Rechtbank Rotterdam, 16-09-2015 / C/10/459651 / HA ZA 14-954


ECLI:NL:RBROT:2015:6762

Inhoudsindicatie
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Man heeft stuk cultuurgrond onder uitsluitingsclausule geërfd. Stelling vrouw dat de grond onderdeel is gaan uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap omdat de man dit stuk grond heeft ingebracht in de maatschap van partijen wordt gepasseerd. Man heeft nominaal vergoedingsrecht op de huwelijksgoederengemeenschap ter zake van het bedrag dat hij uit dezelfde erfenis heeft ontvangen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-16
Publicatiedatum
2015-09-22
Zaaknummer
C/10/459651 / HA ZA 14-954
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie 1


zaaknummer / rolnummer: C/10/459651 / HA ZA 14-954


Vonnis van 16 september 2015


in de zaak van


[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.C. Meure te Renswoude,


tegen


[gedaagde],

wonende te [woonplaats] , gemeente Westvoorne,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaten mr. A.M. Schotte te Driebergen.



Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 28 januari 2015 en de daaraan ten grondslag liggende stukken
  • - de conclusie van antwoord in reconventie, met producties
  • - de brief van de zijde van de vrouw van 4 maart 2015, met producties

- het proces-verbaal van de comparitie van 19 maart 2015 met daaraan gehecht de akte van de man houdende reactie op het proces verbaal van 19 maart 2015 en

de brief van de zijde van de vrouw van 7 april 2015, met bijlagen.


1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

De man heeft op 29 december 1994 een boerderij met varkenshouderij op zijn naam geleverd gekregen.


2.2.

Partijen zijn op 1 januari 1997 een overeenkomst van maatschap aangegaan met als doel het uitoefenen van een varkenshouderij annex paardenpensionbedrijf.


2.3.

Partijen zijn op 18 juli 1997 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.


2.4.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [kind1] , geboren op [geboortedatum] en

- [kind2] , geboren op [geboortedatum] .


2.5.

In 2001 heeft de man, tezamen met overige erfgenamen, erfrechtelijk verkregen in het kader van het overlijden van wijlen de heer [erflater] , de vader van de man:

- een perceel cultuurgrond, gelegen nabij [adres] , kadastraal bekend gemeente Woudenberg, sectie [nummer] nummer [nummer] , groot een (1) hectare drieënzestig (630) are dertig (30) centiare (hierna: de cultuurgrond).


2.6.

Artikel IV van het op 28 december 1994 opgemaakte testament van de vader van de man luidt als volgt:

Voorts bepaal ik dat hetgeen uit mijn nalatenschap wordt verkregen, waaronder zijn begrepen de opbrengst/vruchten daarvan, niet zal vallen in enige huwelijksgoederengemeenschap waarin de verkrijger gerechtigd mocht zijn of worden, en niet in aanmerking mag worden genomen bij de toepassing van enig afrekenbeding, behoudens voor wat betreft een afrekening ten aanzien van onverteerde inkomsten.


2.7.

De cultuurgrond werd op 28 mei 2001 aan de man geleverd door de overige erfgenamen middels verrekening van erfdelen en schulden. Daarnaast heeft de man op dat moment een bedrag van € 14.123,99 ontvangen.


2.8.

Op 31 oktober 2013 heeft de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. Bij beschikking van 18 december 2013 heeft deze rechtbank:

- tussen partijen de echtscheiding uitgesproken;

- bepaald dat het aangehechte en het door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking;

- partijen bevolen over te gaan tot verdeling van hun gemeenschap ten overstaan van een notaris.


2.9.

Voornoemd beschikking is op 3 januari 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.


2.10.

Op enig moment is de man een klusbedrijf begonnen, die in de maatschap viel en die de man heeft voortgezet.


2.11.

Met de ontbinding van het huwelijk is de overeenkomst van maatschap tussen partijen geëindigd.


2.12.

