Rechtbank Rotterdam, 10-03-2015 / 470676 / HA RK 15-171


ECLI:NL:RBROT:2015:3598

Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek afgewezen. Dat niet de rechter zelf, maar een ondersteunende functionaris van zijn team het uitstelverzoek van verzoeker heeft gezien en daarop heeft beslist, doet niet af aan het gegeven dat het nemen van die beslissing is voorbehouden aan de rechter die de zaak behandelt en een dergelijke beslissing moet in ieder geval aan die rechter worden toegeschreven. De afwijzende beslissing op het verzoek om uitstel van de zitting is niet onbegrijpelijk; immers, het ligt voor de hand aan te nemen dat de vraag of de genoemde uitspraak van de CRvB van betekenis kan zijn voor de beoordeling van de zaak van verzoeker en zo ja, of de afloop van de procedure waarin die uitspraak is gedaan verder moet worden afgewacht, aan de orde zou komen op de zitting van de rechter en aldaar onderdeel zou uitmaken van het inhoudelijk debat. Dat de rechter niet reeds voorafgaande aan de zitting heeft beslist tot uitstel, is derhalve niet onbegrijpelijk.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-05-22
Zaaknummer
470676 / HA RK 15-171
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken


Zaaknummer / rekestnummer: 470676 / HA RK 15-171


Beslissing van 10 maart 2015


op het verzoek van


[naam verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,


strekkende tot wraking van:

mr. J.C. Gerritse, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiekrecht, team bestuur 1 (hierna: de rechter).



1Het procesverloop en de processtukken


Bij brief van 18 april 2014 heeft verzoeker op nader aan te voeren beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse van 13 maart 2014, waarbij het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van dat college van 17 oktober 2013 tot afwijzing aanvraag bijzondere bijstand ongegrond is verklaard. Deze procedure heeft als kenmerk ROT AWB 14/2741.


In eerste instantie heeft in die procedure de griffier partijen bij brief van 15 augustus 2014 laten weten dat de zaak op 19 november 2014 op zitting behandeld zal worden. Nadat verzoeker bij brief van 20 augustus 2014 om aanhouding had verzocht in verband met zijn drukke agenda, heeft de griffier verzoeker laten weten dat de geplande behandeling van de zaak op 19 november 2014 geen doorgang zal vinden.


Vervolgens heeft de griffier in die procedure partijen bij brief van 13 oktober 2014 laten weten dat de behandeling van de zaak gepland zal worden op 12 januari 2015 in de ochtend. Die aankondiging is weer ingetrokken en bij brief van 20 november 2014 is aan partijen bericht dat de behandeling van de zaak zal plaatsvinden op de zitting van 26 januari 2015 in de ochtend. Daarop heeft verzoeker laten weten dat zijn “agenda bezet is van 26/1/15 tot half februari 2015” en om die reden heeft hij verzocht om de zitting na februari 2015 te laten plaatsvinden.


Uiteindelijk heeft de griffier partijen in die zaak bij brief van 9 december 2014 bericht dat de mondelinge behandeling van de zaak zal plaatsvinden op 26 februari 2015 in de ochtend. Bij brief van 29 januari 2015 zijn beide partijen opgeroepen voor de zitting van donderdag 26 februari 2015 om 12.10 uur. In die brief is ook vermeld dat de zaak behandeld zal worden door mr. J.C. Gerritse, de rechter.


Bij brief van 13 februari 2015 heeft verzoeker verzocht om uitstel van de zitting.


Bij brief van de griffier van 16 februari 2015 is verzoeker meegedeeld dat de behandeling van het beroep niet wordt uitgesteld.


Bij brief van 24 februari 2015 heeft verzoeker de wraking van de rechter verzocht.


De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevinden de hiervoor genoemde stukken.


Verzoeker, de rechter, alsmede het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 2 maart 2015.


Ter zitting van 4 maart 2015, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, is niemand verschenen. De rechter heeft voorafgaande aan de zitting bericht niet te zullen verschijnen.


Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van:

  • - het faxbericht van verzoeker, gedateerd 3 maart 2015 en
  • - het e-mailbericht van de rechter van 4 maart 2015.


2Het verzoek om uitstel


2.1

In voormeld faxbericht van 3 maart 2015 vraagt verzoeker de zitting van de wrakingskamer voor een periode van vier weken te verdagen, tot begin april, omdat hij vanwege een ontstane overbelasting momenteel niet in staat is op een hoorzitting zijn verzoek kracht bij te zetten.


2.2

De rechter heeft zich ten aanzien van de gevraagde aanhouding van de behandeling van het verzoek gerefereerd aan het oordeel van de wrakingskamer.


2.3

Vooropgesteld moet worden dat een wrakingsverzoek ingevolge wettelijk voorschrift zo spoedig mogelijk moet worden behandeld. Ook de aard van het rechtsmiddel – dat de lopende behandeling van een procedure door de rechter opschort – vereist een spoedige behandeling van- en beslissing op het wrakingsverzoek.

