Rechtbank Rotterdam, 09-09-2015 / C/10/424380


ECLI:NL:RBROT:2015:6386

Inhoudsindicatie
Vervolg op tussenvonnis van 23 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:6603). Tijdbevrachting binnenvaart. Voortijdige beëindiging. Verjaring. Schadebegroting.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-09
Publicatiedatum
2015-09-16
Zaaknummer
C/10/424380
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • S&S 2017/30
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel


Vonnis van 9 september 2015


in de zaak met zaak- en rolnummer: C/10/424380 / HA ZA 13-503 van


de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

MAAS SHIPPING GMBH,

gevestigd te Bremen, Duitsland,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.M. van Rossenberg te Rotterdam,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.F. Bienfait te Capelle aan den IJssel.


Partijen worden hierna “Maas” en “BFT” genoemd.



1Het verloop van de procedure


De procedure is als volgt verlopen:


1.1.

Maas heeft bij exploot van 4 maart 2013 BFT voor deze rechtbank gedagvaard en gevorderd – kort gezegd – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis voor recht zal verklaren dat BFT ten onrechte de tijdbevrachtingsovereenkomst tussen partijen niet is nagekomen en BFT zal veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat, een en ander met nevenvorderingen.


1.2.

Maas heeft twee producties in het geding gebracht.


1.3.

BFT heeft een conclusie van antwoord genomen en voorwaardelijk een eis in reconventie ingesteld en daarbij 32 producties in het geding gebracht.


1.4.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 24 juli 2013 een comparitie van partijen gelast. Vervolgens heeft de rechtbank een beschikking gegeven en een zittingsagenda aan partijen toegezonden.


1.5.

De comparitie is op 17 oktober 2013 gehouden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Ter comparitie zijn de volgende processtukken in het geding gekomen:

aan de zijde van Maas:

  • - Conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met een productie;
  • - stukken uit het kort geding tussen partijen;
  • - Samenvatting, met een productie;

aan de zijde van BFT:

  • - Aantekeningen;
  • - een gecorrigeerde productielijst;
  • - Reactie op nieuwe producties van Maas;
  • - een e-mail van [persoon1] aan Maas van 25 oktober 2011.

1.6.

BFT heeft een Akte houdende uitlating nieuw verweer genomen en daarbij producties 29 tot en met 52 in het geding gebracht.


1.7.

Maas heeft een Antwoordakte genomen, met twee producties.


1.8.

De rechtbank heeft op 23 juli 2014 een tussenvonnis gewezen.


1.9.

Maas heeft een Akte na tussenvonnis genomen, daarbij haar eis gewijzigd en drie producties in het geding gebracht.


1.10.

BFT heeft een Akte houdende uitlating producties, tevens reactie op wijziging van eis in conventie, tevens akte houdende wijziging van (voorwaardelijke) eis in reconventie genomen en daarbij producties 53 tot en met 63 in het geding gebracht.


1.11.

Maas heeft een Antwoordakte genomen en daarbij drie producties in het geding gebracht.


1.12.

De rechtbank heeft op 24 december 2014 een tussenvonnis gewezen.


1.13.

BFT heeft een Akte houdende uitlating producties genomen.


1.14.

Partijen hebben wederom vonnis gevraagd.



2De verdere beoordeling


In conventie


Eiswijzigingen?


2.1.

Zoals hiervoor gezegd, heeft Maas in haar Akte na tussenvonnis haar eis gewijzigd, in dier voege dat zij schadevergoeding ten bedrage van € 351.034,55 vordert. Maas heeft die eiswijziging niet geformuleerd in een aangepast petitum, evenmin aangekondigd in de kop van dat processtuk.

BFT heeft die eiswijziging blijkens haar Akte houdende uitlating producties tevens reactie op wijziging van eis in conventie, opgevat als een eisvermeerdering, in dier voege dat Maas sedertdien “in aanvulling op het bij dagvaarding gevorderde” betaling vordert van € 351.034,55.

Gelet op hetgeen de rechtbank had overwogen in 3.25 van het tussenvonnis van 23 juli 2014 met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding op te maken bij staat en op het door Maas in haar Akte na tussenvonnis gebezigde woordgebruik, alsmede op het bepaalde in artikel 3:59 BW in samenhang met de artikelen 3:33 en 3:35 BW, ligt als lezing van de gewijzigde eis voor de hand dat Maas thans, in plaats van een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, vordert: veroordeling van BFT tot schadevergoeding ten bedrage van € 351.034,55, alsmede de vanaf de dagvaarding gevorderde verklaring voor recht dat BFT ten onrechte de tijdbevrachtingsovereenkomst tussen partijen niet is nagekomen, met nevenvorderingen, een en ander bij een bij voorraad uitvoerbaar te verklaren vonnis.

