Rechtbank Rotterdam, 20-10-2015 / 14/6551


ECLI:NL:RBROT:2015:7430

Inhoudsindicatie
Betreft intrekking, terugvordering, brutering en oplegging boete vanwege schending inlichtingenplicht door het niet melden van langdurig verblijf in het buitenland. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar langdurig verblijf in het buitenland aan verweerder heeft gemeld, dan wel dat zij daarvoor toestemming had gekregen. Gelet op de duur van het verblijf in het buitenland bestond geen recht bijstand. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de Wwb. Geen sprake van reformatio in peius. Verweerder was bevoegd en gehouden om tot intrekking en terugvordering over te gaan. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen rekening gehouden met de periode dat eiseres wel in het buitenland mocht verblijven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak overeenkomstig het door verweerder ter zitting gestelde. Verweerder heeft ter zitting niet aangegeven wat de hoogte van de terugvordering na brutering is, zodat verweerder hierover nog een nieuw besluit moet nemen. Nu dit slechts een rekenkundige uitwerking betreft, is een bestuurlijke lus niet nodig. Tav de boete is de rechtbank met verweerder van oordeel dat sprake is van grove schuld. De rechtbank ziet echter in de omstandigheden van het geval aanleiding om de hoogte van de boete vast te stellen op 50% van het netto benadelingsbedrag.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-10-20
Publicatiedatum
2015-10-20
Zaaknummer
14/6551
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/214
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 14/6551


uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. R. Haze,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: M.E. Braak.



Procesverloop


Bij besluit van 15 april 2014 (primair besluit 1) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 20 juni 2013 tot en met 26 november 2013 ingetrokken en de kosten van bijstand in die periode tot een bedrag van € 4.879,05 (netto) teruggevorderd.

Bij besluit van 1 mei 2014 (primair besluit 2) heeft verweerder de terugvordering gebruteerd en vastgesteld op € 7.744,52.

Bij besluit van eveneens 1 mei 2014 (primair besluit 3) heeft verweerder eiseres een boete van € 4.879,00 opgelegd.


Bij besluit van 12 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de rechtbank beantwoord.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden en is de Wet werk en bijstand (Wwb) komen te vervallen. Op grond van het overgangsrecht zoals neergelegd in artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet, wordt in het geval een bezwaar- of beroepschrift vóór of op de datum van de inwerkingtreding van de Participatiewet is ingediend, beslist met toepassing van de Wwb. Dit is in de onderhavige zaak het geval.


2. Artikel 11, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.


Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwb heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.

In het vierde lid is bepaald dat in afwijking van het eerste lid, onderdeel e, voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, een periode van dertien weken geldt.


Artikel 16, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.


Artikel 17, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat de belanghebbende aan het college van burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.


Op grond van artikel 18a van de Wwb legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

In het tweede lid is bepaald dat in dit artikel onder benadelingsbedrag wordt verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

Op grond van het zevende lid kan het college:

a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.


Op grond van artikel 54, derde lid, van de Wwb herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.


In artikel 58, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.


3.1.

Eiseres, geboren op [geboortedatum] , ontving vanaf 1 april 2010 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 3 december 2013 is de bijstand met ingang van 28 november 2013 ingetrokken wegens het niet verschijnen op uitnodigingen en zijn de kosten van bijstand over de periode van 28 november 2013 tot en met 30 november 2013 ten bedrage van € 88,02 teruggevorderd. Bij besluit van 8 april 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Bij uitspraak van

22 december 2014, zaaknummer ROT 14/3161, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiseres hoger beroep ingesteld. Daarop is nog niet beslist.


3.2.

Op 8 februari 2014 heeft eiseres wederom een aanvraag om bijstand gedaan, waarna aan haar met ingang van 18 februari 2014 een bijstandsuitkering is toegekend.


3.3

Ter beoordeling van de nieuwe aanvraag had verweerder aan eiseres verzocht om gegevens te overleggen. Uit deze gegevens is verweerder gebleken dat eiseres in de periode van 20 juni 2013 tot en met 5 december 2013 in Suriname heeft verbleven.