Begin 2014, op of omstreeks 2 februari 2014, is de echtelijke woning aan de [adres] , inclusief de cultuurgrond, verkocht voor een totaal bedrag van € 650.000,00. Dit bedrag is aangewend voor de aflossing van de hypothecaire geldlening en andere huwelijkse schulden. Het restant van de opbrengst, een bedrag van circa € 260.000,00, bevindt zich in depot bij de notaris.


3Het geschil

in conventie 3.1.

De man vordert samengevat - :

de vrouw te veroordelen tot het verlenen van haar medewerking aan een overboeking uit het partijen bekende depot onder de notaris van een bedrag van primair € 175.750,-- dan wel subsidiair van € 73.337,-- op een door de man aan te geven bankrekening, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

de en/of rekening met nummer [rekeningnummer] toe te delen aan de vrouw en voor wat betreft de waardering uit te gaan van peildatum 21 februari 2014 op welke datum het saldo € 1.820,60 bedroeg waarbij de man primair aanspraak maakt op laatstbedoeld bedrag en subsidiair op € 910,30;

de bij de AMRO aangehouden bankrekening met nummer [rekeningnummer] ten name van de vrouw aan de vrouw toe te delen onder verrekening van de waarde per peildatum 21 februari 2014;

de vrouw te gebieden aan de hand van deugdelijke verificatoire bescheiden kenbaar te maken wat de ontvangen opbrengst van de paarden en de overige in de dagvaarding genoemde roerende zaken was, en de helft van de opbrengst aan de man te voldoen;

de vrouw te gebieden de trouwring van de man aan de man te verstrekken;

aan de vrouw toe te delen de vordering op “de heer [betrokkene] ” onder verrekening van de waarde met de man;

de bij de Rabobank aangehouden bankrekening met nummer [rekeningnummer] ten name van de man aan de man toe te delen met verrekening van de waarde per peildatum 31 oktober 2013;

de bij de ABN AMRO aangehouden bankrekening met nummer [rekeningnummer] aan de vrouw toe te delen onder verrekening van de waarde per peildatum 31 oktober 2013;

te verklaren voor recht dat de vrouw de verplichtingen zoals opgenomen in het ouderschapsplan dient na te komen, door de man bij de aangelegenheden die de kinderen betreffen te betrekken;

de vrouw te veroordelen tot betaling van € 14.123,99 aan de man;

de vrouw te veroordelen tot betaling van de proceskosten;

de vrouw te veroordelen tot betaling van € 1.693,19;

hetgeen pro resto overblijft aan saldo van het partijen bekende depot onder de notaris bij helfte te verdelen.


3.2.

De vrouw voert verweer.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


in reconventie

3.4.

De vrouw vordert samengevat - :

de verdeling vast te stellen als volgt dat de nog te verdelen restant boedel van de ontbonden gemeenschappen wordt beschreven op grond van een waarde en prijsbepaling per 31 december 2013 als tenslotte na gedeeltelijke verdeling bevattend uitsluitend nog het depot onder de notaris en dat ieder van partijen daarin voor de helft gerechtigd is;

de man te veroordelen om medewerking te verlenen aan de toedeling en uitbetaling van het gemeenschappelijke depot onder de notaris door de notaris aan ieder van partijen voor de helft;

wanneer de vereiste medewerking van de man uitblijft de vrouw te machtigen alles te doen wat noodzakelijk is voor de uitvoering van de aldus vastgestelde verdeling;

en tevens - subsidiair - wanner de man niet aan bovengemelde veroordeling kan of wil voldoen

de man te veroordelen aan haar bij wijze van voorschot op de verdeling te betalen een bedrag van € 100.000,--;

te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste toestemming en/of wilsverklaring van de man voor de uitkering van het aan partijen toekomende deel van het depot;

dan wel maatregelen te gelasten zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren teneinde te komen tot vaststelling van de verdeling en ten uitvoerlegging van dit vonnis,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.