BFT maakte geen bezwaar tegen zodanige eiswijziging. Ambtshalve ziet de rechtbank ook geen bezwaar daartegen.

Daarom zal de rechtbank de zaak beoordelen op basis van zodanige gewijzigde eis.


2.2.

In haar vervolgens genomen Antwoordakte heeft Maas in punt 2 gesteld dat “de te verwachten veroordeling van BFT dienaangaande [..] uitvoerbaar bij voorraad dient te worden verklaard, hetgeen Maas voorzoveel nodig uitdrukkelijk vordert”.

BFT is op dat punt niet ingegaan in haar Akte houdende uitlating producties.

Maas had bij dagvaarding reeds gevorderd dat het te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad diende te worden verklaard. Van die vordering is Maas niet teruggekomen. De opmerking in punt 2 van haar Antwoordakte was derhalve overbodig.

BFT heeft in punten 71 en 72 van haar Akte houdende uitlating producties tevens reactie op wijziging van eis in conventie verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad.


Dwaling?


2.3.

Ten onrechte heeft de rechtbank het bij wijze van verweer door BFT gedane beroep op vernietiging van de tijdbevrachtingsovereenkomst wegens dwaling (in de brief van de advocaat van BFT van 3 april 2012; productie 27 van BFT) niet behandeld in het tussenvonnis van 23 juli 2014. Dat doet de rechtbank alsnog.


2.4.

BFT stelt dat zij bij het aangaan van de tijdbevrachtingsovereenkomst gedwaald heeft, omdat de ‘ [schip] ’, anders dan Maas had medegedeeld en in de timecharter had laten opnemen, niet bleek te zijn uitgerust met een verwarmingsketel en -spiralen in de ladingtanks, de laadsnelheid aanmerkelijk geringer bleek te zijn dan de toegezegde 722, althans 600 m³ per uur en de kapitein niet bleek te beschikken over een ADN-C certificaat dat vereist is voor het vervoeren van gevaarlijke stoffen. Door die afwijkingen kon BFT het schip niet voldoende inzetten. Zou BFT met die discrepanties op de hoogte zijn geweest, dan zou zij de overeenkomst van tijdbevrachting niet, althans niet op dezelfde voorwaarden zijn aangegaan. BFT heeft de overeenkomst van tijdbevrachting buitengerechtelijk vernietigd en vordert dat de rechtbank dat voor zover nodig alsnog zal doen.

Maas bestrijdt die vordering en stellingen van BFT.


2.5.

In artikel 1 van de timecharter staat onder meer vermeld: “Schip beschikt tevens over [..] verwarmingsketel en spiralen in de ladingtanks”.

Niet langer is in geschil dat de ‘ [schip] ’ beschikt over een verwarmingsmogelijkheid vanaf de wal en over verwarmingsspiralen in de tanks, maar niet over een verwarmingsketel aan boord.

Aan BFT kan worden toegegeven dat er een discrepantie bestaat tussen het beschikken over een verwarmingsketel aan boord en over een verwarmingsmogelijkheid vanaf de wal. Echter, BFT heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze discrepantie de inzetbaarheid van het schip voor het beoogde doel heeft beperkt. In feite heeft BFT het schip van november 2011 tot maart 2012 ingezet, terwijl gesteld noch gebleken is dat in die periode enige reis niet of met bezwaren is uitgevoerd wegens de afwezigheid van een verwarmingsmogelijkheid aan boord.

Kennelijk betreft het een afwijking van ondergeschikte betekenis die vernietiging van de overeenkomst van tijdbevrachting wegens dwaling daarom niet kan dragen. Dat het een afwijking van ondergeschikt belang betreft blijkt ook uit de omstandigheid dat BFT bij e-mail van 24 januari 2012 (productie 7 van BFT), toen de afwijking al geruime tijd bekend was bij BFT, voorstelde om de timecharter te beëindigen en het schip “verder te laten doorvaren als huisparticulier voor BFT”. Daaruit blijkt dat BFT het schip met deze afwijking weldegelijk kon inzetten.


2.6.

De laadsnelheid geeft aan met welke snelheid lading vanaf de wal het schip in gepompt kan worden met gebruikmaking van de pomp van de walinstallatie.

De rechtbank verwijst naar en blijft bij hetgeen zij in 3.18 van het tussenvonnis van 23 juli 2014 heeft overwogen en geoordeeld. In het certificaat van goedkeuring van de ‘ [schip] ’ staat een laadsnelheid van 722 m3/h vermeld. Een begin van bewijs van de stelling dat het schip een geringere laadsnelheid heeft ligt niet voor.

De klacht over de laadsnelheid kan het beroep op dwaling daarom niet dragen.


2.7.