4. Aan de primaire besluiten en het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres gedurende dit verblijf buiten Nederland geen recht had op bijstand.


5. Eiseres betoogt in beroep, kort weergegeven, dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, omdat zij op 6 juni 2013 haar verblijf in het buitenland aan verweerder heeft gemeld, en dat verweerder handelt in strijd met het verbod van reformatio in peius, omdat de besluiten zijn gebaseerd op informatie die eiseres in de eerdere bezwaarprocedure heeft verstrekt. Voorts betoogt eiseres dat, gelet op haar lichamelijke en psychische beperkingen, waaronder vergeetachtigheid, op grond waarvan zij vrijstelling heeft van de arbeidsverplichtingen en gelet op haar leeftijd, sprake is van ontbrekende dan wel verminderde verwijtbaarheid, waarmee verweerder rekening had dienen te houden bij het opleggen van de boete.


De rechtbank oordeelt als volgt.


6.1.

Niet is in geschil dat eiseres in de periode van 20 juni 2013 tot en met 5 december 2013 in Suriname heeft verbleven. De beroepsgrond dat eiseres de inlichtingenplicht niet heeft geschonden omdat zij op 6 juni 2013 haar verblijf in het buitenland aan verweerder heeft gemeld, slaagt niet. Eiseres heeft weliswaar een op 6 juni 2013 gedateerde “Melding vakantie/verblijf in het buitenland” overgelegd, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij deze melding tijdig aan verweerder heeft gezonden. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij voor haar verblijf in Suriname in de periode van 20 juni 2013 tot en met 5 december 2013 toestemming van verweerder heeft verkregen.


6.2.

Gelet op de duur van het verblijf van eiseres in het buitenland bestond geen recht op bijstand over de periode van 18 juli 2013 tot en met 26 november 2013. Voor zover eiseres met vermelding van haar persoonlijke omstandigheden heeft willen betogen dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wwb, slaagt dit niet. Dergelijke redenen doen zich volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3341, voor indien sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is.


6.3.

De beroepsgrond dat verweerders besluitvorming in strijd is met het verbod van reformatio in peius, slaagt niet. Naar uit de gedingstukken, waarvan in het bijzonder de rapportage van 1 april 2014, kan worden afgeleid zijn bij verweerder vragen gerezen over het verblijf van eiseres in het buitenland door de informatie die eiseres heeft overgelegd naar aanleiding van de nieuwe aanvraag om bijstand van 8 februari 2014, zodat niet kan worden staande gehouden dat eiseres door het aanwenden van een rechtsmiddel in een slechtere positie is komen te verkeren. Zo al zou moeten worden aangenomen, zoals eiseres stelt, dat de besluiten zijn gebaseerd op informatie die eiseres in de eerdere bezwaarprocedure, namelijk die tegen het besluit van 3 december 2013, heeft verstrekt, kan haar dat niet baten, nu de aan het verbod ten grondslag liggende functie van rechtsbescherming in een bezwaar- of beroepsprocedure zich in beginsel niet uitstrekt tot een andere bezwaar- of beroepsprocedure, en in hetgeen eiseres heeft aangevoerd onvoldoende grond is gelegen om op dit beginsel een uitzondering te maken. Daarnaast is verweerder op grond van de Wwb bevoegd om een toegekend recht op bijstand te herzien, in te trekken en terug te vorderen indien is gebleken dat geen of slechts gedeeltelijk recht bestaat op een uitkering, ongeacht lopende bezwaar- en/of beroepsprocedures.


6.4.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat verweerder bevoegd en gehouden was tot intrekking en terugvordering van de bijstand. De door eiseres aangevoerde omstandigheden vormen geen dringende redenen op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van de terugvordering.


7.1.

Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht op bijstand heeft over de periode van 25 juli 2013 tot en met 26 november 2013, nu bij de besluitvorming geen rekening is gehouden met het feit dat eiseres met behoud van uitkering vier weken in het buitenland mocht verblijven. Verweerder heeft het bedrag van de terugvordering nader berekend op € 4.042,41 netto.


7.2.

