Rechtbank Rotterdam, 30-10-2015 / 10/661434-13


ECLI:NL:RBROT:2015:7738

Inhoudsindicatie
Vrijspraak opzettelijk toebrengen zwaar lichamelijk letsel; vrijspraak mishandeling; vrijspraak art. 6 WVW1994. Bewezenverklaring overtreding art. 5 WVW1994: De verdachte heeft zich gedragen in strijd met de gedragsnorm door zonder rijbewijs te rijden met een personenauto, terwijl het slachtoffer op de achterbumper van die personenauto stond. Het slachtoffer verkeerde op dat moment onder invloed van alcohol en verdovende middelen en was tevoren zelf op de achterbumper van de auto gaan staan. De rechtbank kan niet vaststellen dat het rijgedrag van de verdachte ertoe heeft geleid dat het slachtoffer op de grond terecht is gekomen en dus ook niet dat de verdachte schuld heeft aan het letsel van het slachtoffer.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-10-30
Publicatiedatum
2015-11-02
Zaaknummer
10/661434-13
Rechtsgebied
Strafrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam


Team straf 2


Parketnummer: 10/661434-13

Datum uitspraak: 30 oktober 2015

Tegenspraak


Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres]

raadsman mr. R. Müller, advocaat te Alphen aan de Rijn.

1Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2015.

2Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. [naam] heeft gevorderd:

  • - vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde;
  • - bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde;
  • - veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, met aftrek van voorarrest alsmede tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden.

4Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak primair en subsidiair ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte zal hiervan zonder nadere motivering worden vrijgesproken.


4.2.

Waardering van het bewijs voor het meer subsidiaire en meest subsidiaire ten laste gelegde

4.2.1.

Vaststaande feiten

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.


1. De verdachte heeft op 27 oktober 2013 op de Tromsodreef te Rotterdam gereden als bestuurder, zonder geldig rijbewijs, van een personenauto van het merk [merk] met het kenteken [kenteken] . In de auto bevonden zich ten tijde van het delict naast de verdachte, drie passagiers, te weten de latere getuigen [naam] [naam] en [naam]

2. Het slachtoffer, [naam] , dat onder invloed verkeerde van alcohol en drugs, is op de achterbumper van de auto gaan staan;

3. Het voertuig is gestopt. Het slachtoffer is op de grond terecht gekomen.

4.2.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich door zijn gedragingen, te weten onverwachts en veel gas geven terwijl een ander zich op de achterbumper bevond, heeft schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag als gevolg waarvan het slachtoffer (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het meer subsidiair ten laste gelegde kan daarom worden bewezenverklaard.

4.2.3.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte tevens dient te worden vrijgesproken van het meer subsidiair ten laste gelegde nu niet aan alle bestanddelen van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is voldaan. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat in het onderhavige geval noch sprake is van een “verkeersongeval”, noch van zwaar lichamelijk letsel dan wel van een tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van normale bezigheden. Ook is er geen sprake van enige vorm van schuld.

4.2.4.

Beoordeling van het meer subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank kan niet vaststellen waardoor het slachtoffer op de grond terecht is gekomen. De drie getuigen waren allen onder invloed van alcohol en waarschijnlijk ook onder invloed van drugs. Dit heeft hun waarnemings en herinneringsvermogen niet bevorderd. Zij zijn pas in een relatief laat stadium gehoord. Er moet dus behoedzaam met hun verklaringen worden omgegaan.

Uit de door eerder genoemde getuigen afgelegde verklaringen kan niet overtuigend worden afgeleid dat de personenauto snel reed of snel optrok, zodat evenmin kan worden vastgesteld dat dit gedrag van de verdachte de oorzaak is van een val van het slachtoffer. Ook kan niet worden vastgesteld dat het slachtoffer van de achterbumper is gevallen als gevolg van een door de verdachte gemaakte afremmende of (abrupte) rembeweging met die personenauto. Ten slotte bestaat de gerede kans dat het slachtoffer van de achterbumper is gesprongen.


