Rechtbank Rotterdam, 21-07-2015 / 478906 / HA RK 15-527


ECLI:NL:RBROT:2015:5690

Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek afgewezen. De enkele omstandigheid dat inmiddels de rechters (afwijzend) hebben geoordeeld over het verzoek dat verzoeker op de voet van artikel 36 Sv. heeft ingediend levert geen zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechters door objectieve factoren gerechtvaardigd is. Het behoort immers tot de normale, wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in art. 348 en 350 Sv. vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is te laste gelegd en wel op basis van het onderzoek ter terechtzitting.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-07-21
Publicatiedatum
2015-08-05
Zaaknummer
478906 / HA RK 15-527
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Strafrecht; Strafprocesrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken


Zaaknummer / rekestnummer: 478906 / HA RK 15-527


Beslissing van 21 juli 2015


op het verzoek van


[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. F. van Ardenne,


strekkende tot wraking van:

mrs. M.C. Franken, N. Doorduijn en P. Volker, rechters in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiekrecht, team straf 1 (hierna: de rechters).


1Het procesverloop en de processtukken


Op 13 maart 2015 heeft de raadsman van verzoeker bij deze rechtbank een verzoek ingediend om op de voet van artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) te verklaren dat de zaak tegen verzoeker met parketnummer 10/996558-05 is geëindigd.

Het gaat daarbij om een strafzaak die volgt op een onderzoek onder de naam ‘Stropdas’ waarin naast verzoeker ook nog anderen zijn of worden vervolgd.


Op 30 april 2015 is verzoeker in die zaak gedagvaard om op 22 juni 2015 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank.


Bij beschikking van 19 juni 2015 heeft de meervoudige raadkamer, waarin de rechters zitting hadden, het verzoek op de voet van artikel 36 Sv. afgewezen.


Bij e-mailbericht van 19 juni 2015 aan de voorzitter van de betreffende meervoudige strafkamer heeft de raadsman van verzoeker de rechters verzocht zich te (laten) verschonen in genoemde strafzaak tegen verzoeker.


Ter zitting van 22 juni 2015 is door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, een aanvang gemaakt met de behandeling van de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak met het hiervoor vermelde parketnummer.


Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsman van verzoeker de wraking van de rechters verzocht.


De wrakingskamer heeft onder meer kennis genomen van de volgende stukken:

- het verzoek tot verklaring dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd;

- de pleitnota van de raadsman van verzoeker ter gelegenheid van de behandeling in

raadkamer van dat verzoek;

- het op schrift gestelde standpunt van het Openbaar Ministerie over dat verzoek;

- de beschikking van de raadkamer van deze rechtbank van 19 juni 2015;

- het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer van 22 juni 2015 met de

daarin vermelde bijlagen.


Verzoeker alsmede de rechters zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 25 juni 2015.


Ter zitting van 7 juli 2015, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen de raadsman van verzoeker, de rechters mrs. M.C. Franken en P. Volker en de officier van justitie. De raadsman van verzoeker en de officier van justitie hebben aan de hand van een pleitnota hun standpunt nader toegelicht.


2Het verzoek en het verweer daartegen


2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven.


2.1.1

Nadat zijn verzoek op de voet van artikel 36 Sv. was afgewezen, was verzoeker voornemens ter terechtzitting een preliminair verweer te voeren dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verzoeker. De kern en strekking van dat verweer zullen identiek zijn aan de onderbouwing van het verzoek ex artikel 36 Sv. Gelet op de inhoud van de afwijzende beschikking van de rechters valt niet anders te verwachten, dan dat de overwegingen en de beslissing van de rechters op dat preliminaire verweer identiek zullen zijn aan de overwegingen en beslissing in de beschikking op het verzoek tot verklaring dat de zaak geëindigd is.


