Rechtbank Rotterdam, 29-04-2015 / C/10/455006 / HA ZA 14-727


ECLI:NL:RBROT:2015:3343

Inhoudsindicatie
Renvooiprocedure. Art. 505 lid 1 Rv (inschrijving en betekening proces-verbaal van inbeslagneming). Beslag nietig. Dwangsommen verbeurd.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-29
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
C/10/455006 / HA ZA 14-727
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/455006 / HA ZA 14-727


Vonnis van 29 april 2015


in de zaak van


[eiser],

wonende te [woonplaats]

eiseres in renvooi,

advocaat mr. drs. Y.M.M. Ooykaas te Rotterdam,


tegen


[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in renvooi,

advocaat mr. R.J.H. Kijne te Rotterdam.



Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Deze zaak betreft een renvooiprocedure. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de rangregelingsprocedure met nummer C/10-418084/HA RK 13-93 (hierna: de rangregeling) van 27 mei 2014 blijkt onder andere het volgende:


“De rechter-commissaris stelt aan de orde het eerder bij brief van 26 februari 2014 door [eiser] gedane verzoek om alsnog toegelaten te worden tot de rangregeling voor een bedrag van € 844.510,48. (…)


Ten aanzien van de geschilpunten over het bestaan en de omvang van de vordering van [eiser] en over de rechtmatigheid van het beslag van 13 juni 2012 en de daaraan gekoppelde toelating tot de rangregeling voor € 844.510,48 verwijst de rechter-commissaris, nu hij hen niet heeft kunnen verenigen, [eiser] als eiseres en [gedaagde] als verweerder naar de rol van woensdag 9 juli 2014 voor renvooi.”


1.2.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van:

  • - de conclusie van eis in renvooi;
  • - de conclusie van antwoord in renvooi;
  • - het tussenvonnis van 5 november 2014;
  • - de zittingsagenda van 12 februari 2015;
  • - de brief van mr. Ooijkaas van 24 februari 2015 met als bijlage een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 februari 2015;
  • - de brief van mr. Ooijkaas van 25 februari 2015 met de producties 14-17 en een toelichting daarop;
  • - de brief van mr. Kijne van 25 februari 2015 met producties 19-31;
  • - de brief van mr. Kijne van 25 februari 2015 met een schriftelijke reactie namens [gedaagde];
  • - het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2015;
  • - de brief van mr. Kijne van 30 maart 2015 met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

[eiser] is de zuster van [gedaagde]. Zij behoren tot de erfgenamen in de nalatenschap van hun op 17 november 2000 overleden moeder. Vanaf het overlijden wordt de nalatenschap feitelijk beheerd door [gedaagde] en zijn broer [broer] (hierna: [broer]).


2.2.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van deze rechtbank van 6 april 2011 zijn [gedaagde] en [broer] - onder meer - veroordeeld om middels bankafschriften informatie te verstrekken aan de boedelnotaris omtrent de ontvangen huurpenningen. Voorts zijn partijen bij dat vonnis, waaronder [eiser], [gedaagde] en [broer], veroordeeld zich te wenden tot notaris mr. [notaris] (hierna: de boedelnotaris) met inachtneming van hetgeen in dat vonnis door de rechtbank is beslist en heeft de rechtbank partijen, waaronder [eiser], [gedaagde] en [broer], geboden hun medewerking te verlenen om de reeds eerder aangevangen boedelbeschrijving te voltooien.


2.3.

Bij vonnis in kort geding van 13 december 2011 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam is op vordering van [eiser] onder meer aan voormelde veroordeling van [gedaagde] een dwangsom verbonden van € 5.000 per dag of dagdeel. Dit vonnis in kort geding is op 20 december 2011 aan [gedaagde] betekend.


2.4.

Bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 16 juli 2013 is het hoger beroep dat onder meer [gedaagde] en [broer] hebben ingesteld tegen voormeld vonnis van 6 april 2011 verworpen. Daarmee is laatstgenoemd vonnis in kracht van gewijsde gegaan en heeft het tussen partijen bindende kracht ex artikel 236 Rv.


2.5.

Op 13 juni 2012 heeft er, op verzoek van de Gemeente Rotterdam en de Gemeente Liesveld (thans: Gemeente Molenwaard) een executieveiling plaatsgevonden waarbij dertien registergoederen, welke in eigendom toebehoorden aan [gedaagde], zijn verkocht. [eiser] heeft op 6 juni 2012 executoriaal beslag doen leggen op voormelde registergoederen. Dit beslag is op 11 juni 2012 aan [gedaagde] ‘overbetekend’. Op 12 juni 2012 is een aanvullend beslagexploot betekend dat op 13 juni 2012 bij het kadaster is ingeschreven.


2.6.

Het is de schuldeisers niet gelukt om tot een verdeling te komen. De Gemeente Rotterdam heeft een verzoek ingediend bij de rechtbank Rotterdam tot het benoemen van een rechter-commissaris ter bepaling van de rangregeling. Dit verzoek is toegewezen. In de rangregeling is door negen schuldeisers een vordering ingediend.


2.7.

[eiser] heeft een vordering van in totaal € 844.510,48 aangemeld bij de rechter-commissaris.



3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:


voor recht verklaart dat [eiser] een vordering heeft op [gedaagde] op basis van de door [gedaagde] naar aanleiding van het vonnis van 13 december 2011 verbeurde dwangsommen en dat [eiser] voor deze vordering dient te worden toegelaten tot de rangregeling;

[eiser] toelaat tot voornoemde rangregeling voor haar vordering groot € 844.510,48;

[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten, met bepaling dat over de proceskosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf 14 dagen na het vonnis.


3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert – samengevat – tot nietigverklaring van de door [eiser] op 6 juni 2012 en 12 juni 2012 gelegde beslagen en afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling van [eiser], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, met bepaling dat over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf 14 dagen na het vonnis.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

4.1.

De vordering van [eiser] is gegrond op voormeld vonnis in kort geding van 13 december 2011. In geschil is of [gedaagde] de bij dat vonnis bepaalde dwangsommen heeft verbeurd.


4.2.

Ingevolge artikel 551 lid 3 Rv is een beslaglegger op de zaak of op de koopprijs belanghebbende bij de verdeling van de opbrengst van de executieveiling. In geschil is of [eiser] rechtsgeldig beslag heeft laten leggen. Voordat de rechtbank de vraag of [gedaagde] dwangsommen heeft verbeurd beantwoort, zal worden beoordeeld of de in dat kader gelegde beslagen rechtsgeldig zijn omdat dit een voorwaarde is om te worden toegelaten tot de rangregeling.


4.3.

[gedaagde] heeft onder meer aangevoerd dat het proces-verbaal van beslaglegging van 12 juni 2012 niet overeenkomstig artikel 505 lid 1 Rv is overbetekend aan [gedaagde] zodat het op 12 juni 2012 gelegde beslag nietig is.


4.4.

Dit verweer slaagt. Ingevolge artikel 505 lid 1 tweede volzin Rv dient een afschrift van het proces-verbaal op straffe van nietigheid van het beslag niet later dan drie dagen na de inschrijving aan de geëxecuteerde te worden betekend. Ondanks het gemotiveerde verweer van [gedaagde] op dit punt en ondanks de aankondiging vooraf van de rechtbank dat de rechtsgeldigheid van de gelegde beslagen gespreksonderwerp ter zitting was, heeft [eiser] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het proces-verbaal van beslaglegging aan [gedaagde] is overbetekend. [eiser] heeft ter comparitie nog een beroep gedaan op artikel 66 lid 1 Rv en aangevoerd dat [gedaagde] door het achterwege laten van de overbetekening niet onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd. Dit beroep faalt.

Artikel 66 Rv ziet op gebreken in de inhoud van exploten. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3771 (rov. 3.5.2) bepaald dat artikel 66 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing is op vormvoorschriften met betrekking tot beslagexploten. Van niet naleving van een vormvoorschrift met betrekking tot de inhoud van een beslagexploot is echter geen sprake. Het gaat hier om het geheel achterwege laten van een exploot, te weten het betekenen van het proces-verbaal van beslaglegging aan de geëxecuteerde. Deze betekening is essentieel. Daarom wordt het achterwege laten daarvan door de wet gesanctioneerd met nietigheid.


4.5.

[eiser] heeft nog een beroep gedaan op de uitspraak van de Voorzieningenrechter Amsterdam van 5 februari 2014 ECLI:NL:RBAMS:2014:436 en gesteld dat het op 6 juni 2012 gelegde beslag voldoende was om voor het volledig door [gedaagde] verschuldigde bedrag te mogen meedelen in de executieopbrengst. Dit beroep faalt. Voormelde uitspraak ziet op de vraag of een executoriaal beslag kan worden gelegd voor een vordering waarvoor de beslaglegger nog een schadestaatprocedure aanhangig moet maken. Een vordering dus waarvan het geldelijk beloop nog niet is bepaald. Dat geval doet zich hier niet voor. De omvang van de vordering van [eiser] was ten tijde van de beslaglegging bepaalbaar.


4.6.

[eiser] kan derhalve – voor zover [gedaagde] de bij vonnis van 13 december 2011 bepaalde dwangsommen aan haar verschuldigd is – slechts voor het bedrag waarvoor op 6 juni 2012 beslag is gelegd worden toegelaten tot de rangregeling. In het proces-verbaal van inbeslagneming van 6 juni 2012 (productie 16) is een totaal verschuldigd bedrag vermeld van € 172.500.


4.7.

[gedaagde] heeft nog een beroep gedaan op de nietigheid respectievelijk vernietigbaarheid van het exploot van 16 februari 2012 (productie 5 bij conclusie van antwoord), waarbij het vonnis van 13 december 2011 nogmaals is betekend en een betalingsbevel is gedaan, omdat in dat exploot een betalingsbevel is opgenomen voor een onjuist bedrag (€ 210.000 in plaats van € 205.000). Dit beroep wordt verworpen. Uit het exploot is voldoende duidelijk dat aanspraak wordt gemaakt op de in de periode van 29 december 2011 tot en met 7 februari 2012 verbeurde dwangsommen vanwege het niet voldoen aan de veroordeling in het vonnis van 13 december 2011. Daargelaten dat [gedaagde] heeft nagelaten aan te voeren op welke in de wet verankerde nietigheid of substantiële nietigheid hij zich beroept, is niet aannemelijk dat [gedaagde] door het vermelden van een bedrag van € 210.000 in plaats van € 205.000 onredelijk is benadeeld. Voor zover er sprake zou zijn van niet-naleving van hetgeen in boek 1, titel 1, afdeling 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is voorgeschreven, brengt dit op grond van artikel 66 lid 1 Rv derhalve geen nietigheid mee.


4.8.

Het op 6 juni 2012 gelegde beslag, dat is gebaseerd op het bij exploot van 16 februari 2012 gedane betalingsbevel, is derhalve rechtsgeldig.


4.9.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of [gedaagde] de bij vonnis van 13 december 2011 bepaalde dwangsommen aan [eiser] verschuldigd is.

[eiser] heeft daartoe gesteld dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van dit vonnis, te weten medewerking verlenen aan voltooiing van de boedelbeschrijving en middels bankafschriften informatie verstrekken omtrent ontvangen huurpenningen van de onroerende zaken in de nalatenschap. [eiser] heeft deze stelling onderbouwd met een brief van 14 juni 2014 van de boedelnotaris aan de rechter die het vonnis van 6 april 2011 heeft gewezen. Deze brief houdt – onder meer – het volgende in:


“Inzake: nalatenschap mevrouw [erflater] (…)


Door de heren [gedaagde] is intussen een grote doos met mappen aangeleverd, die, na zorgvuldige bestudering, nagenoeg identiek bleken te zijn aan de reeds bekende documentatie en dus niet leiden tot een antwoord op de bestaande vragen of onderbouwing van de door de heren [gedaagde] gemaakte kosten. Er is door de heren [gedaagde] slechts één nieuwe map aangeleverd met daarin beantwoording van de vragen van de rechtbank (2 pagina’s) en wat onderliggende stukken. Bankafschriften of andere stukken die tot duidelijkheid zouden kunnen leiden ontbreken echter. (…)


Van ontvangen huurpenningen blijkt niets, nu geen nieuwe bankafschriften door de heren [gedaagde] zijn aangeleverd waaruit een en ander duidelijk zou kunnen worden. Diverse andere posten worden niet of onvoldoende onderbouwd. (…)


Beleefd verzoek ik u mij mede te delen wat er thans dient te gebeuren nu de door de heren [gedaagde] aangeleverde stukken niet voldoende zijn om de boedelbeschrijving in deze nalatenschap te voltooien.“


[eiser] heeft een deurwaarder verzocht een vergelijking te maken tussen de stukken die [gedaagde] en [broer] in de procedure bij de rechtbank, die heeft geleid tot het vonnis van 6 april 2011, hebben overgelegd en de stukken die [gedaagde] en [broer] bij de boedelnotaris hebben ingeleverd. Het proces-verbaal van bevindingen van deze deurwaarder van 21 januari 2014 is (als productie 11 bij conclusie van eis in renvooi) overgelegd.