Maas voert ter betwisting van de stelling dat de kapitein (en de stuurman) van de ‘ [schip] ’ niet beschikte(n) over de vereiste papieren om gevaarlijke stoffen te vervoeren onder meer aan dat BFT het schip met deze bemanning dergelijke stoffen heeft laten vervoeren in de periode 25 oktober 2011 tot en met begin maart 2012. BFT heeft dat verweer niet weerlegd.

In geen van de omvangrijke hoeveelheid in het geding gebrachte stukken wordt specifiek melding genaakt van een gebrek aan de vereiste papieren van de kapitein om gevaarlijke stoffen te mogen vervoeren.

BFT heeft geen voldoende specifiek en concreet bewijsaanbod gedaan over deze dwalingsgrond.

Daarom is deze klacht onvoldoende aannemelijk geworden om het beroep op dwaling te kunnen dragen.


2.8.

De conclusie is dat het beroep op dwaling geen doel treft.


Aansprakelijkheid van BFT


2.9.

De rechtbank is in haar tussenvonnis van 23 juli 2014 tot de slotsom gekomen dat BFT de tijdbevrachtingsovereenkomst begin maart 2012 niet tussentijds mocht beëindigen en dat BFT, nu zij dat wel heeft gedaan, aansprakelijk is tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade. De rechtbank blijft bij dat oordeel.


2.10.

Daarom dient de gevorderde verklaring voor recht te worden gegeven.


2.11.

Voorts dient de aan de wanprestatie van BFT toe te rekenen schade van Maas te worden begroot aan de hand van de maatstaven van de artikelen 6:97 en 6:98 BW. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij daarover heeft overwogen en geoordeeld in 3.25 van het tussenvonnis van 23 juli 2014.


2.12.

Maas stelt dat zij een hoofdsom van € 351.034,55 aan schade heeft geleden ten gevolge van de wanprestatie van BFT.

BFT betwist met diverse argumenten dat zij dat bedrag aan schade dient te vergoeden.

2.13.

Het meest verstrekkende verweer vormt het beroep op verjaring ten aanzien van een gedeelte van de vordering, omdat deze vrachtvorderingen zou betreffen.

Tussen partijen is niet in geschil dat hun rechtsverhouding dient te worden aangemerkt als een overeenkomst van tijdbevrachting als bedoeld in Afdeling 2 van Titel 10 van Boek 8 BW. Ingevolge de artikelen 8:1710, 8:1711, 8:1716 en 8:1717 BW verjaart een vordering onder een tijdbevrachtingsovereenkomst (zowel een vordering tot nakoming van de verbintenis tot het betalen van tijdvracht als een vordering tot schadevergoeding wegens beëindiging van de tijdbevrachting) door verloop van één jaar na de dag waarop de overeenkomst, dan wel de uitvoering van de overeenkomst is geëindigd (of opgezegd).

In dit geval is de tijdbevrachtingsovereenkomst geëindigd door de mededeling van BFT van 12 maart 2012, zodat een vordering daaronder zou verjaren op 12 maart 2013.

Maas vordert geen nakoming van de verbintenis van BFT tot betaling van tijdvracht, maar schadevergoeding wegens de beëindiging van de tijdbevrachting door BFT op 12 maart 2012.

Vast staat dat Maas bij exploot van 4 maart 2013, derhalve binnen één jaar na 12 maart 2012, BFT heeft gedagvaard en schadevergoeding wegens de beëindiging heeft gevorderd. De latere wijziging van eis door Maas levert geen andersoortige vordering op.

Derhalve is de vordering van Maas niet verjaard.

Wat betreft de door BFT gestelde “vrachtvordering” van € 5.850,- over data in januari 2012 geldt bovendien – en ten overvloede – dat Maas bij brief van 26 maart 2012 (productie 2 bij Akte na tussenvonnis) een “aanmaning” tot betaling aan BFT heeft gezonden, waarin zij “beleefd doch dringend” heeft verzocht het bedrag binnen vijf dagen te voldoen. Die brief laat zich kwalificeren als een aanmaning in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW, waardoor de verjaringstermijn van één jaar opnieuw is gaan lopen op 26 maart 2012.


2.14.

Partijen zijn het erover eens dat BFT in beginsel verplicht was om onder de tijdbevrachtingsovereenkomst over de periode tot 25 oktober 2012 (5.850,- + € 464.100,- =) € 469.950,- aan Maas te betalen en dat BFT dat niet heeft gedaan.


2.15.

BFT voert aan dat het bedrag van € 5.850,- niet-ontvangen tijdvracht over drie dagen in januari 2012 betreft en dat die niet-ontvangen tijdvracht geen schade wegens de beëindiging vormt, omdat de ‘ [schip] ’ op die dagen wegens de aanvaring bij Esso niet voor BFT beschikbaar was. BFT beroept zich op artikel 4 in samenhang met artikel 8 van de timecharter en stelt dat zij daarom geen tijdvracht verschuldigd was.

