Rechtbank Rotterdam, 15-10-2015 / ROT 14/1844


ECLI:NL:RBROT:2015:7292

Inhoudsindicatie
AWBZ - aanvraag om een indicatie voor de functies Persoonlijke verzorging, Verpleging en Begeleiding - toepassing artikel 6:22 Awb - beroep ongegrond
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-10-15
Publicatiedatum
2015-10-16
Zaaknummer
ROT 14/1844
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 14/1844


uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2015 in de zaak tussen
[naam] , te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. M. Schmit,


en


CIZ, verweerder,

gemachtigde: mr. L.M.R. Kater.



Procesverloop


Bij besluit van 27 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 16 augustus 2013 (het primaire besluit) ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van eisers dochter [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers aanvraag om een indicatie voor zorg vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) afgewezen voor de functies Persoonlijke verzorging, Verpleging en Begeleiding. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en daaraan, onder verwijzing naar een rapportage van zijn medisch adviseur van 9 januari 2014, ten grondslag gelegd dat in eisers situatie een andere wettelijke voorziening voorliggend is, namelijk onderzoek en advisering door een ergotherapeut en inzet van de door deze eventueel geadviseerde hulpmiddelen of aanpassingen. Zolang deze weg niet is bewandeld, komt eiser niet in aanmerking voor een indicatie voor Persoonlijke verzorging, aldus verweerder.


2. De rechtbank gaat voorbij aan hetgeen eiser in beroep in verband met de totstandkoming van het primaire besluit heeft aangevoerd, nu in beroep niet het primaire besluit, maar het bestreden besluit ter beoordeling voorligt.


3. In beroep heeft eiser tegen het bestreden besluit allereerst aangevoerd dat daarin ten onrechte niet op de aanvraag ten aanzien van de functies Verpleging en Begeleiding is ingegaan. Naar verweerder ter zitting heeft erkend, treft dit betoog doel. De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, aangezien eiser daardoor niet wordt benadeeld. Zij neemt daarbij in aanmerking dat eisers dochter blijkens het verslag van de hoorzitting van 29 november 2013 heeft verklaard dat eiser in bezwaar wilde bereiken dat er een indicatie voor de functie Persoonlijke verzorging zou worden afgegeven en dat verweerder in zijn verweerschrift alsnog op de beide andere functies is ingegaan. Wel ziet de rechtbank in genoemd gebrek aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en de door hem in beroep gemaakte proceskosten, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand begroot op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1). Omdat een toevoeging is verleend, dienen de kosten te worden voldaan aan de rechtsbijstandverlener.


4.1.

Op grond van artikel 2, eerste en derde lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, zoals dat luidde ten tijde van belang, heeft de verzekerde aanspraak op zorg voor zover het geen zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en voor zover de verzekerde er gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs op is aangewezen.


4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op het genoemde advies van zijn medisch adviseur, ten aanzien van de functie Persoonlijke verzorging terecht op het standpunt gesteld dat onderzoek en advisering vanuit de Zvw door een ergotherapeut en inzet van de door deze eventueel geadviseerde hulpmiddelen en aanpassingen voorliggend is aan zorg vanuit de AWBZ. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van genoemd advies te twijfelen, nu eiser zijn stelling dat hij vanwege zijn beperkingen geen of onvoldoende baat zal hebben bij inzet van een ergotherapeut niet met een verklaring van een ergotherapeut of met medisch objectieve gegevens heeft onderbouwd en de juistheid van deze stelling ook niet volgt uit de beëindiging van zijn fysiotherapie of het enkele feit – een toelichtende verklaring van een fysiotherapeut ontbreekt – dat de fysiotherapeut hem niet heeft doorverwezen. De verklaringen van eiser en zijn gezinsleden leggen tegenover het medische oordeel van verweerders terzake deskundig te achten medisch adviseur, een arts, onvoldoende gewicht in de schaal. De door eiser nog naar voren gebrachte mogelijke kosten van hulpmiddelen kunnen niet tot een ander oordeel leiden, aangezien zonder inzet van een ergotherapeut nog in het geheel niet duidelijk is welke hulpmiddelen of aanpassingen aan de orde zijn en welke financiële bijdrage eiser daarvoor eventueel verschuldigd is.


5. Ten aanzien van de functie Verpleging heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is geworden welke verpleegtechnische handelingen bij eiser verricht moeten worden. Nu eiser niet heeft toegelicht welke verpleegtechnische handelingen het zou betreffen, heeft de rechtbank geen reden dit standpunt van verweerder onjuist te oordelen.


6. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, zoals dat luidde ten tijde van belang, omvat de functie Begeleiding activiteiten aan verzekerden die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van de sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen, het psychisch functioneren, of het geheugen en de oriëntatie, of die matig of zwaar probleemgedrag vertonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op het aanvullende medisch advies van zijn medisch adviseur van 13 juni 2014, op het standpunt mogen stellen dat slechts ten aanzien van het bewegen en verplaatsen sprake is van (lichte tot soms) matige beperkingen, die echter na inzet van een ergotherapeut door middel van hulpmiddelen en aanpassingen – waaronder wellicht een op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning te bekostigen traplift – kunnen worden verminderd. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van genoemd advies te twijfelen, nu eiser zijn standpunt dat zijn beperkingen aldus worden onderschat en dat genoemde hulpmiddelen en aanpassingen onvoldoende zullen zijn, niet met medisch objectieve gegevens heeft onderbouwd.


7. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over zijn verzorging door zijn partner en zijn zoon behoeft geen bespreking, nu verweerder niet het standpunt heeft ingenomen dat eiser op die verzorging is aangewezen.


8. Ter zitting heeft eiser nog betoogd dat verweerder meer moeite had moeten doen om informatie van eisers huisarts te ontvangen. Dit betoog faalt, aangezien verweerder blijkens het medisch advies van 9 januari 2014 per fax informatie heeft opgevraagd en nadien daarover heeft gebeld en ook per post om aanvullende informatie heeft gevraagd, die ook is ontvangen. In het medische advies van 13 juni 2014 wordt dit met zoveel woorden bevestigd. Overigens heeft het eiser vrijgestaan ook zelf een verklaring van zijn huisarts te overleggen.


9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.



Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep ongegrond;
  • - bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,- en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de rechtsbijstandverlener worden betaald.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van J. Bijleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2015.





griffier voorzitter


Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.