4.10.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] slechts op één van de drie dwangsombepalingen een beroep heeft gedaan, te weten die in rov 5.1 (zich tot de boedelnotaris wenden en meewerken aan voltooien boedelbeschrijving). [gedaagde] stelt aan deze veroordeling te hebben voldaan. Zijn broer [broer] is op 20 december 2011 naar de boedelnotaris gegaan en heeft de boedelnotaris alle voorhanden zijnde informatie aangeleverd en deze toegelicht. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [gedaagde] een emailbericht van 23 december 2011 van de boedelnotaris overgelegd (productie 7 bij conclusie van antwoord). Dit emailbericht luidt – voor zover relevant - als volgt:


“Hierbij bevestig ik u dat ik dinsdag 20 december van u diverse stukken betreffende de nalatenschap van uw moeder heb ontvangen. Ik heb nog niet kunnen controleren of alle eerder door mij bij u opgevraagde stukken daar ook bij zitten.“


4.11.

Dit verweer wordt verworpen. In het dictum van het vonnis in kort geding van 13 december 2011 is ten aanzien van [gedaagde] een dwangsom verbonden aan – onder meer - de veroordelingen in het vonnis van 6 april 2011 tot:


(5.1) het verlenen van medewerking om de reeds eerder aangevangen boedelbeschrijving te voltooien;

(5.3) het door middel van bankafschriften verstrekken van informatie over de ontvangen huurpenningen.


De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] alle medewerking heeft verleend aan het voltooien van de boedelbeschrijving (5.1). Daartoe wordt als volgt overwogen.


4.12.

Het is aan [gedaagde] om te stellen welke handelingen hij ter uitvoering van het veroordelend vonnis heeft verricht. Uit voormeld proces-verbaal van de deurwaarder blijkt dat [gedaagde] en [broer] nagenoeg dezelfde informatie aan de boedelnotaris hebben gegeven als voorheen aan de rechtbank. Gelet op de met dit proces-verbaal en met voormelde brief van de boedelnotaris onderbouwde stelling van [eiser] heeft [gedaagde] niet dan wel onvoldoende weersproken dat de op 20 december 2011 aan de boedelnotaris overhandigde stukken dezelfde waren als de stukken die de rechtbank in haar vonnis van 6 april 2011 als onvoldoende had beschouwd. Uit laatstgenoemd vonnis blijkt dat inzage in de door [gedaagde] en [broer] ontvangen huurpenningen van belang is en dient te volgen. Uit voormelde zin in de brief van de boedelnotaris van 14 juni 2014:


‘Van ontvangen huurpenningen blijkt niets, nu geen nieuwe bankafschriften door de heren [gedaagde] zijn aangeleverd waaruit een en ander duidelijk zou kunnen worden”


volgt dat die inzage op dat moment nog niet was gegeven zodat de boedelbeschrijving niet kon worden voltooid. Gesteld noch gebleken is dat het aan andere erven dan [gedaagde] is te wijten dat de boedelbeschrijving nog niet is voltooid. De rechtbank concludeert dan ook dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] alle medewerking heeft verleend aan het voltooien van de boedelbeschrijving (5.1). [gedaagde] heeft derhalve niet voldaan aan de in het dictum van het vonnis in kort geding van 13 december 2011 onder 5.1 opgelegde verplichting. De dwangsommen zijn dan ook terecht verbeurd.


4.13.

Slotsom is dat de vordering van [eiser] tot een bedrag van

€ 172.500 kan worden toegelaten tot de rangregeling. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen als in het dictum omschreven.


4.14.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op

€ 608 aan griffierecht en € 904 aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 452), derhalve in totaal € 1.512.


4.15.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.



5De beslissing

De rechtbank


5.1.

verklaart voor recht dat [eiser] een vordering heeft op [gedaagde] op basis van door [gedaagde] naar aanleiding van het vonnis van 13 december 2011 verbeurde dwangsommen;


5.2.

laat [eiser] toe tot de rangregeling voor haar vordering groot

€ 172.500;


5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.512, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;


5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;


5.5.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit vonnis is gewezen door mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2015.

1573/32