Dat verweer zou doel kunnen treffen indien BFT tevens zou hebben gesteld dat BFT en Maas in onderling overleg zouden hebben bepaald dat over die drie dagen geen tijdvracht verschuldigd was (artikel 4: “omstandigheden buiten de macht of invloed van beide partijen kunnen de contractuele verplichtingen der beide partijen schorsen, doch enkel mits onderling overleg”) of dat Maas de in het tweede deel van artikel 8 van de timecharter genoemde drempel van vijf reparatiedagen al eerder in 2012 had opgesoupeerd (“Er worden 5 reparatiedagen per kalenderjaar toegekend zonder inhouding van dagvergoeding”). Dat heeft BFT, echter, niet gesteld, zodat BFT over de drie dagen in januari tijdvracht verschuldigd bleef, met een saldo van de drempel van artikel 8 van twee dagen.


2.16.

BFT voert aan dat de ‘ [schip] ’ op 25 augustus 2012 in aanvaring is gekomen met een brug over het Rijn-Hernekanaal en dat het schip daarom en voor het maken van klasse vanaf die datum tot 13 oktober 2012 niet is geëxploiteerd. BFT heeft haar stelling onderbouwd met een bericht uit Schuttevaer van 25 augustus 2012 (productie 55 van BFT) en een schadeopstelling die Maas ter comparitie aan BFT heeft overhandigd (productie 57 van BFT).

Maas heeft niet gereageerd op die producties.

De rechtbank neemt daarom aan dat de aanvaring van 25 augustus 2012, de reparatie van het schip en het maken van klasse in september en oktober 2012 tussen partijen niet in geschil zijn. Ook is kennelijk niet in geschil dat het schip gedurende de reparatieperiode en de periode van het klasse maken tot 13 oktober 2012 niet geëxploiteerd kon worden.

Gesteld dat de aanvaring in de looptijd van de tijdbevrachtingsovereenkomst zou hebben plaatsgevonden, dan zou op grond van artikel 8 van de timecharter BFT over de periode van reparatie geen tijdvracht aan Maas verschuldigd zijn geweest, afgezien van de drempel van vijf reparatiedagen. Wegens hetgeen zij in 2.15 heeft overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat van de drempel van vijf reparatiedagen genoemd in artikel 8 van de timecharter nog twee dagen over waren. Dus zou BFT over de eerste twee dagen, 25 en 26 augustus 2012, tijdvracht verschuldigd zijn geweest, maar daarna niet meer totdat de ‘ [schip] ’ weer voor haar beschikbaar zou zijn, derhalve 13 oktober 2012. Dat betekent dat Maas over de periode van 25 augustus tot 13 oktober 2012 twee dagen tijdvracht is misgelopen wegens de beëindiging van de tijdbevrachtingsovereenkomst. Dat komt neer op een bedrag van € 3.900,-. Over de dagen 27 augustus tot 13 oktober 2012 leed Maas geen aan de beëindiging toerekenbare schade (47 dagen of € 44.650,-).


2.17.

Het vorenstaande betekent dat BFT in beginsel tot 25 oktober 2012 aan tijdvracht aan Maas zou hebben moeten betalen (€ 469.950,- min € 44.650,- derhalve) € 425.300,-.


2.18.

Nu geen andere grond voor de wanbetaling van € 425.300,- is gesteld of gebleken dan de beëindiging van de tijdbevrachtingsovereenkomst, rekent de rechtbank het bedrag van € 425.300,- in beginsel als schade toe aan de tussentijdse beëindiging van die overeenkomst.


2.19.

Maas stelt dat zij haar schade heeft beperkt door de ‘ [schip] ’ vanaf 25 mei 2012 tot 25 oktober 2012 te vervrachten aan een derde, Gefo Gesellschaft für Oeltransporte m.b.H. (hierna: Gefo). Maas heeft twaalf “Abschlussbestätigungen” en afrekeningen van Gefo in het geding gebracht (van de “Abschlussbestätigung” van 10 juli 2012 met als “Ladetermin 13.07.2012” heeft Maas twee exemplaren overgelegd). Maas stelt dat zij ter zake van die bevrachtingen in totaal van Gefo heeft ontvangen het netto bedrag van € 118.915,45. Maas betoogt dat zij met die exploitatie tot genoemd bedrag haar schade heeft beperkt.

Daarvan uitgaande, resteert in beginsel een bedrag van (€ 425.300,- min € 118.915,45 derhalve) € 306.384,55 als schade wegens de beëindiging van de tijdbevrachtingsovereenkomst.


2.20.

