Rechtbank Rotterdam, 15-09-2015 / C/10/482640 / KG ZA 15-882


ECLI:NL:RBROT:2015:7740

Inhoudsindicatie
Vordering jegens bank tot het weer ter beschikking stellen van de bankrekeningen en het ongedaan maken van de registratie van gegevens in het interne register.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-11-02
Zaaknummer
C/10/482640 / KG ZA 15-882
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/482640 / KG ZA 15-882


Vonnis in kort geding van 15 september 2015


in de zaak van


[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.K. Ramdas,


tegen


de naamloze vennootschap ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mrs. S.A. Gijsbertsen en L.G. Montagne.



Partijen zullen hierna [eiser] en ING genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding
  • - de producties zijdens [eiser]
  • - de producties zijdens ING
  • - de mondelinge behandeling
  • - de pleitnota van ING.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

[eiser] heeft met ING een overeenkomst gesloten voor het gebruik van bancaire producten. In dat kader beschikte [eiser] over een bij ING lopende privérekening met het rekeningnummer [rekeningnummer] (hierna: de privérekening van [eiser] ) en een zakelijke rekening met als rekeningnummer [rekeningnummer2] (hierna de zakelijke rekening van [eiser] ) op naam van Bozay Consultancy.


2.2.

Vanaf juni 2014 heeft [eiser] maandelijks vanaf de zakelijke rekening van [eiser] een bedrag van € 2.304,48 overgemaakt naar de bankrekening van [persoon1] met bankrekeningnummer [rekeningnummer3] (hierna: de privérekening van [persoon1] ).


2.3.

In de periode april 2014 tot en met december 2014 heeft [persoon1] diverse bedragen, in totaal € 9.806, overgemaakt vanaf de privérekening van [persoon1] naar de privérekening van [eiser] .


2.4.

ING heeft op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden de rekeningen van [eiser] op 9 januari 2015 geblokkeerd en telefonisch aan [eiser] medegedeeld dat de relatie met [eiser] werd opgezegd.

Voorts heeft ING telefonisch medegedeeld dat zij op grond van het Protocol “Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen” (verder te noemen: het Protocol) de persoonsgegevens van [eiser] zou opnemen in het incidentenregister (hierna: het interne register) voor de duur van acht jaar.

Een en ander is op 16 januari 2015 schriftelijk aan [eiser] bevestigd. Op die datum heeft ook de registratie van de persoonsgegevens in het interne register plaatsgevonden.


2.5.

[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de blokkering van de bankrekeningen en de opname van zijn persoonsgegevens in het interne register. ING heeft bij brief van 21 januari 2015 het bezwaar afgewezen.



3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert – samengevat – het weer ter beschikking stellen van de bankrekeningen van [eiser] door ING en het ongedaan maken van de registratie van zijn gegevens in het interne register, op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van ING in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.


3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd:

ING heeft aan de opname van persoonsgegevens in het interne register en aan de beëindiging van de relatie een vermoeden van fraude ten grondslag gelegd. Er zou sprake zijn van een looncarrousel. [eiser] betwist dit. [persoon1] is zowel een vriend als een werknemer van [eiser] . De betalingen die [eiser] ontving betrof geld dat hij eerder had uitgeleend, bijvoorbeeld tijdens een avondje naar het casino. Er is geen sprake geweest van oneigenlijk gebruik van de privérekening van [eiser] om betaling van salaris aan [persoon1] mogelijk te maken. Dit blijkt niet uit de bankafschriften. ING heeft geen zwaarwegend belang bij opzegging van de overeenkomst, terwijl [eiser] belang heeft bij het hebben van een bankrekening bij ING, omdat zijn klanten dat een meerwaarde vinden.


3.3.

ING voert verweer.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voldoende voort uit de aard van de vordering.


4.2.

De vordering van [eiser] strekt er onder meer toe dat ING gehouden is de registratie van de persoonsgegevens van [eiser] in het interne register te verwijderen.

Een dergelijke vordering in het kader van een voorziening in kort geding kan in beginsel slechts dan worden toegewezen, indien aannemelijk is dat ook in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat ING daartoe gehouden is. Dit zal het geval zijn indien onvoldoende grond bestaat voor de opname van de persoonsgegevens in het register.