De rechtbank kan dus niet vaststellen dat het rijgedrag van de verdachte ertoe heeft geleid dat het slachtoffer op de grond terecht is gekomen en dus ook niet dat de verdachte schuld heeft aan het letsel van het slachtoffer. Daarom moet de verdachte worden vrijgesproken van het meer subsidiair ten laste gelegde.


4.2.5.

Beoordeling van het meest subsidiair ten laste gelegde

De verdachte heeft zich gedragen in strijd met de gedragsnorm door zonder rijbewijs te rijden met een personenauto, terwijl het slachtoffer op de achterbumper van die personenauto stond. Alle weggebruikers, ook passagiers die zich in of op een rijdend voertuig bevinden, kunnen worden aangemerkt als verkeersdeelnemers. Daarmee acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt. De verdachte heeft gereden terwijl het slachtoffer op de achterbumper van de personenauto stond. Het meest subsidiair ten laste gelegde kan daarom bewezen worden verklaard.

4.2.6.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


hij

op 27 oktober 2013 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig te weten een (personen)auto, merk [merk] , kenteken [kenteken] , daarmee rijdende op (de) voor het openbaar verkeer openstaande weg(en), te weten de Tromsodreef en een of meer andere wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een geldig rijbewijs voor het besturen van voornoemde (personen)auto en een persoon, genaamd [naam] , zich (op dat moment) op (achter)bumper, van deze personenauto bevond is weggereden en een bepaalde afstand heeft gereden.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.


De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

5Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:


overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.


Het feit is dus strafbaar.

6Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is dus strafbaar.

7Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straffen is gebaseerd

De verdachte heeft een auto bestuurd terwijl hij wist dat er iemand op zijn achterbumper stond. Hij wist bovendien dat deze persoon onder invloed was van drank en waarschijnlijk ook drugs. Door zo te handelen heeft de verdachte, die bovendien geen rijbewijs had, het verkeer in het algemeen, en het slachtoffer in het bijzonder, in gevaar gebracht.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 september 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor rijden zonder rijbewijs.

7.3.2.

Rapportages

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van een omtrent de verdachte opgemaakt rapport van Reclassering Nederland, gedateerd 16 oktober 2014.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.


Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een taakstraf in combinatie met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Bij de bepaling van de duur van deze straffen heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen in soortgelijke zaken pleegt te worden opgelegd.


De rechtbank zal aan de verdachte een lagere taakstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, nu zij, anders dan de officier van justitie, komt tot een bewezenverklaring van het meest subsidiair ten laste gelegde.


Teneinde de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan dergelijk gevaarzettend gedrag schuldig te maken, zal de rechtbank hem voorts een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met het tijdsverloop tussen de pleegdatum van 27 oktober 2013 en de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting op 16 oktober 2015.


Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

8Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam] , wonende te Rotterdam, ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.311,11 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bij bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde de vordering benadeelde partij integraal dient te worden toegewezen.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op zijn betoog tot integrale vrijspraak van het ten laste gelegde, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen nu sprake is van “eigen schuld” van de benadeelde.

8.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. De schade is immers niet door het rijden zelf veroorzaakt, maar doordat het slachtoffer op de grond terecht is gekomen. Niet is vastgesteld dat dit door het rijden, en dus door het handelen van de verdachte, is veroorzaakt.


Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

De verdachte hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partij.

9Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.


11Beslissing

De rechtbank:


verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair, subsidiair en het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;


verklaart bewezen, dat de verdachte het meest subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;


verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 34 (vierendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;


beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 17 dagen;


ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 (drie) maanden;


bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;


stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;


verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;


veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.






Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van den Bos, voorzitter,

en mrs. A.E. Kleene-Krom en D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.


