen geslagen tijdens een gevecht. De verdachte heeft daarmee een inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van aangever 2.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een drietal pogingen tot inbraak en één voltooide inbraak. Dit zijn ergerlijke feiten die bij de gedupeerden schade veroorzaken. Inbraken zorgen in de samenleving voor gevoelens van onrust en onveiligheid. Dit heeft verdachte ondergeschikt gemaakt aan zijn drang naar geldelijk gewin.

In het voornoemde PBC-rapport wordt het recidiverisico als hoog ingeschat voor de onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde feiten. Dat is met name ingegeven door de bij de verdachte geconstateerde psychotische problematiek, waaraan het gebruik van geweld bij de verdachte vooral gekoppeld lijkt te zijn. Ingeschat wordt dat dit verhoogde risico er al op de korte termijn is, onder meer omdat dat betrokkene geen ziektebesef heeft en dat hij daarom niet gemotiveerd is om medicatie voor die psychotische problematiek in te nemen.

De recidivefactoren kunnen op een positieve manier worden beïnvloed door middel van (klinische) behandeling, die in ieder geval in eerste instantie klinisch gericht zal zijn op het instellen van de verdachte op medicatie en op het geven van psycho-educatie aan de verdachte over zijn ziektebeeld. Ingeschat wordt dat een jaar een redelijke termijn is om de behandeling van de verdachte goed vorm te geven en dat deze termijn voldoende is om het risico op recidive te verlagen naar een aanvaardbaar niveau. Geadviseerd wordt derhalve de verdachte een maatregel ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen voor behandeling. Na de termijn van een jaar kan op grond van het bij de verdachte vastgestelde ziektebeeld, worden overwogen om de verdachte verder te behandelen via een rechterlijke machtiging volgens de wet BOPZ.


De rechtbank kan zich vinden in deze conclusies en het advies en sluit zich hierbij aan.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot oplegging van de maatregel van ter beschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de psychische problematiek van verdachte, in combinatie met het gebrek aan zelfinzicht, de afwezige bereidheid tot het innemen van medicatie en het volgen van een behandeling, een groot gevaar voor herhaling oplevert en dat zij vreest dat een behandeling voor de duur van 1 jaar te kort zou zijn. De rechtbank constateert dat de door officier van justitie naar voren gebrachte bezwaren tegen de geadviseerde plaatsing ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht aan de orde zijn gekomen in het bovengenoemde PBC-rapport. Voor de opstellers van het rapport waren deze bezwaren geen aanleiding om af te zien van een advies tot genoemde plaatsing. De rechtbank ziet geen aanleiding om van het - begrijpelijke, goed onderbouwde en deskundige - advies van de opstellers van dit rapport af te wijken. De enkele vrees van de officier van justitie dat een jaar behandeling te kort zou kunnen zijn kan niet de grondslag vormen voor een zo verregaande maatregel als door de officier van justitie is voorgesteld. Daarbij komt nog dat slechts voor het eerste bewezenverklaarde feit zo een maatregel mogelijk zou zijn.


De rechtbank acht gelet op het voorgaande de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden.

Daarnaast zal de rechtbank een gevangenisstraf ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 4 en 5 opleggen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 maart 2015 reeds eerder is veroordeeld voor vermogensfeiten en acht de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden passend en geboden.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ/SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: aangever 1, wonende te Hellevoetsluis, ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 528,18 aan materiële schade en een bedrag van € 2500,-- aan immateriële schade en verzoekt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De materiële schade wordt vastgesteld op € 443,11. Een bedrag van € 85,07 wordt in mindering gebracht op de gevorderde materiële schade nu sommige tandartskosten zowel in de begroting als in afzonderlijke nota’s zijn opgenomen (de kosten met betrekking tot kleine röntgenfoto’s, insluiten calciumhydroxide per element per zitting en wortelkanaalbehandeling).

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,--.

Uit de brief van 4 april 2014 van [naam] (ARAG Rechtsbijstand) maakt de rechtbank op dat aangever 1 een uitkering van € 1890,-- van het Schadefonds geweldsmisdrijven heeft ontvangen. Dat betekent dat de door aangever 1 geleden schade reeds is vergoed, zodat de vordering zal worden afgewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden afgewezen, zal aangever 1 worden veroordeeld in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: aangeefster 1, domicilie kiezende te Slachtoffer Hulp Nederland ter zake van het onder 1 tenlastegelegde strafbare feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 400,-- aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit, en verzoekt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 400,--, zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: aangeefster 2, wonende te Rotterdam, ter zake van de onder 4 en 5 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 254,97 aan materiële schade en een bedrag van € 3.257, 84 aan immateriële schade.