Voorts overweegt de wrakingskamer dat het verzoek om uitstel door verzoeker eerst in een zeer laat stadium van de procedure is gedaan, te weten minder dan 24 uren voor aanvang van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat het verzoek om uitstel als enige motivering heeft een niet nader onderbouwde verwijzing naar een overbelasting, hetgeen uitstel van een spoed vereisende procedure als de onderhavige niet kan rechtvaardigen.

Om deze redenen wijst de wrakingskamer het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek af.



3Het wrakingsverzoek en het verweer daartegen


3.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :


In de bestuursrechtelijke procedure beroept het college van burgemeester en wethouders zich ter onderbouwing en aanvulling van haar verweer op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 10 juni 2014 in de zaak met kenmerk 13/1705. Laatstgenoemde zaak en de thans lopende procedure van verzoeker zijn vergelijkbaar. Genoemde uitspraak kent een aantal schendingen van de motiveringsplicht. De CRvB is per brief gevraagd zijn uitspraak aan te vullen en derhalve is de rechtsstrijd in die procedure nog niet afgerond. Het debat over deze uitspraak kan derhalve nog niet gevoerd worden bij de rechtbank. Nu het verzoek om uitstel van de zitting van 26 februari 2015 is afgewezen, toont de rechter zijn onwil en wil hij de zitting geforceerd laten doorgaan, zonder de mogelijkheid van een volledig processueel debat over genoemde uitspraak. Hierdoor zal de rechterlijke onpartijdigheid schade leiden en is sprake van vooringenomenheid.


3.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter heeft te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Binnen de bestuursrechtteams is het – uitzonderingen daargelaten – gebruikelijk dat verzoeken om uitstel van de behandeling van een zaak worden afgedaan door de operationeel coördinator van het betrokken team. Dat is in dit geval ook gebeurd. Het verzoek om uitstel heeft de rechter dus niet zelf gezien, laat staan dat de rechter daarop een beslissing heeft genomen.



4De beoordeling


4.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.


4.2

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.




4.3

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

De rechtbank is van oordeel dat niet het geval is en overweegt daartoe als volgt:


4.4

De wrakingskamer is, anders dan de rechter, van oordeel dat de omstandigheid dat niet de rechter zelf, maar een ondersteunende functionaris van zijn team het uitstelverzoek van verzoeker heeft gezien en daarop heeft beslist, niet reeds tot afwijzing van het verzoek moet leiden.

Op het moment dat verzoeker zijn uitstelverzoek deed, was verzoeker reeds de oproeping voor de zitting van 26 februari 2015 toegezonden, met daarin de aankondiging dat het de rechter is die zijn beroep op die zitting zou gaan behandelen. Die oproeping had verzoeker ook bereikt, gezien de vermelding van de naam van de rechter in het uitstelverzoek. Verzoeker ging er derhalve kennelijk van uit - en kon (en mocht) er onder de gegeven omstandigheden ook van uitgaan - dat de rechter op zijn uitstelverzoek zou gaan beslissen en ook had beslist. De omstandigheid dat het nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van de zitting binnen de teams bestuursrecht van deze rechtbank kennelijk door de rechters is gedelegeerd aan een andere functionaris, doet niet af aan het gegeven dat het nemen van die beslissing is voorbehouden aan de rechter die de zaak behandelt en een dergelijke beslissing moet in ieder geval aan die rechter worden toegeschreven.



De afwijzende beslissing op het verzoek om uitstel van de zitting van 26 februari 2015 is echter geenszins onbegrijpelijk; immers, het ligt voor de hand aan te nemen dat de vraag of de genoemde uitspraak van de CRvB van betekenis kan zijn voor de beoordeling van de zaak van verzoeker en zo ja, of de afloop van de procedure waarin die uitspraak is gedaan verder moet worden afgewacht, aan de orde zou komen op de zitting van de rechter en aldaar onderdeel zou uitmaken van het inhoudelijk debat. Eerst bij gelegenheid van die behandeling zou – nadat beide procespartijen zich over die vraag zouden hebben kunnen uitlaten – door de rechter kunnen worden beslist of de verdere behandeling van de zaak van verzoeker op die grond zou moeten worden aangehouden. Dat de rechter niet reeds voorafgaande aan de zitting van 26 februari 2015 heeft beslist tot uitstel, is derhalve niet onbegrijpelijk.


4.6

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.



5De beslissing


wijst af het verzoek tot wraking van mr. J.C. Gerritse.


Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. W.J.J. Wetzels en

mr. E.D. Rentema, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2015 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.





Verzonden op:

aan:

- verzoeker

- mr. J.C. Gerritse

- het college van B & W van de gemeente Spijkenisse