3.5.

De man voert verweer.


3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

vooraf 4.1.

De man stelt vooraf dat niet voor antwoord is geconcludeerd en geen vordering in reconventie is ingesteld aangezien de conclusie van antwoord tevens van eis in reconventie niet is voorzien van een handtekening van de advocaat van de vrouw. De rechtbank beschikt over een getekend exemplaar van genoemd processtuk, zodat voorbij zal worden gegaan aan deze stelling van de man.


in conventie

4.2.

In geschil is met name de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, welke vanaf 31 oktober 2013 van rechtswege is ontbonden. Beide partijen stellen een andere peildatum voor. De rechtbank zal voor wat betreft de omvang van de gemeenschap uitgaan van de peildatum die volgt uit de wet, zijnde voormelde datum van 31 oktober 2013.


Partijen zijn het er over eens dat per die datum de navolgende bestanddelen deel uitmaakten van de gemeenschap:

- de (inmiddels verkochte) echtelijke woning met een daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening;

- een inboedel;

- een viertal bankrekeningen;

- een vordering op de heer [betrokkene] .



Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft de man - na het verweer van de vrouw dat zij de trouwringen (al voor genoemde peildatum) heeft vernietigd - de vordering ten aanzien van de trouwringen ingetrokken. Deze vordering behoeft dan ook geen verdere bespreking en beoordeling.


Ter comparitie is voorts besproken dat ook de tijdelijke risicoverzekering bij Delta Lloyd met polisnummer 2600101 tot de ontbonden gemeenschap behoort. Afgesproken is dat deze zonder nadere verrekening aan de man wordt toebedeeld. Per abuis is dit niet in het proces-verbaal van de zitting vermeld.


4.3.

De rechtbank zal de overige bestanddelen achtereenvolgens bespreken.


de (inmiddels verkochte) echtelijke woning met een daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening

4.4.

Zoals onder de vaststaande feiten is vermeld, is de echtelijke woning al verkocht en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening afgelost. In geschil is de verdeling van het restant van de opbrengst dat zich in depot bevindt onder de notaris. In beginsel dient dit depot bij helfte tussen partijen te worden gedeeld.


De man stelt dat, alvorens over te gaan tot verdeling van het depot bij helfte, aan hem dient te worden uitgekeerd een bedrag van € 175.750,--. Dit is de getaxeerde marktwaarde van de cultuurgrond per 2 februari 2014, de datum waarop de grond is geleverd aan een derde. De man stelt recht te hebben op dit bedrag aangezien hij de cultuurgrond onder uitsluitingsclausule heeft geërfd en de grond derhalve geen deel uitmaakt van de gemeenschap.


De vrouw voert als verweer aan dat zij recht heeft op de helft van de gelden in depot. Zij betwist niet dat de man de cultuurgrond onder uitsluitingsclausule heeft geërfd, maar voert aan dat de man de cultuurgrond heeft ingebracht in de maatschap (dan wel de gemeenschap). Voor die inbreng is de man reeds gecompenseerd doordat hij een hoger winstpercentage uit de maatschap kreeg toebedeeld. Voorts voert de vrouw aan dat de man naar maatschaven van redelijkheid en billijkheid geen recht meer kan doen gelden op de waarde van de cultuurgrond.


De rechtbank stelt voorop dat de cultuurgrond in beginsel buiten de gemeenschap valt. Artikel 1:94 lid 2 sub a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt immers dat buiten de gemeenschap vallen goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen. Dit kan niet veranderen door enkel tijdsverloop, zodat het verweer faalt dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen recht meer kan doen gelden op de waarde van de cultuurgrond, aangezien zoveel jaren zijn verstreken. De reden waarom de man nu pas recht doet gelden op de waarde van de cultuurgrond, komt immers doordat de grond eerst onderdeel van geschil is geworden op het moment dat de gemeenschap is ontbonden.