4.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, hoewel deze gevolgen in beginsel minder verstrekkend zullen zijn dan wanneer sprake zou zijn van opname van persoonsgegevens in het externe register dat alle deelnemende banken kunnen raadplegen, opname in het interne register van een bank verstrekkende gevolgen kan hebben. Niet onaannemelijk is immers dat wanneer [eiser] een nieuwe overeenkomst voor het gebruik van bancaire producten wil afsluiten bij een andere bank, die bank zal vragen of hij problemen heeft gehad met een eerdere bank. De registratie van persoonsgegevens in het interne register zal het antwoord op die vraag vanzelfsprekend bepalen. Vervolgens kan nadere informatie omtrent de reden van opname worden opgevraagd, wat ertoe kan leiden dat diensten aan een in het register opgenomen persoon worden geweigerd of slechts onder beperkende voorwaarden mogelijk worden gemaakt.

Hiervan uitgaande zal [eiser] gedurende lange termijn de (mogelijk) verstrekkende gevolgen van de registratie ondervinden. Daarom dienen hoge eisen te worden gesteld aan (de gronden voor) opname in het interne register.


4.4.

ING heeft de opname van persoonsgegevens van [eiser] gegrond op haar overtuiging dat door [eiser] is gefraudeerd. De voorzieningenrechter zal dienen te beoordelen of voorshands voldoende aannemelijk is dat ING de gestelde fraude in een bodemprocedure zal kunnen bewijzen ter onderbouwing van haar standpunt dat aan de voorwaarden voor opname van de persoonsgegevens in het interne register is voldaan.


4.5.

Vaststaat dat [eiser] maandelijks vanaf de zakelijke rekening van [eiser] een bedrag van € 2.304,48 overmaakte naar [persoon1] . Voorts staat vast dat steeds kort voor die maandelijkse overschrijving plaatsvond een bedrag op de zakelijke rekening van [eiser] werd gestort, dan wel dat inkomsten werden ontvangen, die qua omvang ongeveer overeenkwamen met het bedrag dat vervolgens werd overgemaakt aan [persoon1] . Daarnaast staat vast dat op de zakelijke rekening slechts bedragen werden ontvangen van drie bankrekeningen van derden en betalingen werden gedaan aan vier betaalrekeningen, waaronder de privé rekening van [eiser] . Tot slot werden door [eiser] op zijn privérekening substantiële bedragen ontvangen afkomstig van [persoon1] .


4.6.

Ter zitting hebben [eiser] en ING een toelichting gegeven op de feiten en omstandigheden zoals deze zich in de periode april 2014 tot en met december 2014 hebben voorgedaan.



4.7.

Volgens de verklaring van [eiser] zijn de door ING als verdacht aangemerkte geldstromen te verklaren uit zijn betrokkenheid bij een buitenlandse onderneming.

[eiser] stelt uit die onderneming dividend te ontvangen, dat hij op de momenten dat hij het nodig heeft voor zijn onderneming Bozay Consultancy contant kan opnemen om de opgenomen bedragen vervolgens te storten op zijn zakelijke bankrekening bij ING. Het contant opnemen en storten werkt sneller dan de benodigde bedragen giraal over te maken, want met overschrijvingen vanaf een buitenlandse bankrekening is steeds een week gemoeid.

Daarnaast stelt [eiser] dat de door hem op zijn privé rekening van [persoon1] ontvangen bedragen terugbetalingen waren van geleend geld, bijvoorbeeld tijdens een avond uit of voor het kopen van een auto. Dat de zakelijke rekening van [eiser] nauwelijks werd gebruikt wordt niet betwist, de reden daarvan is, aldus [eiser] , dat zijn onderneming nog in de opstartfase verkeerde.


4.8.

De stellingen van [eiser] worden door hem niet met stukken onderbouwd.

