Rechtbank Rotterdam, 09-09-2015 / C/10/470440 / HA ZA 15-187


ECLI:NL:RBROT:2015:6433

Inhoudsindicatie
Eiser vordert op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a BW vernietiging van een aandeelhoudersbesluit waarbij hij als statutair bestuurder is ontslagen. Eiser legt daaraan ten grondslag dat het besluit in strijd met de wet en statuten tot stand is gekomen, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen, noch de kans heeft gekregen om zich – bijgestaan door een raadsman – te verantwoorden in de algemene vergadering van aandeelhouders. Gedaagde voert aan dat feitelijk aan de wettelijke en statutaire eisen is voldaan en eiser voldoende gelegenheid heeft gehad zijn zienswijze naar voren te brengen. Gedaagde betwist bovendien dat eiser belang heeft bij zijn vordering, zoals bedoeld in artikel 3:303 BW en artikel 2:15 lid 3 BW. De rechtbank oordeelt dat het besluit niet conform de wet en de statuten tot stand is gekomen en dat eiser belang heeft bij de door hem ingestelde vordering, dat een belang is als bedoeld in artikel 3:303 BW. Onder de omstandigheden van het concrete geval (r.o. 4.3) komt de rechtbank evenwel tot het oordeel dat niet sprake is van een redelijk belang in de zin van artikel 2:15 lid 3 BW, op grond waarvan eiser tevens een belang dient te hebben bij nakoming van de overtreden regel.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-09
Publicatiedatum
2015-09-16
Zaaknummer
C/10/470440 / HA ZA 15-187
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1700
  • AR-Updates.nl 2015-0888
  • OR-Updates.nl 2015-0327
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/470440 / HA ZA 15-187


Vonnis van 9 september 2015


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. C.C. Oberman,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LUKOIL BENELUX B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. T.L. Claassens.



Partijen worden hierna aangeduid als " [eiser] ", respectievelijk "Lukoil".


1Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

  • - het tussenvonnis van 10 juni 2015;
  • - aanvullende producties 36 t/m 41 van de zijde van Lukoil d.d. 23 juli 2015;
  • - aanvullende productie 3 van de zijde van [eiser] d.d. 10 augustus 2015;
  • - proces-verbaal van comparitie, gehouden op 18 augustus 2015.

1.2.

De rechtbank heeft de uitspraak van vonnis bepaald op heden.


2De feiten

2.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:


2.2.

[eiser] is per 31 augustus 2005 benoemd als statutair bestuurder van Lukoil. Per 10 mei 2006 is hij als General Manager in dienst van de naar Russisch recht opgerichte vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Lukoil Personnel” en is hij, ten behoeve van de uitoefening van zijn functie als statutair bestuurder, uitgeleend aan Lukoil. Daartoe is tussen Lukoil en Lukoil Personnel een zogenaamde "secondment agreement" (hierna: "detacheringsovereenkomst") gesloten.


2.3.

De heer [persoon1] (hierna: " [persoon1] ") is werkzaam bij Litasco, de enig aandeelhouder van Lukoil. Bij e-mail van 7 oktober 2013 is namens [eiser] een e-mail gestuurd aan [persoon1] , waarbij is verzocht te berichten of de detacheringsovereenkomst ten behoeve van [eiser] zou worden verlengd:


“On behalf of Mr. A. [eiser] , I would like to bring following to your attention.


The present work/residence permit of Mr. [eiser] will expire on 31.12.2013. (…) we have to apply for the extension of the residence permit of Mr. [eiser] as soon as possible. (…) However, these forms can only be completed when the situation with regard to Mr. [eiser] ’s stay in the Netherlands is clear.


Therefore we kindly request you to inform us as soon as possible with regard to the extension of the secondment agreement with LUKOIL PERSONNEL for Mr. [eiser] . In case the secondment agreement will be extended we need a confirmation from LUKOIL PERSONNEL (…), stating the period of the extension and the gross salary of Mr. [eiser] (…).”


2.4.