De rechtbank is van oordeel dat uit de stelling van de vrouw dat de man de grond heeft ingebracht in de maatschap niet volgt dat de cultuurgrond tot de gemeenschap van goederen is gaan behoren. Voor overdracht van een onroerende zaak is immers een notariële leveringsakte vereist en gesteld noch gebleken is dat die is opgemaakt. De man stelt dat hij enkel het genot van de cultuurgrond heeft willen inbrengen in de maatschap opdat het gebruik van de grond kon worden gecontinueerd, zoals dat voor het overlijden van de vader van de man ook al het geval was. De vrouw heeft deze stelling onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voor zover de vrouw heeft bedoeld te stellen dat het de bedoeling van partijen is geweest om de eigendom van de cultuurgrond economisch over te dragen, heeft zij deze stelling onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat op een gegeven moment een andere winstverdeling tot stand is gekomen, is onvoldoende om aan te nemen dat niet alleen beoogd is het genot in te brengen doch tevens tot een overdracht van de economische eigendom te komen. Hieruit kan immers niet worden afgeleid dat het expliciet de bedoeling van partijen is geweest dat de cultuurgrond voor rekening en risico van de gemeenschap/maatschap zou zijn in plaats van voor rekening en risico van de man.


Uit het voorgaande volgt dat in rechte niet is komen vast te staan dat de cultuurgrond eigendom is geworden van de maatschap dan wel partijen gezamenlijk. De man - als eigenaar - heeft dan ook recht op vergoeding van de waarde van de cultuurgrond. Hierop strekt geen hypothecaire geldlening in mindering. De man heeft de cultuurgrond onbezwaard verkregen.


4.5.

De man heeft recht op de waarde van de cultuurgrond per datum van overdracht en levering van die grond op 2 februari 2014. Anders dan de vrouw aanvoert, heeft de man recht op de waardestijging tot die datum aangezien de man enig eigenaar was van de grond.


4.6.

Wel maakt de rechtbank uit het dossier op dat op de cultuurgrond opstallen zijn geplaatst, door de man aangeduid als agrarisch bouwblok. Artikel 5:20 BW bepaalt wat de eigendom van de grond omvat. Daaronder vallen de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak. De man is dan ook door natrekking eigenaar geworden van de op de cultuurgrond geplaatste bebouwing. In die zin heeft de man dan ook recht op de waarde van de cultuurgrond inclusief bebouwing. Volgens de vrouw is deze bebouwing echter gefinancierd middels een hypothecaire geldlening, welke geldlening met de opbrengst van de echtelijke woning is afgelost. Indien deze stelling juist is, zou dit tot verrekening aanleiding kunnen geven. Partijen hebben zich hieromtrent nog niet uitgelaten, zodat de rechtbank hen daartoe alsnog in de gelegenheid zal stellen en zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen. Nu het gaat om een eventuele verrekeningsvordering van de vrouw, zal zij als eerste in de gelegenheid gesteld worden een conclusie te nemen.


4.7.

Los van de vraag of er verrekend dient te worden, heeft de man als enig eigenaar in ieder geval recht op de waarde van de cultuurgrond per 2 februari 2014 inclusief bebouwing. Nu de vrouw de door de man gestelde waarde van de cultuurgrond betwist, en deze waarde voortkomt uit een eenzijdig taxatierapport, acht de rechtbank het nodig een nieuwe taxatie te laten verrichten.


Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich in voornoemde conclusie uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan deze te stellen vragen. Partijen wordt verzocht hiertoe een gezamenlijk voorstel te doen. Indien dit niet lukt, dienen ze ieder minimaal één deskundige voor te stellen.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van taxatie van grond en agrarische bebouwing en dat de navolgende vraag dient te worden voorgelegd:

- wat is de waarde van de cultuurgrond (zoals omschreven onder 2.5. van de vaststaande feiten) per 2 februari 2014 en wat is de waarde van de op bedoelde grond staande bebouwing per die datum.