BFT stelt dat Maas haar schadebeperkingsplicht onvoldoende is nagekomen en dat Maas een groter bedrag dan van € 118.915,45 heeft verdiend door de exploitatie van de ‘ [schip] ’ bij Gefo en een of meer anderen in de periode van 12 maart tot 25 oktober 2012.


2.21.

Nu de aan de tussentijdse beëindiging van de tijdbevrachtingsovereenkomst toe te rekenen schade in beginsel (€ 425.300,- en na aftrek van de opbrengst van schade beperkende maatregelen) € 306.384,55 beloopt, komen deze verweren van BFT neer op een beroep op omstandigheden als bedoeld in artikel 6:101 BW. Stelplicht en (bij voldoende betwisting) bewijslast van die omstandigheden en de van omvang van de beperking van de vergoedingsplicht van BFT liggen bij BFT.


2.22.

BFT stelt dat Maas uit de exploitatie van de ‘ [schip] ’ bij Gefo meer heeft gerealiseerd dan € 118.915,45.

BFT heeft geen van de afrekeningen van Gefo specifiek betwist.

Voor zover BFT haar stelling baseert op haar eigen berekeningen van de opbrengsten van de door Maas gedeclareerde reizen, ziet zij eraan voorbij de dat de optelsom van de onbetwiste afrekeningen van Gefo uitkomt op het door Maas gestelde bedrag van € 118.915,45.

Voor zover BFT betoogt dat Maas voorts aanspraak heeft op vergoedingen van Gefo wegens liggelden, ziet zij eraan voorbij dat, gelet op de Abschlussbestätigungen en de afrekeningen, kennelijk tussen Maas en Gefo vast staat dat Maas daarop geen aanspraak heeft boven het totaalbedrag van € 118.915,45.

Daarom gaat dat betoog van BFT niet op.


2.23.

BFT stelt dat Maas de ‘ [schip] ’ al op 15, althans 18 mei 2012 bij Gefo heeft ingezet en daarmee heeft verdiend. Daartoe verwijst BFT naar een brief van Maas aan BFT van 25 mei 2012 (productie 53 van BFT) waarin Maas onder meer stelt:

“Zoals tijdens de zitting 8 mei 2012 aan de KGD-Rechter te Rotterdam beloofd, heeft Maas GmbH alles in het werk gesteld, oplopende kosten voor BFT te beperken.

Vanaf 15 mei 2012 vervoert ms [schip] lading tbv derden als altijd.

[..]

Maas GmbH gaat er van uit dat BFT ( [persoon2] ) de nota mei 01-05 t/m 15-05-2012 correct, binnen 14 dagen betaald conform contract.”.

Het bedoelde kort geding (KGD) ging over de vraag of BFT verplicht was om tijdvracht, subsidiair een voorschot op schadevergoeding aan Maas te betalen. De mondelinge behandeling van het kort geding vond plaats op 8 mei 2012. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 29 mei 2012 (productie A van BFT) beslist. Ten tijde van die mondelinge behandeling werd Maas bijgestaan door een advocaat. Het moet Maas duidelijk zijn geweest dat een opmerking van haar zijde bij die mondelinge behandeling door BFT serieus zou worden opgevat. Hetzelfde geldt voor een brief van Maas geschreven tussen de mondelinge behandeling en de uitspraak, zoals de brief van 25 mei 2012. Gesteld noch gebleken is dat Maas later heeft uitgelegd dat en waarom de inhoud van die brief niet juist is. Daarom mocht en mag BFT ervan uitgaan dat de inhoud van de brief van Maas van 25 mei 2012 juist is.

Nu Maas in de brief van 25 mei 2012 stelt dat zij de ‘ [schip] ’ vanaf 15 mei 2012 lading ten behoeve van derden laat vervoeren en dat zij BFT verzoekt om de tijdvracht tot en met 15 mei 2012 te betalen, volgt daaruit dat Maas vanaf die datum het schip op andere wijze exploiteerde.

Waar Maas stelt dat zij (voor geen ander dan) voor Gefo is gaan varen, betekent dat dat Maas vanaf 15 mei 2012 het schip in exploitatie had bij of via Gefo.

Nu de eerste Abschlussbestätigung als “Ladetermin” 25 mei 2012 vermeldt en de tweede 3 juni 2012, waartussen negen dagen liggen, is niet aannemelijk dat Maas meer dan één reis met de ‘ [schip] ’ heeft gemaakt in de periode van 15 tot 25 mei 2012.

De rechtbank acht het daarom en gezien de Abschlussbestätigungen en afrekeningen van Gefo redelijk een netto vrachtopbrengst van € 10.000,- aan die eerste reis (tussen 15 en 25 mei 2012) toe te rekenen. Derhalve dient op de schade van € 306.384,55 een bedrag van € 10.000,- in mindering te worden gebracht, zodat als schade resteert € 296.384,55.


2.24.

BFT stelt dat de ‘ [schip] ’ na de door Maas gedeclareerde reis die op 3 juni 2012 afliep en voor de door Maas gedeclareerde reis van 10 juni 2012, een reis met lading van Pernis naar Antwerpen moet hebben gemaakt. BFT stelt dat het een reis met een biobrandstof (“FAME”, Fatty Acid Methyl Esters) moet zijn geweest. BFT stelt overigens geen concrete gegevens ter onderbouwing van haar stelling.

De rechtbank stelt voorop het in 2.21 genoemde juridische kader.

Niet in geschil is dat Gefo de ‘ [schip] ’ heeft bevracht voor een reis met “EL BLANK/UN 1202”, een biobrandstof, voor een reis van Godorf, Duitsland, waar het schip op 25 mei 2012 zou moeten laden ter aflevering in Village Neuf, Frankrijk. Op de Abschlussbestätigung van 24 mei 2012 staat als “Vorladung” vermeld: “BioDK/elblank/MTBE”.

Ook niet in geschil is dat Gefo de ‘ [schip] ’ heeft bevracht voor een reis met “DK/UN 1202”, een biobrandstof, voor een reis van Bottrop naar Bendorf, beide in Duitsland, van 3 tot 5 juni 2012. Op de Abschlussbestätigung van 31 mei 2012 staat als “Vorladung” vermeld: “blank, BioDK, blank”.

Evenmin is in geschil is dat Gefo de ‘ [schip] ’ heeft bevracht voor een reis met de biobrandstof “DK/UN 1202” voor een reis van “ARA” (Amsterdam-Rotterdam-Antwerpen range) waar het schip op 10 juni 2012 zou moeten laden ter aflevering in Lünen, Duitsland. Op de Abschlussbestätigung van 6 juni 2012 staat als “Vorladung” vermeld: “DK, blank, Fame”.

Anders dan BFT suggereert, is een deel van de periode van 3 tot 10 juni 2012 verklaard met de Abschlussbestätigung van 31 mei 2012. De stellingen van BFT over data waarop de ‘ [schip] ’ in Pernis of Antwerpen moet zijn geweest sporen niet met de niet-betwiste reis van Bottrop naar Bendorf van 3 tot 5 juni 2012.

BFT wijst op de vermelding van “Fame” als derde voorlading op de Abschlussbestätigung van 6 juni 2012, die niet spoort met de twee voorgaande Abschlussbestätigungen. Daar zou “DK” of “BioDK” hebben moeten staan en nu daar “Fame” staat heeft de ‘ [schip] ’ kennelijk nog een beladen reis gemaakt, zo begrijpt de rechtbank het betoog van BFT.

Inderdaad valt niet uit te sluiten dat de ‘ [schip] ’ na de reis met DK of BioDK onder de Abschlussbestätigung van 31 mei 2012 nog een beladen reis heeft gemaakt voordat zij in de ARA-range ging laden in het kader van de Abschlussbestätigung van 6 juni 2012. Echter, dan zou in de Abschlussbestätigung van 6 juni 2012 bij de “Vorladung” die niet gedeclareerde lading als eerste genoemd moeten zijn en niet als laatste, zoals in feite is vermeld. Zowel “Fame” als “DK” of “BioDK” zijn biobrandstoffen, zodat sprake kan zijn van een verschrijving.

Een en ander in het licht van het in 2.21 genoemde juridische kader afwegende, concludeert de rechtbank dat BFT onvoldoende specifiek heeft gesteld om (na nadere bewijsvoering) aannemelijk te kunnen achten dat Maas meer inkomsten met de ‘ [schip] ’ heeft gerealiseerd in de periode van 3 tot 10 juni 2012.


2.25.

BFT stelt dat de ‘ [schip] ’ voorafgaande aan de door Maas gedeclareerde reis van 3 juli 2012 een of meer niet gedeclareerde reizen moet hebben gemaakt. BFT stelt, echter, geen concrete gegevens waaruit dat volgt, maar voert suggesties en gissingen aan. Gelet op het in 2.21 genoemde juridische kader, is dat onvoldoende. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze stelling.


2.26.

BFT stelt dat de ‘ [schip] ’ voorafgaande aan de door Maas gedeclareerde reis van 25 juli 2012 drie niet gedeclareerde reizen moet hebben gemaakt met het product “Next BTL”. Concrete gegevens betreffende die drie reizen stelt BFT niet.

Onbetwist staat op de Abschlussbestätigung van 10 juli 212 als “Vorladung” vermeld “2 x HVO/DK” en op die van 23 juli 2012 “3 x Next BTL”.