Door [eiser] is een formulier (hierna: "Order") ondertekend, gedateerd 17 december 2013, waarin volgens de Engelse vertaling onder meer het navolgende is vermeld:


“Limited Liability Company

LUKOIL PERSONNEL

Company name



ORDER

Concerning termination of labour agreement with an employee (dismissal)


To terminate the labour agreement from 10 May 2011 No. NED – 01/04,


to dismiss on 31 December 2013,


[eiser]

Surname, name, father’s name


Seconded employees (LUKOIL BENELUX BV)

Structural unit


Managing Director

Function, category, qualification”


2.5.

Op 23 december 2013 is buiten vergadering een besluit genomen tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder per 1 januari 2014 (hierna: "het Besluit").


2.6.

Op 31 maart 2015 is in vergadering een besluit genomen tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder (hierna: "het tweede ontslagbesluit") per de datum van het besluit. Dit besluit is genomen onder de navolgende voorwaarde:


“(…), insofar as this dismissal would be necessary, namely in the event that the shareholders’ resolution of the Company dated twenty-third day of December two thousand thirteen by which Mr. [eiser] was dismissed as a member of the management board of the Company would be annulled in court.”


2.7.

Bij beschikking van 14 juli 2015 is de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Lukoil Personnel ontbonden per 15 juli 2015, voor het geval in rechte komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet reeds is beëindigd door het eindigen van het statutair bestuurderschap.


3Het geschil

3.1.

Verkort weergegeven vordert [eiser] , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a) het aandeelhoudersbesluit van 23 december 2013, waarbij [eiser] als statutair bestuurder van Lukoil is ontslagen, te vernietigen;

b en c) Lukoil, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,- per dag, te gebieden om [eiser] binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis vrij en onbelemmerd in de gelegenheid te stellen de gebruikelijke taken behorende bij zijn functie uit te voeren, respectievelijk voort te zetten, op de gebruikelijke tijdstippen behorend bij die functie;

d en e) Lukoil te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: "BW"), alsmede de nakosten.


3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen, doordat hij geen uitnodiging heeft ontvangen voor de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: “ava”), geen agenda heeft ontvangen voor de ava, hij niet bij de ava aanwezig is geweest, hij pas in een op 27 juni 2014 aanhangig gemaakte kort gedingprocedure omtrent de rechtsgeldigheid van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst bekend is geworden met het Besluit en hij niet in de gelegenheid is geweest zich tijdens de ava, bijgestaan door een raadsman, te verantwoorden. Er is daarmee gehandeld in strijd met de wet en artikel 14 lid 3 van de statuten, zodat het Besluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a BW. [eiser] heeft belang bij zijn vordering, omdat Lukoil Personnel zich op het standpunt stelt dat met het ontslag als statutair bestuurder ook de arbeidsovereenkomst met Lukoil Personnel is geëindigd. Bovendien is voor [eiser] van belang om te weten of en in welke mate hij per 1 januari 2014 nog externe verantwoordelijkheid draagt c.q. heeft gedragen als statutair bestuurder.


3.3.

Lukoil betwist de door [eiser] gestelde feiten en voert daartoe aan dat het Besluit buiten vergadering is genomen, in welk geval de voorwaarden ten aanzien van het uitnodigen voor de vergadering, het toesturen van een agenda en aanwezigheid van de bestuurder niet gelden. Feitelijk is aan de wettelijke en statutaire vereisten voldaan. [eiser] is altijd op de hoogte geweest van het tijdelijke karakter van de arbeidsovereenkomsten. Er zijn als sinds 2012, voor het laatst met [persoon1] in december 2013, gesprekken gevoerd met [eiser] over de beëindiging van zijn functie, onder meer met het oog op het verkrijgen/behouden van een nieuwe verblijfsvergunning na beëindiging van zijn dienstverband. [eiser] heeft bovendien een formulier ondertekend waaruit de beëindiging van zijn functie als statutair bestuurder blijkt. [eiser] is daarmee geraadpleegd en heeft alle gelegenheid gehad zijn zienswijze naar voren te brengen. Lukoil betwist bovendien dat [eiser] belang heeft bij de vordering als bedoeld in artikel 3:303 BW, aangezien het einde van de voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst los staat van het ontslag als statutair bestuurder en inmiddels een tweede ontslagbesluit is genomen. Van herstel van de werkzaamheden kan dan ook geen sprake meer zijn. Bovendien ontbreekt bij [eiser] een belang als bedoeld in artikel 2:15 lid 3 BW. [eiser] heeft niet voldaan aan haar stelplicht door over dit belang geheel niets naar voren te brengen.