De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om het voorschot op de kosten van de deskundige gelijkelijk over partijen te verdelen. Partijen zullen daarom te zijner tijd ieder de helft van dit voorschot moeten betalen.


de inboedel

4.8.

Tussen partijen staat vast dat de inboedel die de vrouw onder zich heeft zonder nadere verrekening aan haar kan worden toegedeeld.


De man stelt een vordering in ter zake een aantal gemeenschappelijke zaken, waaronder drie paarden, die door de vrouw zouden zijn verkocht (zoals nader omschreven onder punt 8.1. sub d van de dagvaarding). Hij maakt aanspraak op de helft van de opbrengst, waarvan hij eerst opgave wenst. Nu de man aanspraak maakt op de helft, gaat de rechtbank ervan uit dat de man zich op het standpunt stelt dat deze zaken na peildatum zijn verkocht.


De vrouw voert niet als verweer aan dat de opbrengst van de gemeenschappelijke zaken in de gemeenschap is gevallen, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat ook de vrouw van mening is dat zij de zaken na de peildatum heeft verkocht. De vrouw voert wel aan dat de zaken meegenomen moeten worden in de afwikkeling van de maatschap. Zij geeft echter niet aan op welke wijze dit dan zou moeten gebeuren. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling van de vrouw voorbij.


Bij gelegenheid van de conclusie van antwoord doet de vrouw opgave van de zaken die zij heeft verkocht en wat daarvan de opbrengst was. De man heeft de juistheid van deze opgave niet betwist. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de vrouw naar het oordeel van de man hiermee afdoende opgave heeft gedaan van de opbrengst. In totaal bedraagt de opbrengst een bedrag van € 3.500,00. De vrouw voert aan dat zij een deel van de opbrengst heeft aangewend om gemeenschappelijke schulden te voldoen. Zij laat echter na dit verweer nader te specificeren en te onderbouwen, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Nu vaststaat dat gemeenschappelijke zaken door de vrouw zijn verkocht voor een bedrag van € 3.500,00, zal zij een bedrag van € 1.750,00 aan de man dienen te voldoen.


een viertal bankrekeningen

4.9.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen zijn partijen overeengekomen dat:

- de rekening bij de ABN AMRO met nummer [rekeningnummer] aan de vrouw zal worden toebedeeld onder verrekening van het saldo per 31 oktober 2013 met de man;

- de rekening bij de ABN AMRO met nummer [rekeningnummer] aan de vrouw zal worden toebedeeld onder verrekening van het saldo per 31 oktober 2013 met de man;

- de rekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer] aan de man zal worden toebedeeld onder verrekening van het saldo per 31 oktober 2013 met de vrouw.

De rechtbank verzoekt partijen bij de eerdergenoemde conclusie bescheiden over te leggen, waaruit de respectieve saldi op de peildatum blijken.


4.10.

In geschil is de rekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer] ten name van de Pensioenstal De Boerenhofstede. De man wenst deze rekening aan de vrouw toe te delen en daarbij als peildatum te hanteren 21 februari 2014. De man stelt primair dat het saldo op 21 februari 2014 (€ 1.820,60) aan hem toekomt aangezien de vrouw haar aandeel in deze rekening op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd. De vrouw heeft volgens de man van deze rekening gelden overgemaakt naar haar eigen rekening. Subsidiair maakt de man aanspraak op de helft. De vrouw voert aan dat de rekening inmiddels is opgeheven en dat uitgegaan dient te worden van 31 oktober 2013 als peildatum. Er was op dat moment een negatief saldo, aldus de vrouw.


De rechtbank overweegt als volgt. Een bankrekening is niets anders dan een vordering op dan wel een schuld aan de bank. Dit betekent dat er in de gemeenschap valt een vordering/schuld ter grootte van het saldo van de bankrekening op de peildatum. Nu de man niet heeft betwist dat de rekening inmiddels is opgeheven, staat vast dat er thans geen vordering/schuld meer is. Dit betekent dat ter zake geen verdeling meer kan plaatsvinden.


