Rechtbank Rotterdam, 12-06-2015 / 15/10701


ECLI:NL:RBROT:2015:4155

Inhoudsindicatie
Hetgeen in de maatregel van bewaring van 5 mei 2015 staat, is naar het oordeel van de rechtbank onverenigbaar met de toelichting van verweerder ter zitting. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden op grond van welke maatregel van bewaring eiser in eerste instantie op 5 mei 2015 in bewaring is gesteld en derhalve waar de aanvullende maatregel van 5 mei 2015 om 12:06 uur op ziet, is de rechtbank van oordeel dat de aan eiser opgelegde bewaring reeds hierom onrechtmatig is.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-06-15
Zaaknummer
15/10701
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam


Team Bestuursrecht 3


zaaknummer: AWB 15/10701, V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel,


en


de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: drs. P.E.G. Heijdanus Meershoek.



Procesverloop


Verweerder heeft de rechtbank ervan in kennis gesteld dat hij eiser op 5 mei 2015 in vreemdelingenbewaring heeft gesteld. Deze kennisgeving geldt als beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring en een verzoek om schadevergoeding.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is ter zitting verschenen A.S.M. Al Hamawandi, tolk in de taal Arabisch Tunesisch.



Overwegingen


1. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Eiser heeft hiertoe aangevoerd dat uit de maatregel van bewaring van 5 mei 2015 te 12.06 uur blijkt dat verweerder heeft geconstateerd dat het bevel tot oplegging van de maatregel niet kenbaar gemotiveerd is en er daarom alsnog een kenbare motivering is gegeven. Deze handelswijze van verweerder is niet in lijn met de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en 13 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1593), aldus eiser.


2. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat de verwijzing naar het geconstateerde motiveringsgebrek in de maatregel van bewaring van 5 mei 2015 te 12.06 uur, ziet op een eerder opgelegde maatregel van bewaring van 26 april 2015 welke is opgeheven in verband met vormfouten.


3.1.

In voornoemde maatregel van bewaring van 5 mei 2015 staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:


‘(…) Op 5 mei 2015 is met het oog op de uitzetting/overdracht aan genoemde vreemdeling een maatregel als bedoeld in art 59/59a Vw opgelegd. Geconstateerd wordt dat in het licht van de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van 10 april 2015, met kenmerk 2015020224/1 het bevel tot oplegging van de maatregel niet kenbaar gemotiveerd is geweest.


In verband hiermee wordt dit besluit alsnog van een kenbare motivering voorzien. Ten tijde van de oplegging van de maatregel is overwogen of op betrokkene een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. (…)”


3.2.

Het betoog van eiser slaagt. Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring van 5 mei 2015 van 12:06 uur een aanvulling is op een kennelijk eerder op 5 mei 2015 door verweerder opgelegde maatregel van bewaring. De rechtbank is niet gebleken op welke specifieke maatregel van bewaring voornoemde aanvulling ziet, nu zich in het dossier geen andere maatregel van bewaring bevindt dan de aanvullende maatregel van bewaring van 5 mei 2015 te 12.06 uur.


3.3.

De rechtbank is, anders dan verweerder stelt, in ieder geval niet gebleken dat de hiervoor genoemde overweging in de maatregel van 5 mei 2015 te 12.06 uur ziet op een op 26 april 2015 opgelegde maatregel van bewaring. Hetgeen hiervoor in overweging 3.1. is weergegeven, is naar het oordeel van de rechtbank onverenigbaar met de toelichting van verweerder ter zitting. Immers verwijst de (aanvullende) maatregel van bewaring van 5 mei 2015 te 12.06 uur expliciet naar een op 5 mei 2015 opgelegde maatregel.


3.4.

Daarnaast is niet gebleken dat eiser op 26 april 2015 in vreemdelingenbewaring is gesteld. Anders dan verweerder stelt, blijkt uit model M119 niet meer dan dat eiser op 26 april 2015 staande is gehouden en dat hij vervolgens in vrijheid is gesteld wegens vormfouten. Uit de door verweerder overgelegde voortgangsgegevens van 10 juni 2015 blijkt evenmin van een op 26 april 2015 aan eiser opgelegde maatregel van bewaring.


3.5.

Nu het de rechtbank niet duidelijk is geworden op grond van welke maatregel van bewaring eiser in eerste instantie op 5 mei 2015 in bewaring is gesteld en derhalve waar de aanvullende maatregel van 5 mei 2015 om 12:06 uur op ziet, is de rechtbank van oordeel dat de aan eiser opgelegde bewaring reeds hierom onrechtmatig is.


4. Het beroep is derhalve gegrond.


5. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen, waarvan de hoogte als volgt is vastgesteld:

- voor 1 dag onrechtmatige bewaring in een politiecel (van 5 mei 2015 tot 6 mei 2015): 1 x € 105,- = € 105,-;

- voor 37 dagen onrechtmatige bewaring in een huis van bewaring (van 6 mei 2015 tot 12 juni 2015): 37 x € 80,- = € 2.960,-.

Het totale bedrag aan schadevergoeding komt daarmee op € 3.065,-.


6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 980,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1). Omdat een toevoeging is verleend, dienen de kosten te worden voldaan aan de gemachtigde van eiser.

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiser een schadevergoeding toe van € 3.065,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-, door verweerder te betalen aan de gemachtigde van eiser.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, rechter, in aanwezigheid vanmr. M.L.F. de Leeuw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2015.






griffier rechter



Afschrift verzonden op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.