3.4.

Lukoil voert bovendien als verweer dat [eiser] zijn rechten inmiddels heeft verwerkt, omdat [eiser] reeds heeft ingestemd met het ontslag. Daar komt bij dat het beroep op vernietiging van het Besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, als bedoeld in artikel 2:8 BW. Tot slot is van belang dat het een discretionaire bevoegdheid is van de rechtbank om een besluit al dan niet op grond van artikel 2:15 BW te vernietigen.


3.5.

Lukoil concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de nakosten.


3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

Partijen zijn het er over eens dat op het Besluit in elk geval het bepaalde in artikel 2:238 lid 2 BW van toepassing is. Op grond van deze bepaling dient de bestuurder in de gelegenheid te worden gesteld advies uit te brengen. Een dergelijk adviesrecht sterkt ertoe dat de bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld zijn visie omtrent een voorgenomen besluit naar voren te brengen, zodat aandeelhouders daarmee bij de stemming over het besluit rekening kunnen houden. Om een bestuurder een reële kans te geven advies uit te brengen omtrent een bepaald besluit, zal hij in beginsel geïnformeerd moeten worden over het bestaan van het voorgenomen besluit, de daaraan ten grondslag liggende redenen, alsmede het moment waarop besluitvorming gepland staat.


4.2.

Voor zover [persoon1] met [eiser] heeft besproken dat hij zou worden ontslagen als statutair bestuurder, wat door [eiser] is bewist, is deze mededeling van iemand die geen lid is van enig orgaan van Lukoil, onvoldoende om te kunnen worden beschouwd als een uitnodiging om op dat moment het advies uit te brengen in de zin van artikel 2:238 lid 2 BW. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] op enig moment is geïnformeerd wanneer de formele besluitvorming zou plaatsvinden of vóór welke datum hij zijn advies bij het daarvoor aangewezen orgaan zou kunnen uitbrengen. Het achterwege laten van een formeel moment van adviseren kan niet worden gerechtvaardigd doordat vóór het Besluit geruime tijd met [eiser] zou zijn gesproken over een mogelijke beëindiging van zijn dienstverband en van het statutair bestuurderschap, noch door de enkele stelling dat een advies van [eiser] geen invloed zou hebben op de besluitvorming. [eiser] kan dan ook worden gevolgd in de stelling dat het Besluit niet conform de wet en de statuten tot stand is gekomen. De omstandigheid dat niet de juiste procedure is gevolgd, is echter niet voldoende voor toewijzing van de vordering.


4.3.

Uit het bepaalde in artikel 3:303 BW en artikel 2:15 lid 3 BW blijkt dat [eiser] zowel belang dient te hebben bij de door hem ingestelde vordering als bij nakoming van de beweerdelijk overtreden regel. Volgens [eiser] is dit belang gegeven nu Lukoil Personnel zich op het standpunt stelt dat de arbeidsovereenkomst eindigt als gevolg van het Besluit. Bovendien is het voor [eiser] van belang om te weten of hij als bestuurder per 1 januari 2014 nog externe verantwoordelijkheid draagt als statutair bestuurder van Lukoil. De rechtbank oordeelt dat dit belangen zijn als bedoeld in artikel 3:303 BW. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat hij alternatieven naar voren had kunnen brengen en op zijn persoonlijke situatie had kunnen wijzen als hij in de gelegenheid was gesteld om bij de juiste personen en bij de juiste organen zijn advies naar voren te brengen. Hoewel hierin een belang als bedoeld in artikel 2:15 lid 3 BW kan zijn gelegen, acht de rechtbank in dit geval ook de navolgende omstandigheden van belang:


