Rechtbank Rotterdam, 03-02-2015 / ROT 14-2861


ECLI:NL:RBROT:2015:637

Inhoudsindicatie
AIO-aanvulling van eisers is ingetrokken met ingang van 1 september 2009. Onroerend goed in Turkije. Eisers zijn geselecteerd op basis van het "Project AIO Verblijf buiten Nederland". Niet is gebleken dat verweerder daarbij onderscheid heeft gemaakt naar nationaliteit. Ten aanzien van het huisbezoek overweegt de rechtbank dat eisers vrijwillig en op basis van informed consent toestemming hebben verleend voor het huisbezoek. Niet valt in te zien dat het huisbezoek onrechtmatig was.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-03
Publicatiedatum
2015-02-03
Zaaknummer
ROT 14-2861
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 14/2861


uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2015 in de zaak tussen
[naam] en [naam], te [adres], eisers,

gemachtigde: mr. R. Küçükünal,


en


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: mr. G.E. Eind.



Procesverloop


Bij besluit van 16 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) die eisers ontvingen met ingang van 1 september 2009 ingetrokken.


Bij besluit van 14 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.


Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen


1. Met ingang van 1 januari 2009 is aan eisers een AIO-aanvulling toegekend. Op het aanvraagformulier en op de op 26 april 2010, 16 september 2011 en 7 november 2012 ingevulde onderzoeksformulieren hebben eiseres vermeld dat zij geen vermogen/onroerend goed hebben. Uit de door eisers meegezonden afschriften van bankrekeningen bij het onderzoeksformulier van 7 november 2012 blijkt dat eisers bedragen overmaken naar een rekeningnummer in Turkije. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de individuele uitkering hebben toezichthouders van verweerder eisers op 26 november 2012 in hun woning bezocht. Tijdens dit huisbezoek heeft eiser verklaard dat hij eigenaar is van een woning in Turkije, die eiser heeft geërfd van zijn vader. Bij brief van 13 december 2012 heeft verweerder eisers verzocht om de afschriften van het rekeningnummer in Turkije over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 en van 1 januari 2012 tot en met 30 oktober 2012 aan verweerder te zenden. Eisers hebben de gevraagde rekeningafschriften niet toegezonden.

Op 14 januari 2013 heeft verweerder eisers nogmaals verzocht de gevraagde bankafschriften aan verweerder toe te zenden. Ook heeft verweerder bij brief van dezelfde datum verzocht om een recent taxatierapport van de woning in Turkije over te leggen. Bij brief van 22 januari 2013 heeft eiseres verweerder laten weten dat het een bankrekening betreft van de verstandelijk beperkte zoon in Turkije en dat eiseres de bankafschriften daarvan niet in haar bezit heeft. Voort is vermeld dat eisers van 25 mei tot november 2013 op vakantie zullen gaan. Op 6 maart 2013 is telefonisch namens eisers doorgegeven dat eisers de gevraagde stukken uit Turkije zullen meenemen.

Op 8 maart 2013 heeft verweerder eisers verzocht het Turkse identiteitsnummer door te geven en is verzocht de eigendomsakte van de woning in Turkije toe te zenden. Deze informatie is niet overgelegd. Gelet daarop is bij besluit van 18 april 2013 de AIO-aanvulling per 1 februari 2013 beeindigd.

Na terugkeer van vakantie in november 2013 hebben eisers de gevraagde informatie niet ingediend. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 16 december 2013 heeft verweerder eisers AIO-aanvulling met terugwerkende kracht per 1 september 2009 -de datum van toekenning- ingetrokken omdat door schending van de inlichtingenplicht het vermogen niet kan worden vastgesteld.


2. In artikel 17, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 17, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 17, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wwb heeft onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is.

In artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb is bepaald dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.

In het derde lid, onder c, van dit artikel is de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens voor de gehuwden tezamen vastgesteld.

In artikel 54, derde lid, van de Wwb is bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet, dan wel een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.


3.1.