Er is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtstreekse schade ziet slechts op herstelwerkzaamheden aan het raam. Dit is een bedrag van € 40,99. Dit deel van de vordering is nader onderbouwd en zal worden toegewezen.

Uit het dossier en de vordering blijkt niet dat de kosten voor Led lampen met sensor en de binnensirene rechtstreeks het gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit, nu niet blijkt dat deze goederen zijn vernield bij deze inbraak. Er is geen sprake van rechtstreekse schade. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

Er is ook niet komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.


Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36f, 37, 45, 57, 63, 285, 300, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot moord, poging tot doodslag en de poging tot zware mishandeling heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2 primair tenlastegelegde zware mishandeling en de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair tenlastegelegde bedreiging, de onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling en de onder 3 tot en met 5

tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde onder 1, 2 en 3 niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde onder 4 en 5 strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden voor de bewezenverklaarde feiten 4 en 5;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van 1 (één) jaar voor de bewezenverklaarde feiten 1, 2 en 3;

wijst af vordering van de benadeelde partij aangever 1;

veroordeelt de benadeelde partij aangever 1 in de kosten door de verdachte partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering van de benadeelde partij aangeefster 1, domicilie kiezende te Slachtoffer Hulp Nederland, toe tot een bedrag van € 400,--, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 400,-- (hoofdsom), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 400,-- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 8 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

wijst de vordering van de benadeelde partij aangeefster 2, wonende te Rotterdam toe tot een bedrag van € 40,99, bestaande uit materiële schade en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 40,99 (hoofdsom);

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 40,99 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 dag; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. E. Fels en S.N. Abdoelkadir, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2015.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 29 april 2015:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 06 januari 2014 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en

met voorbedachten rade een persoon genaamd aangeefster 1 en/of aangever 1

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans éénmaal

(telkens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen

heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die aangeefster 1 en/of

aangever 1, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

voltooid;

(artikel 289/287/302 jo. 45 van het Wetboek van Strafrecht)

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 januari 2014 te Rotterdam aangeefster 1 en/of aangever 1

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde aangeefster 1

en/of aangever 1 een mes getoond en/of voorgehouden en/of met een mes zwaaiende

en/of stekende bewegingen richting die aangever 1 en/of aangeefster 1 gemaakt en/of

dreigend de woorden toegevoegd :"waar denk je dat je mee bezig bent en/of was

het lekker", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 6 januari 2014 te Rotterdam aan een persoon genaamd

aangever 1, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten blijvend

letsel aan het gebit in de vorm van verlies van een tand), heeft toegebracht,

door voornoemde aangever 1 opzettelijk op/tegen/in het gezicht een (zogenaamde)

kopstoot te geven;

(artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 januari 2014 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd aangever 1, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet (op/tegen het gezicht van) die aangever 1 een (zogenaamde)

kopstoot, heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 januari 2014 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten aangever 1), (op/tegen het gezicht van) die aangever 1 een

(zogenaamde) kopstoot, heeft gegeven, waardoor deze aangever 1 letsel (te weten

één of meer gebroken/ontzette en/of afgestorven tand(en)) heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij

op of omstreeks 27 februari 2014 te Rotterdam

opzettelijk mishandelend aangever 2, meermalen althans éénmaal (telkens),

(met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, in elk geval tegen

het lichaam van die aangever 2 heeft geslagen en/of gestompt en/of

die aangever 2 een (zogenaamde) kopstoot heeft gegeven,

waardoor deze aangever 2 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 17 januari 2014 tot en met 18 januari 2014

te Rotterdam meermalen, althans eenmaal, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit

- een bedrijfspand (bloemenzaak) genaamd [naam 1] gevestigd aan de

[adres 1] en/of

- een bedrijfspand (snackbar) genaamd [naam 2] gevestigd aan de

[adres 2] en/of

- een bedrijfspand (thuiszorg) genaamd [naam 3] gevestigd aan de

[adres 3],

weg te nemen (een) goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan

[aangever 3] en/of [naam 4] (naam 1) en/of [aangever 4] (naam 2) en/of

[aangeefster 2] en/of [naam 5] (naam 3), in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de genoemde

panden te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren)/geld onder zijn

bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 11 december 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in / uit een bedrijfspand (thuiszorg) genaamd [naam 3] gevestigd aan de [adres 3] heeft weggenomen een kistje en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 3] en/of [naam 3], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht