Rechtbank Rotterdam, 24-06-2015 / ROT 15-3326


ECLI:NL:RBROT:2015:4454

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2016-10-14
Zaaknummer
ROT 15-3326
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 15/3326


uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[verzoeker] , te Rotterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. A.J. Wintjes,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Dinç.



Procesverloop


Bij besluit van 13 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Participatiewet afgewezen.


Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen


1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.


2. Op 9 april 2015 heeft verzoeker een aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet ingediend. Verzoeker heeft bij zijn aanvraag alle benodigde stukken bij verweerder ingeleverd. Omdat verweerder op de rekeningafschriften van verzoeker stortingen zag waarover hij vragen wilde stellen, is verzoeker bij brief van 24 april 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 8 mei 2015. Verzoeker is niet op dit gesprek verschenen.


3. Bij het bestreden besluit is de aanvraag om een uitkering afgewezen, onder de overweging dat verzoeker zonder bericht niet is verschenen op de afspraak van 8 mei 2015 en dat hierdoor niet beoordeeld kan worden of hij recht op bijstand heeft.


4. Verzoeker heeft (onder meer) aangevoerd dat hem geen verwijt treft van het niet verschijnen op het gesprek op 8 mei 2015. Hij stelt dat hij de uitnodiging voor dat gesprek niet heeft ontvangen. Ook heeft hij geen informatie ontvangen dat tevergeefs is geprobeerd bij hem een poststuk te bezorgen.


5. Uit de stukken komt naar voren dat verweerder de brief van 24 april 2015 via JBM Koeriers heeft verstuurd. In het track & trace bericht van JBM Koeriers is te lezen dat op 30 april 2014 om 17.19 is geprobeerd een Track & Trace pakket met nummer [nummer] op het adres van verzoeker aan te bieden. In het bericht is het vakje aangekruist: niet thuis maak een afspraak. In een e-mailbericht van 17 juni 2014 van JBM Koeriers aan verweerder heeft JBM Koeriers aangegeven dat JBM Koeriers hebben geprobeerd de zending met nummer [nummer] , gericht aan verzoeker, aan te bieden aan de ontvanger maar dat deze niet thuis is aangetroffen en dat een notificatie is achtergelaten in de brievenbus. Nu geen afspraak voor levering is gemaakt, is de zending teruggestuurd naar verweerder, aldus het e-mailbericht.


6. Er bestaat vaste jurisprudentie over de bewijskracht van aangetekende verzending ingeval tijdige ontvangst van een bezwaar- of beroepschrift in geding is. Op grond van deze vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB7822 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juni 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6080) kan verzending per koeriersdienst niet worden aangemerkt als verzending per post, als bedoeld in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. Dit omdat alleen de concessiehouder, die de universele postdienst uitvoert, dient te voldoen aan de bij en krachtens de Postwet gestelde eisen (die mede zien op de kwaliteit van de postbezorging), dient te voldoen. Andere postvervoersbedrijven, zoals koeriersdiensten, hebben deze verplichting niet.


7. De voorzieningenrechter overweegt dat, hoewel bovenstaande vaste jurisprudentie ziet op verzending van een bezwaar- of beroepschrift, genoemde vaste jurisprudentie ook van belang is voor het antwoord op de vraag hoe de verzending van de brief van verweerder aan eiser van 24 april 2015 afdoende kan worden bewezen.


8. Verweerder heeft de brief van 24 april 2015 bij verzoeker willen laten bezorgen via een koeriersdienst. Verzoeker gaf volgend het bericht van de koeriersdienst niet thuis. Verzoeker stelt dat hij geen bericht in zijn brievenbus heeft ontvangen dat tevergeefs is geprobeerd een poststuk bij hem aan te bieden. Desgevraagd heeft hij verklaard zijn brievenbus in de regel dagelijks te legen. Op het Track & Trace bericht is ingevuld dat een bezorgpoging door JBM Koeriers is gedaan, maar niet door wie. Ook blijkt uit het bericht niet wie een afhaalbericht in de bus heeft gedaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aanbieden van een brief per koeriersdienst en het notificeren door deze koeriersdienst dat de bezorging niet lukt, niet dezelfde bewijskracht heeft als bezorging door de concessiehouder, thans PostNL. Alleen de concessiehouder dient te voldoen aan de bij en krachtens de Postwet gestelde (kwaliteits)eisen. Daar komt bij dat de koeriersdienst, in tegenstelling tot PostNL, blijkens het Track & Trace bericht slechts één keer probeert de post te bezorgen. PostNL doet in de regel twee pogingen. Er zijn dan meer kansen dat de geadresseerde thuis wordt aangetroffen, of dat een bericht over niet geslaagde postbezorging de geadresseerde bereikt. De voorzieningenrechter acht het op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, niet buiten twijfel dat verzoeker bericht heeft ontvangen over de bezorgpoging van de brief van 24 april 2015. Het staat daarom niet buiten twijfel of verzoeker onvoldoende heeft voldaan aan zijn inlichtingen- en medewerkingsplicht door niet te verschijnen op het gesprek. Uit het dossier blijkt dat verzoeker aan andere verplichtingen wel heeft voldaan. Verweerder hecht verstrekkende gevolgen aan het niet verschijnen op het gesprek van 8 mei 2015, en wijst de aanvraag op grond daarvan af. Onder deze specifieke omstandigheden heeft verweerder niet enkel op grond van het niet verschijnen op het gesprek van 8 mei 2015 verzoekers aanvraag om een bijstandsuitkering kunnen afwijzen.


9. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting niet in stand zal blijven, zodat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.


10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.


11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).



Beslissing


De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit met ingang van de datum waarop het verzoek is gedaan, 29 mei 2015, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker en bepaalt dat verweerder vanaf 29 mei 2015 tot dat moment voorschotten verstrekt ter hoogte van 90% van de voor verzoeker geldende bijstandsnorm;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan verzoeker.



Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2015.



griffier voorzieningenrechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.