Ter zitting heeft [eiser] voor een aantal betalingen mondeling een verklaring gegeven, maar uit de processtukken is niet af te leiden dat hij op enig moment schriftelijk en concreet is ingegaan op het geheel van de door ING gemaakte verwijten en de in dat kader opgesomde betalingen en ontvangsten op de bankrekeningen van [eiser] . Ook in deze kort geding procedure doet hij dat niet.

[eiser] heeft niet eerder dan 9 maanden na de beëindiging van de overeenkomst en de registratie van de persoonsgegevens door ING het onderhavige kort geding aanhangig gemaakt. In die negen maanden heeft [eiser] diverse malen contact gehad met ING, maar in die contacten is het bezit van aandelen in een buitenlandse vennootschap en een buitenlandse bankrekening, niet aan de orde gekomen. Desondanks noemt [eiser] het bestaan van die vennootschap en bankrekening in dit kort geding als belangrijke verklaring voor de stortingen die deel volgens ING verdacht zijn en passen binnen het beeld van een looncarroussel.

Wanneer het bestaan van een buitenlandse vennootschap een verklaring was voor de geldstomen, mag worden aangenomen dat [eiser] dat eerder zou hebben benoemd jegens ING en daarmee niet zou wachten tot dit kort geding. Daarnaast mocht in dit kort geding van [eiser] worden verwacht dat hij zijn stellingen op dit punt zou hebben onderbouwd. Dat heeft hij niet gedaan. Met name mocht van [eiser] worden verwacht dat hij enig stuk zou hebben overgelegd waaruit het bestaan van de vennootschap en de door hem ontvangen gelden in dat kader kon worden afgeleid. Thans zijn voor het bestaan van een buitenlandse vennootschap en buitenlandse bankrekening in het dossier in het geheel geen aanknopingspunten te vinden, zodat de voorzieningenrechter van oordeel is dat niet aannemelijk is dat de bodemrechter, later oordelend, tot het oordeel zal komen dat de [eiser] in het gelijk moet worden gesteld.


4.9.

Concluderend is sprake van een situatie waarin [eiser] zijn stellingen niet of nauwelijks heeft onderbouwd, terwijl ING haar standpunt met een grote hoeveelheid aan stukken heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter acht gelet hierop hetgeen [eiser] heeft aangevoerd onvoldoende om aan te nemen dat ING in een bodemprocedure niet zal slagen in het bewijs dat sprake is geweest van fraude.


4.10.

Gelet op het voorgaande bestaat voldoende grond voor de opname van de persoonsgegevens van [eiser] in het interne register. De voorzieningenrechter zal de vordering tot het verwijderen van die gegevens uit het interne register daarom afwijzen.


4.11.

Voor zover de vordering ziet op het weer ter beschikking stellen van de bankrekeningen van [eiser] overweegt de voorzieningenrechter als volgt.


4.12.

Vaststaat dat ING en [eiser] zijn overeengekomen dat ING de overeenkomsten met [eiser] tussentijds mocht beëindigen. Indien een bank gebruik maakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de overeenkomst, moet de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld worden aan de hand van de overeenkomst en aan de hand van de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW, die meebrengt dat de beëindiging door de bank op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.


4.13.

In het onderhavige geval is naar voorlopig oordeel, blijkens hetgeen hiervoor reeds is overwogen, sprake van gerechtvaardigd vermoeden van fraude. Reeds gelet op die omstandigheid kan niet worden aangenomen dat het beëindigen van de overeenkomst door ING onaanvaardbaar is. Daarbij is relevant dat het belang van [eiser] bij voortzetting van de overeenkomst beperkt is, nu vaststaat dat hij reeds geruime tijd gebruik maakt van een bankrekening bij een andere bank. Dat veel van zijn klanten wel een rekening bij ING hebben en hetzelfde van hem verwachten, omdat overboekingen dan sneller worden verwerkt is niet onderbouwd en acht de voorzieningenrechter niet van doorslaggevend belang in relatie tot het belang van ING bij beëindiging van de overeenkomsten.


4.14.

De vorderingen van [eiser] zullen op grond van het voorgaande worden afgewezen.


4.15.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ING worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.429,00



5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

wijst de vorderingen af,


5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 1.429,00,


5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van den Hurk en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2015.

1 1634/427