Nu verweerder het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op primair besluit 1, niet langer handhaaft is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover het betreft de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 20 juni 2013 tot 25 juli 2013. Omdat een terugvorderingsbesluit ondeelbaar is, zal het bestreden besluit voor zover het de terugvordering betreft in zijn geheel moeten worden vernietigd. De rechtbank kan in zoverre zelf in de zaak voorzien dat primair besluit 1 wordt herroepen voor zover daarbij het recht op bijstand is ingetrokken en de kosten van bijstand zijn teruggevorderd. De rechtbank stelt de hoogte van de netto-terugvordering overeenkomstig het door verweerder ter zitting gestelde - en door eiseres niet betwiste - bedrag vast op € 4.042,41.


7.3.

Bij het bestreden besluit is primair besluit 2, waarbij de terugvordering is gebruteerd met loonbelasting en premies volksverzekeringen, gehandhaafd. Verweerder heeft bij het in 7.1 vermelde nadere standpunt niet aangegeven op welk bedrag de terugvordering na brutering dient te worden bepaald. De rechtbank kan in zoverre niet zelf in de zaak voorzien, zodat verweerder een nieuw besluit zal moeten nemen over de brutering. Nu dit slechts een rekenkundige uitwerking betreft, is een bestuurlijke lus niet nodig.


8.1.

Ter zitting heeft verweerder zich ten aanzien van de boete - met verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 2015, onder meer ECLI:NL:CRVB:2015:1801 – nader op het standpunt gesteld dat geen sprake is van opzet maar wel van grove schuld, in verband waarmee de boete moet worden vastgesteld op 75% van het benadelingsbedrag. Rekening houdend met de gewijzigde periode waarover wordt teuggevorderd en afgerond op € 10,- naar boven bedraagt de boete dan € 3.040,00, aldus verweerder.


8.2.

Nu verweerder de bij het bestreden besluit gehandhaafde boete, zoals opgelegd bij primair besluit 3, niet handhaaft dient het bestreden besluit ook in zoverre te worden vernietigd. Gelet op het bepaalde in artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zal de rechtbank een beslissing omtrent het opleggen van de boete moeten nemen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van grove schuld, nu de handelwijze van eiseres blijk geeft van een grote, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid. Eiseres was ermee bekend dat zij een vakantie of ander verblijf in het buitenland aan verweerder moet melden. Verder mag eiseres ermee bekend worden verondersteld dat een verblijf in het buitenland voor de duur van bijna zes maanden op grond van de Wwb in beginsel niet toegestaan is. Voor zover eiseres heeft willen stellen dat wegens haar vergeetachtigheid geen sprake kan zijn van grove schuld, kan dit niet slagen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze vergeetachtigheid moet worden aangemerkt als de oorzaak van het niet melden van haar verblijf in het buitenland, terwijl deze stelling zich niet verdraagt met de eveneens door eiseres ingenomen stelling dat zij op 6 juni 2013 wel een melding aan verweerder zou hebben gedaan.


8.3.

Gelet echter op de individuele omstandigheden van eiseres, te weten het feit dat zij door de aflossing van oude schulden aan verweerder al geruime tijd moet rondkomen van een inkomen van 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm, alsmede op haar gezondheidsklachten op grond waarvan zij is vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen, ziet de rechtbank wel aanleiding om de boete te matigen en vast te stellen op 50% van het netto benadelingsbedrag van € 4.042,41, naar boven af te ronden op een veelvoud van € 10,-. De rechtbank zal de boete daarom vaststellen op € 2.030,00.


9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.


10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit, voor zover het betreft de intrekking van bijstand over de periode van 20 juni 2013 tot 25 juli 2013, de terugvordering van de kosten van bijstand, de brutering van de terugvordering en de oplegging van de boete;
  • - herroept primair besluit 1 voor zover de bijstand daarbij is ingetrokken over de periode van 20 juni 2013 tot 25 juli 2013 en stelt de netto-terugvordering vast op een bedrag van € 4.042,41, herroept primair besluit 3 wat betreft de hoogte van de boete en stelt de boete vast op € 2.030,00, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • - bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar neemt ten aanzien van de brutering van de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;
  • - bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 45,00 vergoedt;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00, te betalen aan eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Gerritse, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2015.



griffier voorzitter










Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.