2.1.2

Voorts hebben de rechters bij de verwerping van het standpunt dat er bij de vervolging van verzoeker sprake is van willekeur een argument van het Openbaar Ministerie op dat punt nagenoeg letterlijk overgenomen in die beschikking. Dat was bovendien een feitelijk onjuist standpunt. Het heeft daarom geen zin de eerder gebruikte argumenten opnieuw aan te voeren, nu als onderbouwing van een preliminair verweer. De vrees bestaat dan ook dat de rechters de strafzaak tegen verzoeker inhoudelijk zullen gaan behandelen en dat de rechters vooringenomen zullen zijn.


2.1.3

Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker daaraan nog toegevoegd dat het relevant is te vermelden dat de rechters aanvankelijk voornemens waren de behandeling van het verzoek een kwartier voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting te laten plaatsvinden.


2.1.4

Ten slotte, aldus verzoeker, is hem daags voor de zitting van de wrakingskamer bekend geworden dat identieke niet-ontvankelijkheidsverweren van een medeverdachte in het onderzoek ‘Stropdas’ door de rechters zijn verworpen, hetgeen hem sterkt in zijn vrees dat hij geen schijn van kans maakt bij de rechters.

Een en ander klemt temeer nu de voorzitter van de kamer waarvan de gewraakte rechters deel uitmaken bij gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek heeft opgemerkt dat zij zich kan voorstellen dat het Openbaar Ministerie zich niet gebonden acht aan de fout die hij heeft gemaakt in de artikel 36 Sv.-procedure in de zaak van een andere verdachte in het onderzoek ‘Stropdas’.


2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters hebben te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.


2.2.1

De enkele omstandigheid dat de rechters afwijzend hebben beslist op het verzoek op de voet van artikel 36 Sv. rechtvaardigt niet de vrees voor vooringenomenheid.

De rechters hebben zich binnen het toetsingskader van artikel 36 Sv. uitdrukkelijk niet uitgelaten over de op grond van het onderzoek ter terechtzitting te beantwoorden vragen van artikel 348 en 350 Sv. naar aanleiding van de zeer substantiële vertraging in de afhandeling van de strafzaak tegen verzoeker.


2.2.2

De rechters hebben op het verzoek op de voet van artikel 36 Sv. geoordeeld dat de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie in één geval heeft ingestemd met een verzoek van een medeverdachte niet de conclusie rechtvaardigt dat het Openbaar Ministerie zich schuldig maakt aan willekeur door in de zaak tegen verzoeker over te gaan tot dagvaarding en zich te verzetten tegen toewijzing van het verzoek tot verklaring dat de zaak is geëindigd. Ook hier geldt een andere toets dan die voorligt bij de beantwoording van de vragen uit de artikelen 348 en 350 Sv. waarover de rechters zich nog moeten buigen.


2.2.3

Er is dan ook geen grond om aan te nemen dat het voeren van een ontvankelijkheidsverweer feitelijk zinloos is. De omstandigheid dat onlangs in een zaak tegen een andere verdachte in het onderzoek ‘Stropdas’ preliminaire verweren zijn verworpen door de rechters maakt dit niet anders, omdat de situatie van die verdachte niet zonder meer vergelijkbaar is met die van verzoeker en iedere zaak door de rechters op zijn eigen merites zal worden beoordeeld.


2.2.4

De rechters realiseren zich dat een te nemen beslissing over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op onderdelen raakt aan de genomen beslissing op de voet van artikel 36 Sv., maar daarin verschilt de situatie niet wezenlijk van gevallen waarin rechters eerder al oordeelden over verlenging van de gevangenhouding of op een bezwaar tegen de dagvaarding.


2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.




3De beoordeling


3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.


3.2

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is.


3.3

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Verzoeker heeft desgevraagd verduidelijkt dat hij, hoewel hij van mening is en blijft dat de afwijzing van het verzoek ex artikel 36 Sv. en de motivering van die beslissing onjuist is, deze invalshoek niet aan zijn verzoek ten grondslag legt.


