Rechtbank Rotterdam, 30-09-2015 / 10/680271-15


ECLI:NL:RBROT:2015:6948

Inhoudsindicatie
Het lozen van afval, afkomstig van een productieproces van amfetamine, aangemerkt als bevorderingshandeling. Voorwaardelijk opzet. Vervoer en bevordering productieproces amfetamine. Gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-30
Publicatiedatum
2015-10-16
Zaaknummer
10/680271-15
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team straf 3


Parketnummer: 10/680271-15

Datum uitspraak: 30 september 2015

Tegenspraak



Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

PI Rotterdam, locatie Krimpen aan den IJssel, te Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg.

1Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 september 2015.

2Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L. Amperse heeft gevorderd:

  • - bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
  • - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een behandelverplichting, een drugs- en alcoholverbod en medewerking verlenen aan schuldhulpverlening indien de reclassering dit geïndiceerd acht.

4Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1.

hij op of omstreeks 16 april 2015 te Gorinchem en/of te Arkel, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende

amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;


2.

hij op of omstreeks 16 april 2015 te Gorinchem en/of te Arkel, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een

feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken en verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken,vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen

en/of stoffen voorhanden heeft gehad, te weten (onder meer):

- een hoeveelheid APAAN, althans afval(stoffen) bevattende een hoeveelheid APAAN en/of amfetamine, en/of

- een hoeveelheid mierenzuur en/of

- twaalf, althans een of meerdere, jerrycan(s) en/of

- een klemdekselvat en/of

- een maatbeker


waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen

had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van

dat/die feit(en).


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.


4.2

Nadere bewijsoverwegingen


4.2.1

Bevorderingshandelingen

De rechtbank acht ten aanzien van feit 2 bewezen dat de verdachte voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, om het bereiden, bewerken en verwerken (hierna: het productieproces) van amfetamine te bevorderen.


Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is genoegzaam vast komen te staan dat deze voorwerpen en stoffen aangemerkt moeten worden als afval, afkomstig van een productieproces van amfetamine. De verdachte had dit afval voorhanden om het ergens te lozen.


Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het lozen van dergelijk afval een wezenlijke bijdrage levert aan het gehele productieproces van amfetamine en dat er dan ook sprake is van het bevorderen van dat productieproces.

Met het lozen van afval wordt immers tevens beoogd te voorkomen dat de locatie waar het productieproces plaatsvindt niet aan het licht komt.


4.2.2

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het vervoeren van amfetamine en het verrichten van bevorderingshandelingen voor het productieproces van amfetamine – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.


De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.


Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt:


- de verdachte had de bestelbus een paar dagen vóór 16 april 2015 geleend;

- de verdachte wilde met de bestelbus zand vervoeren voor een man wiens naam hij niet wil noemen en voor wie hij eerder zand heeft vervoerd;

- deze man vroeg aan de verdachte of hij opnieuw zand voor hem wilde vervoeren;

- de verdachte zou hiervoor een bedrag van € 250,00 ontvangen;

- de man kwam de bestelbus in de avonduren bij de verdachte ophalen, terwijl de verdachte gewoonlijk zelf het zand ging ophalen bij een bouwplaats;

- al na een half uur kwam de man met de bestelbus terug en zei hij dat de bus vol was;

- de verdachte keek in de bestelbus en zag diverse voorwerpen en vuilniszakken;

- de verdachte opende de deur van de bestelbus en rook een chemische geur;

- de verdachte heeft later verklaard dat hij zag ‘dat het geen zuivere koffie was’;

- de verdachte zei tegen de man ‘dat het zo niet kon’;

- de man antwoordde ‘bel me maar als het klaar is’, gaf een telefoon aan de verdachte en liep weg;

- de verdachte heeft niet aan de man gevraagd of nader onderzocht welke voorwerpen en stoffen in de bestelbus lagen;

- de verdachte heeft verklaard dat het de bedoeling was dat de inhoud van de bestelbus gedumpt zou worden.


De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij amfetamine vervoerde en bevorderingshandelingen verrichtte voor het productieproces van amfetamine. Het tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

5Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:


1.

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD


2.

OM EEN FEIT, BEDOELD IN HET VIERDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, TE BEVORDEREN: VOORWERPEN EN STOFFEN VOORHANDEN HEBBEN, WAARVAN HIJ ERNSTIGE REDEN HEEFT OM TE VERMOEDEN DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


De feiten zijn dus strafbaar.

6Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is dus strafbaar.

7Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft het productieproces van amfetamine bevorderd door afval daarvan voorhanden te hebben, met de bedoeling dit afval ergens te lozen. Hierdoor heeft de verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan het productieproces van amfetamine. Bovendien heeft hij een hoeveelheid amfetamine vervoerd.


Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs als amfetamine schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van dit middel. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

20 augustus 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Deze omstandigheid zal echter niet van invloed zijn op de strafoplegging, omdat deze veroordeling niet onherroepelijk is, nu hiertegen hoger beroep is ingesteld.

7.2.2.

Rapportage

Het Leger des Heils, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 29 juni 2015. Dit rapport houdt het volgende in. Er zijn aanwijzingen voor een gebrek aan copingsvaardigheden en aanwezigheid van verslavingsgevoeligheid. De verdachte staat open voor hulpverlening en is bereid mee te werken aan reclasseringstoezicht.

Geadviseerd wordt een meldplicht, een behandelverplichting en een drugs- en alcoholverbod. Daarnaast dient de verdachte te worden aangemeld bij de schuldhulpverlening indien de reclassering dat noodzakelijk vindt.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.


Straf


Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.


Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht en de rechtbank zich daar in kan vinden, zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk worden opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.


Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

8Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

9Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10Beslissing

De rechtbank:


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;


verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;


bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaren, na te melden voorwaarden overtreedt;


stelt als algemene voorwaarden:

  • - de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
  • - de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
  • - de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij het Leger des Heils, afdeling reclassering, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich onthouden van het gebruik van verdovende middelen en alcohol, onder de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

3. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van een forensische polikliniek voor zijn verslavingsproblematiek, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaar verantwoord vindt;

4. de veroordeelde zal meewerken aan schuldhulpverlening, indien de reclassering dit noodzakelijk vindt;


geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.




Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A.M.J. Janssen, voorzitter,

en mrs. S.N. Abdoelkadir en F.J. Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.


De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.



Bijlage I


Tekst gewijzigde tenlastelegging


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

hij op of omstreeks 16 april 2015 te Gorinchem en /of te Arkel, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende

amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;


2.

hij op of omstreeks 16 april 2015 te Gorinchem en /of te Arkel, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een

feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen

en/of stoffen voorhanden heeft gehad, te weten (onder meer):


- een hoeveelheid APAAN, althans afval(stoffen) bevattende een hoeveelheid APAAN en/of amfetamine, en/of

- een hoeveelheid mierenzuur en/of

- twaalf, althans een of meerdere, jerrycan(s) en/of

- een klemdekselvat en/of

- een maatbeker


waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen

had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van

dat/die feit(en);