De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep van de man op verrekening als volgt. De man baseert zijn beroep op artikel 3:194 lid 2 BW. Ingevolge artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt de vrouw haar aandeel in de onderhavige bankrekening indien zij opzettelijk tot die bankrekening behorende gelden verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. Volgens de man heeft de vrouw twee bedragen van die rekening aan zichzelf toegekend: een bedrag van € 292,-- met betaalomschrijving “ [omschrijving] ” op 28 februari 2014 en een bedrag van € 713,02, zijnde een teruggave van NUON. De rechtbank constateert dat beide overschrijvingen van na de peildatum dateren, zodat het beroep van de man op 3:196 lid 2 BW niet slaagt en hij geen verrekeningsvordering heeft op de vrouw. Overigens merkt de rechtbank op dat de vrouw een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor beide overschrijvingen.


een vordering op de heer [betrokkene]

4.11.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen zijn partijen overeengekomen dat de vordering op de heer [betrokkene] aan de man zal worden toebedeeld zonder nadere verrekening. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.


vergoedingsvordering

4.12.

De man vordert een bedrag van € 14.123,99 (door hem genoemd vergoedingsvordering A) van de vrouw. Hij legt hieraan ten grondslag dat hij genoemd bedrag heeft ontvangen uit de erfenis van zijn vader onder uitsluitingsclausule waarna dit bedrag is gestort op een tot de gemeenschap behorende bankrekening. Het bedrag is ten goede gekomen aan de gemeenschap van goederen, ten gevolge waarvan hij een reprise heeft op de gemeenschap.


De vrouw betwist bij gebrek aan wetenschap dat genoemd bedrag op een gemeenschappelijke rekening is gestort. Volgens de vrouw heeft de man het geld geïnvesteerd in de maatschap of verbruikt en uitgegeven in aanvulling op het gezinsinkomen. De man heeft daar zelf voor gekozen zodat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen aanspraak kan maken op dit bedrag. Verder voert de vrouw aan dat het geld van de erfenis zich heeft vermengd met het gemeenschappelijke vermogen.


Als onweersproken staat tussen partijen vast dat de man het bedrag van € 14.123,99 onder uitsluitingsclausule heeft verkregen. Gesteld noch gebleken is dat het onder uitsluitingsclausule verkregen bedrag in privé vermogen van de man is gevloeid dan wel op naam van de man afgezonderd is, zodat er in rechte van uit zal worden gegaan dat voornoemd bedrag op een gemeenschappelijk rekening is gestort. De rechtbank stelt voorts vast dat dit bedrag is besteed aan de gemeenschap. De vrouw stelt immers zelf ook dat het geld is gebruikt als aanvulling op het gezinsinkomen. De man heeft dan ook een vergoedingsrecht op de gemeenschap. Hierbij geldt dat in de wet niet de voorwaarde wordt gesteld dat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat een vergoedingsrecht (reprise) ontstaat ten tijde van de besteding van het geld. Er is in beginsel sprake van een vergoedingsrecht ongeacht de aard van de bestedingen, ongeacht of partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat een vergoedingsrecht ontstaat en ongeacht wat er nog over is van de ontvangen gelden. (Gerechtshof Arnhem 17 januari 2013 LJN BZ1977, Gerechtshof ’s-Gravenhage 7 april 2010 LJN BM4387, Gerechtshof Arnhem 15 januari 2008 LJN BC5700, Gerechtshof ‘s-Gravenhage 5 maart 2008 RFR 2008,80). Het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid gaat dan ook niet op.


De rechtbank is van oordeel dat de man een nominaal vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft van een bedrag van € 14.123,99 op basis van artikel 1:94 BW en/of 1:95 lid 2 BW. Hierbij wordt opgemerkt dat de man een nominaal vergoedingsrecht heeft op basis van het overgangsrecht, aangezien de erving heeft plaatsgevonden voor de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen die in werking is getreden op 1 januari 2012.