Eisers betogen ten eerste dat verweerder ten onrechte gericht onderzoek heeft gedaan naar personen met een Turkse nationaliteit. Gelet hierop is sprake van strijd met artikel 1 van de Grondwet, de Algemene wet gelijke behandeling, protocol 12 bij artikel 14 van het EVRM, het gelijkheidsbeginsel, het verbod op willekeur en diverse andere internationale verdragen. Verweerder heeft het toegepaste onderscheid tussen de uitkeringsgerechtigden niet objectief kunnen rechtvaardigen door een legitiem doel. Daarom mogen de resultaten van het onderzoek niet worden gebruikt.


3.2.

Uit de stukken blijkt dat eisers zijn geselecteerd op basis van het "Project AIO Verblijf buiten Nederland", in welk kader verweerder onderzoek heeft gedaan naar verblijf en vermogen in het buitenland onder degenen die een AIO-aanvulling ontvangen. Dit onderzoek heeft, zoals verweerder ter zitting nader heeft toegelicht, aan de hand van neutrale criteria plaatsgevonden en niet is gebleken dat daarbij onderscheid is gemaakt naar nationaliteit. Daarmee verschilt dit onderzoek van het onderzoek waarvan sprake was in de door eisers ter zitting aangehaalde uitspraak van 3 april 2014 van de rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2014:2578, waar de pilot specifiek betrekking had op personen uit Marokko. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.


4.1.

Eisers betogen voorts dat voor het huisbezoek dat op 26 november 2012 onrechtmatig is nu de regels omtrent “informed consent” niet in acht zouden zijn genomen.


4.2.

Artikel 8, eerste lid, van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad, uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van "informed consent". Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van de uitkering heeft. Welke gevolgen voor de uitkering zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden van de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand - dat wil zeggen vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op uitkering en deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.


4.3.

Uit de stukken blijkt dat medewerkers van verweerder voorafgaand aan het binnentreden van de woning voor het afleggen van het huisbezoek eisers hebben uitgelegd wat de reden is van het afleggen van het huisbezoek en dat het niet geven van toestemming om de woning binnen te treden geen directe gevolgen zal hebben voor hun recht op AIO-aanvulling. Het formulier waarop dit is vermeld is vervolgens door eisers ondertekend. Uit deze gang van zaken blijkt dat eisers vrijwillig en op basis van informed consent toestemming hebben verleend voor het huisbezoek. Voor de aannemelijkheid van de in beroep ingenomen stelling dat eiser niet heeft begrepen waarvoor hij heeft getekend en dat de tolk misschien niet goed heeft vertaald, ziet de rechtbank in het dossier geen aanknopingspunten.

Evenmin volgt de rechtbank eisers stelling dat verweerder eisers voorafgaand aan het huisbezoek had moeten wijzen op de strafrechtelijke consequenties van hun verklaringen. Het huisbezoek heeft immers niet plaatsgevonden in het kader van een strafrechtelijke procedure en in deze bestuursrechtelijke procedure is het besluit tot intrekking van de AIO-aanvulling aan de orde.

Ook overigens valt niet in te zien waarom het huisbezoek onrechtmatig was. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder op grond van artikel 53a van de Wwb de bevoegdheid heeft periodiek onderzoek te verrichten.


5.1

Eisers stellen voorts dat verweerder ten onrechte en zonder noodzaak de BSN-nummers (lees: Kimlik) heeft opgevraagd, omdat onderzoek door Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) ook zonder deze gegevens mogelijk is. Daartoe wijzen zij op een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 5 december 2013 (zaaknummer ROT 13/6631), waarin is overwogen dat niet valt in te zien waarom verzoekers, die beschikken over Nederlandse identiteitsbewijzen en stellen dat het voor hen bewerkelijk is om hun verloren of mogelijk in Turkije bij familie liggende Turkse identiteitsbewijzen te achterhalen, tot het verstrekken van kopieën daarvan aan verweerder gehouden zou zijn.


5.2

De rechtbank stelt vast dat eisers is tegengeworpen dat zij geen informatie hebben verstrekt over de Turkse bankrekening op hun naam en dat zij geen taxatierapport van de woning in Turkije hebben overgelegd, als gevolg waarvan verweerder het recht op bijstand niet kon vaststellen. De omstandigheid dat zij hun Kimlik-nummers niet hebben verstrekt, is hen niet tegengeworpen, zodat de vraag of deze terecht zijn opgevraagd geen beantwoording behoeft.


6. Het beroep van eisers is ongegrond.


7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. J.M.M. Bancken en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.