Met BFT aannemende dat met “Next BTL” bedoeld is “NEXBTL”, een door Neste uit biomassa vervaardigde brandstof, en dat “HVO” staat voor “hydrotreated vegetable oil”, is er onvoldoende tegenstelling tussen deze begrippen om daaruit de gevolgtrekking te kunnen maken dat Maas een of meer niet gedeclareerde reizen moet hebben gemaakt. Immers, NEXBTL is een “hydrotreated vegetable oil”. De verwijzing naar HVO omvat daarom een verwijzing naar NEXBTL.

Gelet op het in 2.21 genoemde juridische kader, verbindt de rechtbank daarom geen gevolgtrekkingen aan de door BFT gemaakte opmerkingen.


2.27.

BFT stelt dat de ‘ [schip] ’ voorafgaande aan de door Maas gedeclareerde reis onder de Abschlussbestätigung van 13 augustus 2012 een niet gedeclareerde reis moet hebben gemaakt met het product “SKblfr” (Super Kraftstoff bleifrei). Daartoe voert BFT aan dat op de Abschlussbestätigung van 13 augustus 2012 als eerste “Vorladung” staat vermeld “SKblfr” en als tweede “NEXBTL” en dat de voorafgaande gedeclareerde reis, onder de Abschlussbestätigung van 31 juli of 7 augustus 2012, als lading staat vermeld “NEXBTL”.

Enige verklaring voor deze discrepantie ligt niet voor. Daarom is aannemelijk dat Maas in de tussentijd de ‘ [schip] ’ een niet gedeclareerde reis met Super Kraftstoff bleifrei heeft laten maken.

Uitgaande van het vrachttarief dat Maas bij Gefo verdiende voor een reis met Super Kraftstoff bleifrei onder de Abschlussbestätigung van 23 juli 2012, dient een bedrag van € 12.000,- in mindering te worden gebracht, zodat als schade resteert (€ 296.384,55 min € 12.000,- derhalve) € 284.384,55.


2.28.

BFT stelt dat Maas de ‘ [schip] ’ vanaf 13 oktober 2012 tot na 25 oktober 2012 heeft vervracht aan Maintank Schiffahrtsgesellschaft mbH (hierna: Maintank). BFT verwijst daartoe naar een e-mail van Maintank aan haar van 25 september 2014 (productie 56 van BFT) waarin onder meer is geschreven:

“gerne können wir Dir bestätigen das die MAINTANK Schiffahrt die TMS “ [schip] “ vom 13.10.2012 bis zum 01.02.2013 in unsere Flotte beschäftigt hat. ”

Voorts beroept BFT zich op een schadeopstelling die Maas ter comparitie aan BFT heeft overhandigd (productie 57 van BFT) waarin Maas na de periode van het klasse maken (derhalve tot 13 oktober 2012) twee opbrengsten declareert.

Maas heeft niet gereageerd op die producties. Uit de opstellingen van de schade en schade beperkende maatregelen in de processtukken van Maas blijkt niet van enige (opbrengst uit) exploitatie van de ‘ [schip] ’ vanaf 13 oktober 2012.

De rechtbank neemt daarom aan dat Maas de ‘ [schip] ’ vanaf 13 oktober 2012 heeft geëxploiteerd door vervrachting aan Maintank. Nu Maas die vervrachting heeft verzwegen en geen opbrengsten over die periode heeft gerapporteerd, verbindt de rechtbank daaraan de gevolgtrekking dat Maas geen aan de tussentijdse beëindiging van de tijdbevrachtingsovereenkomst toerekenbare schade heeft geleden vanaf 13 oktober 2012. De tijdbevrachtingsovereenkomst zou aflopen op 25 oktober 2012. Derhalve dient twaalf dagen misgelopen tijdvracht (12 x € 1.950,-, =) derhalve € 23.400,- op de schade in mindering te worden gebracht. Dus resteert aan schade een hoofdsom van (€ 284.384,55 min € 23.400,- derhalve) € 260.984,55.


2.29.

De overige door BFT gemaakte opmerkingen over de schadeomvang zijn onvoldoende specifiek of onvoldoende onderbouwd om onderwerp van onderzoek te kunnen vormen.


2.30.

Daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat Maas aanspraak heeft op vergoeding van schade wegens de tussentijdse beëindiging van de tijdbevrachtingsovereenkomst ten bedrage van € 260.984,55 aan hoofdsom.


Verrekening met brandstofkosten?


2.31.

BFT stelt dat en waarom zij ter zake van door haar betaalde brandstofleveranties aan de ‘ [schip] ’ € 18.810,64 van Maas te vorderen heeft en doet beroep op verrekening met die vordering. Ter onderbouwing van haar vordering verwijst BFT naar haar producties 60 tot en met 63.