De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage I


Tekst tenlastelegging


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


hij

op of omstreeks 27 oktober 2013 te Rotterdam aan een persoon genaamd

[naam] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een

schedelbasisfractuur en/of hersenletsel en/of (blijvende) gehoorbeschadiging)

heeft toegebracht, door opzettelijk


als bestuurder van een (personen)auto (zeer) krachtig met/in deze

(personen)auto op te trekken, althans vanuit stilstand weg te rijden en/of

(vervolgens) met deze (personen)auto (met verhoogde/hoge snelheid) een

bepaalde afstand te rijden / af te leggen, terwijl voornoemde [naam] zich

(op dat moment) (zichtbaar) op het dak en/of de kofferbak en/of

(achter)bumper, althans op de buitenkant van die auto bevond, als gevolg

waarvan die [naam] van deze auto is afgevallen en/of daarbij (hard) op zijn

hoofd is gevallen;

(Art. 302 Wetboek van Strafrecht)


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


hij

op of omstreeks 27 oktober 2013 te Rotterdam opzettelijk


als bestuurder van een (personen)auto, (zeer) krachtig met deze (personen)auto

heeft/is opgetrokken, althans vanuit stilstand is weggereden en/of

(vervolgens) met deze personenauto (met verhoogde/hoge snelheid) een bepaalde

afstand heeft gereden/afgelegd, terwijl een persoon genaamd [naam]

zich (op dat moment) (zichtbaar) op het dak en/of de kofferbak en/of

(achter)bumper, althans op de buitenkant van die auto bevond, als gevolg

waarvan die [naam] van deze (rijdende) auto is afgevallen en/of daarbij

(hard) op zijn hoofd is gevallen,


tengevolge waarvan deze [naam] zwaar lichamelijk letsel

(een schedelbasisfractuur en/of hersenletsel en/of (blijvende)

gehoorbeschadiging), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht


meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:


hij

op of omstreeks 27 oktober 2013 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk

[merk] , kenteken [kenteken] ) daarmede rijdende over de weg,

de Tromsodreef en/of een of meer andere wegen, zich zodanig heeft gedragen dat

een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te

dezen geboden zorgvuligheid te rijden op deze voor het openbaar verkeer

openstaande weg, welk roekeloos, onvoorzichtig, onoplettend, onachtzaam en/of

onzorgvuldig rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl (hij, verdachte, niet in het bezit was van een geldig rijbewijs voor

het besturen van voornoemd(e) motorrijtuig/(personen)auto)


- hij, verdachte, zich als bestuurder bevond in een motorrijtuig (te weten een

personenauto, merk [merk] , kenteken [kenteken] ) en/of

- een persoon genaamd [naam] zich (op dat moment) (zichtbaar) op het

dak en/of de kofferbak en/of (achter)bumper, althans op (de buitenkant van)

dit motorrijtuig bevond


(zeer) krachtig met deze (personen)auto heeft/is opgetrokken, althans vanuit

stilstand is weggereden en/of (vervolgens) met deze personenauto (met

verhoogde/hoge snelheid) een bepaalde afstand heeft gereden/afgelegd,

als gevolg waarvan die [naam] van deze (rijdende) auto is afgevallen en/of

daarbij (hard) op zijn hoofd is gevallen,


waardoor deze [naam] zwaar lichamelijk letsel, te weten

(een schedelbasisfractuur en/of hersenletsel en/of (blijvende)

gehoorbeschadiging), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan;


(Art. 6 jo 175 Wegenverkeerswet 1994)

art 6 Wegenverkeerswet 1994


meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:


hij

op of omstreeks 27 oktober 2013 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig

(te weten een (personen)auto, merk [merk] , kenteken [kenteken] ),

daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg(en),

te weten de Tromsodreef en/of een of meer andere wegen, zich zodanig heeft

gedragen dat gevaar op de weg(en) werd veroorzaakt althans kon worden

veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte,

toen daar,


terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een geldig rijbewijs voor

het besturen van voornoemd(e) motorrijtuig/(personen)auto en een persoon,

genaamd [naam] , zich (op dat moment) (zichtbaar) op het dak en/of de

kofferbak en/of (achter)bumper, althans op (de buitenkant van) dit/deze

motorrijtuig/(personen)auto bevond,



(zeer) krachtig met deze (personen)auto heeft/is opgetrokken, althans vanuit

stilstand is weggereden en/of (vervolgens) met deze personenauto (met

verhoogde/hoge snelheid) een bepaalde afstand heeft gereden/afgelegd,

als gevolg waarvan die [naam] van deze (rijdende) auto is (af)gevallen;


De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;


art 5 Wegenverkeerswet 1994