Rechtbank Rotterdam, 27-05-2015 / ROT 14/3930


ECLI:NL:RBROT:2015:3628

Inhoudsindicatie
Bestuurlijke boete wegens het zonder vergunning onttrekken van de woonruimte aan de bestemming tot woonruimte ten behoeve van hennepteelt. Stelling dat sprake was van onderhuur niet aannemelijk geworden.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-05-27
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
ROT 14/3930
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 14/3930


uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J.J.A.P. van Breukelen,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. A.J.J. van der Vlist.



Procesverloop


Bij besluit van 16 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete van € 4.000,- opgelegd wegens het zonder vergunning onttrekken van de woonruimte in het pand [adres] (de woonruimte) aan de bestemming tot woonruimte ten behoeve van hennepteelt.


Bij besluit van 7 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2015. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.



Overwegingen


1.1.

Eiser huurde vanaf 22 augustus 2008 de woonruimte van [verhuurder].


1.2.

Uit het rapport van bevindingen bestuurlijke boete van 19 augustus 2013 volgt dat op 15 augustus 2013 in de woonruimte een hennepkwekerij is aangetroffen.


2. Het bestreden besluit berust op het standpunt van verweerder dat eiser artikel 30 van de Huisvestingswet, in samenhang met artikel 16b van de Huisvestingsverordening Stadsregio Rotterdam 2006 (Huisvestingsverordening) heeft overtreden, nu de woning door de aangetroffen hennepkwekerij zonder vergunning aan de woonbestemming is onttrokken, waardoor een deel van de woonruimte niet langer geschikt was voor bewoning. Verweerder merkt eiser aan als overtreder en is van mening dat hij eiser terecht een bestuurlijke boete heeft opgelegd.


3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte als overtreder is aangemerkt, nu hij de woonruimte met ingang van 1 december 2012 voor de duur van twaalf maanden heeft onderverhuurd aan [persoon] en hij niet wist dat er een hennepkwekerij in de woonruimte was.


4. Op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet, zoals dit luidde ten tijde van belang, is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van verweerder aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is.


Artikel 85a, eerste lid, van de Huisvestingswet, zoals dit luidde ten tijde van belang en voor zover in deze zaak van belang, bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening kan bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van artikel 30, eerste lid. Verweerder is bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel, voor zover in deze zaak van belang, kan de bestuurlijke boete niet hoger zijn dan € 18.500,- voor overtreding van artikel 30, eerste lid.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening het bedrag van de bestuurlijke boete vaststelt die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.


Op grond van artikel 16b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening is het verboden zonder een onttrekkingsvergunning van verweerder een woonruimte aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder onttrekking geschikt is


Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Huisvestingsverordening kan verweerder een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van artikel 30 van de Huisvestingswet.

Volgens het tweede lid van dit artikel, gelezen in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de bijlage bij de Huisvestingsverordening en de daarbij behorende tabel 1, bedraagt de in het eerste lid bedoelde boete voor de eerste overtreding bij het onvergund samenvoegen of onttrekken van woonruimte vanuit een bedrijfsmatige exploitatie € 4.000,-.


5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het verbod van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet, gelezen in samenhang met artikel 16b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening is overtreden, waardoor de woonruimte niet langer geschikt was voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang.


6.1.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder eiser terecht als overtreder heeft aangemerkt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.


6.2.

Eiser heeft in beroep voor het eerst aangevoerd dat hij de woonruimte heeft onderverhuurd. Als verklaring hiervoor heeft hij gegeven dat hij in bezwaar in de veronderstelling verkeerde dat het ging om een besluit tot onbewoonbaarverklaring van de woonruimte. Zeker nu het bestreden besluit een punitieve sanctie is, staat het eiser vrij in beroep volledig nieuwe argumenten aan te voeren. Dit neemt niet weg dat het pas in beroep aanvoeren dat sprake was van onderhuur afbreuk doet aan de overtuigingskracht van deze stelling, nu het voor de hand lag deze stelling ook bij een onbewoonbaarverklaring in een eerder stadium naar voren te brengen. De rechtbank volgt daarnaast verweerder in zijn standpunt dat eiser zijn stelling dat sprake was van onderhuur onvoldoende heeft onderbouwd. Eiser heeft een huurcontract en een kopie van een – volgens eiser vals gebleken – paspoort overgelegd. Verder heeft hij echter geen objectiveerbare en concreet verifieerbare stukken overgelegd waaruit volgt dat hij de woonruimte onderverhuurde. Zo is niet controleerbaar of er, zoals eiser stelt, huurpenningen voor de onderhuur van de woonruimte zijn betaald. Evenmin is controleerbaar of eiser bij de politie, zoals hij stelt, heeft aangevoerd dat hij de woonruimte heeft onderverhuurd waarna de zaak tegen hem is geseponeerd. Daarbij staat als onweersproken vast dat eiser op 15 augustus 2013 op het adres van de woonruimte stond ingeschreven in de Basisregistratie personen (voorheen Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens) en dat de energieaansluiting van de woonruimte op zijn naam stond. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat niet aannemelijk is geworden dat eiser de woonruimte heeft onderverhuurd. Hieruit volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat eiser, in zijn hoedanigheid van huurder, ten volle over de woning kon beschikken en dat de onttrekking zich derhalve geheel in zijn invloedssfeer heeft voorgedaan.


6.3.

Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd eiser een bestuurlijke boete opleggen.


7. Het beroep is ongegrond.


8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt, en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. S. Kara, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.