a. Er is tussen [eiser] enerzijds en Lukoil, dan wel Lukoil Personnel anderzijds, geruime tijd uitgebreid gesproken over een (mogelijke) beëindiging van het dienstverband, welk einde door Lukoil Personnel bevestigd is met de Order. [eiser] was ermee bekend dat het dienstverband het arbeidsrechtelijke vehikel was ten behoeve van zijn positie als statutair bestuurder van Lukoil. [eiser] had dan ook moeten begrijpen dat deze gesprekken en de Order evenzeer betrekking hadden op de beëindiging van zijn functie als statutair bestuurder. Dit geldt te meer nu in de Order expliciet is verwezen naar zijn functie als statutair bestuurder en zijn plaatsing bij Lukoil.


Dat [eiser] heeft begrepen dat zijn dienstverband daadwerkelijk tot een einde zou komen, blijkt onder meer uit de door hem in het geding gebrachte e-mail van 7 oktober 2013, waarin verzocht wordt om een verlenging van de detacheringsovereenkomst met Lukoil Personnel.


De stellingen van Lukoil dat [eiser] maanden heeft gehandeld conform de beëindiging van het dienstverband en het statutair bestuurderschap, dat [eiser] tot het uitbrengen van de dagvaarding geen werkhervatting heeft gevorderd, dat [eiser] zich pas middels de dagvaarding, althans bij brief van 23 januari 2015, voor het eerst beschikbaar hield voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden, alsmede dat [eiser] tot 22 december 2014 op geen enkele wijze aan de bel heeft getrokken om kenbaar te maken dat hij het niet eens was met de gang van zaken en deze – zoals [eiser] ter zitting stelde – als diffamerend heeft ervaren, zijn door [eiser] niet betwist.


Afgezien van de algemene stelling van [eiser] dat hij negatief zou hebben geadviseerd over het voorgenomen Besluit als hij daartoe in de gelegenheid was gesteld, is gesteld noch gebleken wat het advies zou inhouden en dat dit advies invloed zou kunnen hebben gehad op de besluitvorming. Dat zijn advies invloed zou hebben gehad op de besluitvorming acht de rechtbank niet aannemelijk.


Inmiddels is een tweede ontslagbesluit genomen waarbij onbetwist is voldaan aan de wettelijke en statutaire vereisten. Van herstel van het statutair bestuurderschap zal reeds daarom geen sprake meer zijn.


[eiser] kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij er belang bij heeft te weten of hij nog externe verantwoordelijkheid draagt. Zolang het Besluit niet door de rechtbank wordt vernietigd, bestaat daarover geen enkele onzekerheid. Het is echter juist [eiser] zelf geweest die vernietiging van het besluit heeft gevorderd.


Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat niet sprake is van een redelijk belang in de zin van artikel 2:15 lid 3 BW, zodat de rechtbank niet zal overgaan tot vernietiging van het Besluit.


4.4.

Met het tweede ontslagbesluit, waarvan de rechtsgeldigheid door [eiser] is erkend, en de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst staat vast dat zowel de vennootschapsrechtelijke functie van [eiser] als statutair bestuurder van Lukoil als de arbeidsovereenkomst met Lukoil Personnel inmiddels onherroepelijk zijn beëindigd. Daarmee ontbreekt elke grond voor toewijzing van de door [eiser] ingestelde vordering om hem, op straffe van een dwangsom, weer toe te laten tot de werkzaamheden. Ook deze vorderingen zullen worden afgewezen.


4.5.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld, tot deze uitspraak aan de zijde van Lukoil begroot op € 608,00 aan vast recht en € 904,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten x tarief € 452,00).


4.6.

Voor een zelfstandige veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten (conform het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak) een executoriale titel oplevert.


5De beslissing


De rechtbank,


5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;


5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Lukoil vastgesteld op € 608,00 aan vast recht en € 904,00 aan salaris voor de advocaat, indien niet binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis daaraan wordt voldaan te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis;


5.3.

verklaart het vonnis voor wat betreft het bepaalde onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,


5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2015.[1729/2708]