Maas heeft niet gereageerd op dat beroep op verrekening, evenmin op die producties.

Daarom gaat de rechtbank van de juistheid van de vordering van BFT uit.

Omdat BFT al in april 2012 aanspraak heeft gemaakt op betaling (zie productie 60 van BFT), dient de verrekening te worden toegepast voordat de vordering van Maas tot schadevergoeding rentedragend is geworden.

Derhalve resteert per saldo een voor toewijzing in aanmerking komend bedrag van aan hoofdsom (€ 260.984,55 min € 18.810,64, derhalve) € 242.173,91.


Rente


2.32.

Maas heeft over de haar toekomende schadevergoeding van € 242.173,91 aanspraak op de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.

Een specifieke rente-ingangsdatum over de gevorderde schadevergoeding heeft Maas niet gesteld. Derhalve zal de rechtbank de rente toewijzen vanaf de dag van dagvaarding, 4 maart 2013.


In voorwaardelijke reconventie


2.33.

Met het eindoordeel in conventie is voldaan aan de voorwaarde waaronder de eis in reconventie is ingesteld.


2.34.

BFT heeft in haar Akte houden de uitlating producties, tevens reactie op wijziging van eis in conventie, tevens akte houdende wijziging van (voorwaardelijke) eis in reconventie haar eis gewijzigd in dier voege – kort gezegd – dat zij vordert dat de rechtbank de tijdbevrachtingsovereenkomst op grond van dwaling zal vernietigen.

Maas heeft tegen die eiswijziging geen bezwaar gemaakt.

De rechtbank ziet ambtshalve geen bezwaar tegen die eiswijziging.

Daarom zal de zaak op basis van de gewijzigde eis worden beoordeeld.


2.35.

Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld in 2.3 tot en met 2.8, concludeert de rechtbank dat de vorderingen in reconventie niet kunnen worden toegewezen.


Voorts in conventie en in reconventie


2.36.

De rechtbank zal BFT als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen. De aan de zijde van Maas tot deze uitspraak gevallen proceskosten zal de rechtbank begroten op:

  • - dagvaarding € 103,82
  • - griffierecht € 3.829,-
  • - salaris advocaat € 12.000,- (6 punten in Liquidatietarief VI)

totaal € 15.932,82.


2.37.

Maas vordert dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

BFT maakt bezwaar tegen zodanige uitvoerbaar verklaring, stellende dat zij bij veroordeling een restitutierisico zou lopen omdat de ‘ [schip] ’ het enige vermogensbestanddeel van Maas zou zijn, dat op dat schip een recht van hypotheek is ingeschreven voor een bedrag van vier miljoen euro en dat dat bedrag de waarde van het schip overstijgt.

Maas heeft die stellingen bestreden. Subsidiair heeft Maas de rechtbank in overweging gegeven om uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde van zekerheidstelling door Maas te verbinden.

De rechtbank acht het belang van Maas bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad genoegzaam aanwezig. Nu niet valt uit te sluiten dat in hoger beroep anders zal worden geoordeeld over de aansprakelijkheid van BFT en over de omvang van de daaraan toe te wijzen schade, terwijl Maas de opmerkingen van BFT over gebrek aan verhaalsmogelijkheden niet heeft ontzenuwd, acht de rechtbank het geraden om aan de tenuitvoerlegging hangende een rechtsmiddel de voorwaarde te verbinden dat Maas genoegzame zekerheid zal stellen voor terugbetaling van hetgeen BFT krachtens vonnis aan haar mocht moeten betalen. De rechtbank zal die zekerheid beperken tot het nominale bedrag van hetgeen BFT aan Maas zal hebben betaald.



3De beslissing


De rechtbank,


in conventie:


3.1.

verklaart voor recht dat BFT ten onrechte haar verbintenissen onder de tijdbevrachtingsovereenkomst tussen partijen niet is nagekomen;


3.2.

veroordeelt BFT om als schadevergoeding aan Maas te betalen € 242.173,91 (tweehonderdtweeënveertigduizend eenhonderddrieënzeventig 91/100 euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 4 maart 2013;


in reconventie:


3.3.

wijst de vorderingen af;


voorts in conventie en in reconventie:


3.4.

veroordeelt BFT in de proceskosten en begroot de aan de zijde van Maas tot deze uitspraak gevallen proceskosten op € 15.932,82;


3.5.

verklaart dit vonnis voor zover het een veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad onder de voorwaarde dat, indien en zodra door BFT een rechtsmiddel tegen dit vonnis wordt ingesteld, door Maas genoegzame zekerheid wordt gesteld ten belope van het nominale bedrag van hetgeen BFT uit krachte van dit vonnis aan Maas zal betalen of hebben betaald;


3.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015. 1928