4.13.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft de man zijn vergoedingsvordering B (het bedrag van € 1.693,19, vordering onder 12) ingetrokken, zodat deze vordering geen bespreking en beoordeling behoeft.


ouderschapsplan

4.14.

De man vordert te verklaren voor recht dat de vrouw de verplichtingen zoals opgenomen in het ouderschapsplan dient na te komen, door de man bij de aangelegenheden die de kinderen betreffen te betrekken. Hij legt hieraan ten grondslag dat hij in het geheel geen contact meer heeft met de kinderen en dat hij nergens bij wordt betrokken, niet eens bij een verhuizing. De vrouw voert als verweer aan dat zij de verplichtingen uit het ouderschapsplan zal nakomen. De kinderen willen de man echter niet zien en zij weten niet waar de man nu woont.


De rechtbank is van oordeel dat, daargelaten dat in rechte niet is komen vast te staan dat de vrouw haar verplichtingen niet nakomt, de vordering dient te worden afgewezen. De verplichting om zich te houden aan het ouderschapsplan volgt immers reeds uit de wet, zodat de man geen belang heeft bij zijn gevorderde verklaring voor recht.


4.15.

Hierboven heeft de rechtbank een oordeel gegeven over de vorderingen van de man in conventie zoals onder 3.1. weergegeven onder 2 tot en met 10 en 12. De beslissingen worden aangehouden tot het wijzen van het eindvonnis. Ook de vordering met betrekking tot de proceskosten (11) zal eerst worden beoordeeld bij het wijzen van het eindvonnis. De vorderingen onder 1 en 13 zien op de verdeling van het depot en kunnen eerst verder beoordeeld worden na ontvangst van het deskundigenbericht.



in reconventie

4.16.

In reconventie vordert de vrouw, naast een aantal vorderingen die zien op de uitvoering daarvan, de verdeling vast te stellen als volgt dat de nog te verdelen restant boedel van de ontbonden gemeenschappen wordt beschreven op grond van een waarde en prijsbepaling per 31 december 2013 als tenslotte na gedeeltelijke verdeling bevattend uitsluitend nog het depot onder de notaris en dat ieder van partijen daarin voor de helft gerechtigd is.


4.17.

Ten aanzien van de huwelijksgoederengemeenschap, de peildatum en de verdeling van het depot heeft de rechtbank reeds geoordeeld bij de beoordeling in conventie. Gesteld noch gebleken is dat nog andere bestanddelen dan de reeds beoordeelde bestanddelen behoren tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. De beslissing over de vorderingen in reconventie die zien op de ontbonden gemeenschap worden aangehouden tot het wijzen van het eindvonnis.


4.18.

Tussen partijen staat vast de maatschap is ontbonden door de ontbinding van het huwelijk. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat de man het bedrijf van de maatschap, te weten het klusbedrijf, heeft voortgezet. In artikel 12 lid 2 van de akte van maatschap is geregeld hoe partijen in dit kader met elkaar dienen af te rekenen. Uit de stellingen van de vrouw leidt de rechtbank af dat zij van oordeel is dat zij in dat kader een vordering op de man heeft. Het had echter op de weg van de vrouw gelegen om deze vordering te concretiseren en deze nader te onderbouwen. Dit heeft zij niet gedaan, waardoor de rechtbank aan haar stellingen op dit punt voorbij gaat. Haar vorderingen in reconventie die zien op de maatschap liggen daarmee voor afwijzing gereed. De beslissing zal worden aangehouden tot het wijzen van het eindvonnis.



5De beslissing

De rechtbank


in conventie en in reconventie

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 oktober 2015 voor het nemen van een conclusie door de vrouw over hetgeen is vermeld onder 4.6, 4.7 en 4.9, waarna de man op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,


5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2015.

1 1510/204