3.4

De kern van de grond voor het verzoek tot wraking is daarin gelegen, dat de motivering van de aangevochten beschikking erop duidt dat de rechters hun beslissing (mede) hebben gebaseerd op (betwiste doch) door hen reeds vastgestelde feiten of op een reeds gevormd oordeel omtrent vragen die eerst bij de eindbeslissing aan de orde dienen te komen. Indien dat juist is, dan is een (al dan niet begrijpelijke) beslissing kennelijk ingegeven door vooringenomenheid, althans kan de vrees daarvoor dan objectief gerechtvaardigd zijn.



De wrakingskamer is van oordeel dat een en ander niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.


3.6

De enkele omstandigheid dat inmiddels de rechters (afwijzend) hebben geoordeeld over het verzoek dat verzoeker op de voet van artikel 36 Sv. heeft ingediend levert geen zwaarwegende aanwijzing op als onder 3.1. Het behoort immers tot de normale, wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in art. 348 en 350 Sv. vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is te laste gelegd en wel op basis van het onderzoek ter terechtzitting.


3.7

Weliswaar raakt een te nemen beslissing op een verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op onderdelen aan de beslissing van de rechters op het verzoek ex artikel 36 Sv. en de motivering daarvan, maar ook dat levert geen zwaarwegende aanwijzing op in de hiervoor bedoelde zin. Immers, de rechters hebben, niet onbegrijpelijk, bij hun beoordeling van het verzoek ex artikel 36 Sv. vooropgesteld dat deze bepaling ertoe strekt dat een verdachte zich kan beschermen tegen de onzekerheid of aan zijn strafzaak (verder) vervolg zal worden gegeven, alsmede tegen een onredelijk oponthoud van de afhandeling van de strafzaak.

In het licht van dat uitgangspunt hebben zij geoordeeld over het verzoek tot verklaring dat de zaak geëindigd is.

Verzoeker heeft voorts zelf in zijn toelichting op zijn verzoek ex artikel 36 Sv. tot uitdrukking gebracht dat voor de beoordeling daarvan een ander toetsingskader geldt, dan voor beoordeling van een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Verder is in dit verband van belang dat de rechters in die beschikking zich hebben beperkt tot beoordeling van de gronden die verzoeker heeft aangedragen ten gunste van een beslissing dat de zaak is geëindigd. Terecht is door verzoeker niet aangevoerd dat deze beslissing of de motivering daarvan zozeer onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven, dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

Niet gebleken is dat de rechters bij het nemen van de beslissing zich reeds een oordeel hebben gevormd over feiten of rechtsvragen, dat eerst bij de eindbeslissing zou dienen te worden gevormd.



Aan de eerst bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek naar voren gebrachte klacht van verzoeker omtrent het moment waarop de behandeling van het verzoek tot verklaring dat de zaak beëindigd is aanvankelijk was gepland, gaat de wrakingskamer voorbij omdat met deze klacht niet is voldaan aan de eisen van artikel 513 Sv. te weten dat het verzoek moet worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden.



Dat geldt niet voor het eerst ter zitting van de wrakingskamer aangevoerde feit dat de rechters in de zaak van een andere verdachte het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie hebben verworpen, omdat dit feit verzoeker eerst daags voor de behandeling van het wrakingsverzoek bekend is geworden. Ook dit is niet een omstandigheid die kan worden aangemerkt als een zwaarwegende aanwijzing in de hiervoor bedoeld zin. Zoals overwogen, de rechters moeten immers in de strafzaak tegen verzoeker slechts oordelen op grondslag van hetgeen hem als verdachte is ten laste gelegd, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting dienaangaande, en zij moeten buiten beschouwing laten wat zij in een andere zaak tegen een andere verdachte hebben beslist.


3.10

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.


4De beslissing


wijst af het verzoek tot wraking van mrs. M.C. Franken, N. Doorduijn en P. Volker.


Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. A.P. Hameete en

mr. M.G.L. de Vette, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2015 in tegenwoordigheid van mr. H.C.C. Kan, griffier.