Rechtbank Rotterdam, 21-01-2015 / C-10-458555 - HA ZA 14-903


ECLI:NL:RBROT:2015:843

Inhoudsindicatie
Bevoegdheidsincident. Een mediationclausule kan niet gelijk worden gesteld met een arbitraal beding of een beding waarin partijen overeengekomen zijn om een tussen hen gerezen geschil voor te leggen aan een bindend adviseur.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-21
Publicatiedatum
2015-02-17
Zaaknummer
C-10-458555 - HA ZA 14-903
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/458555 / HA ZA 14-903


Vonnis in incident van 21 januari 2015


in de zaak van


1 [eiser1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser2] ,

gevestigd te [woonplaats],

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. J.J. Splinter,


tegen


[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. Q.F.B.W. Kendall.



Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding van 19 augustus 2014, met producties;
  • - de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van 22 oktober 2014, met productie;
  • - de incidentele conclusie van antwoord van 5 november 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.



2Het geschil in het incident

2.1.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart omdat het geschil eerst voorgelegd dient te worden aan een mediator. [gedaagde] verwijst hierbij naar artikel 16 van de overeenkomst tussen [eiser1] en [gedaagde].


2.2.

[eisers] vordert afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident. Zij voeren hiertoe – kort gezegd - het volgende aan.

De clausule inzake mediation moet zo worden gelezen dat het mediationtraject uitsluitend een voortraject is van daaropvolgende arbitrage. Uit het zesde lid van artikel 16 van de overeenkomst blijkt de partijbedoeling, namelijk dat naast arbitrage ook de mogelijkheid bestaat om het geschil voor te leggen aan de bevoegde rechter. Partijen zijn twee routes overeengekomen om een geschil te beslechten. De ene route ziet op mediation in combinatie met arbitrage en de andere route ziet op het aanhangig maken van een procedure bij de bevoegde rechter. [eisers] hebben ervoor gekozen om het geschil aan de bevoegde rechter voor te leggen. Dit leidt niet tot onbevoegdheid van de rechter, aldus [eisers] Voorts voert [eisers] aan dat zij steeds in de geest van de mediationbepaling heeft gehandeld door te proberen in onderling overleg tot een oplossing te komen en ook dat eventueel niet handelen in overeenstemming met een mediationclausule niet leidt tot onbevoegdheid van de rechter.


3De beoordeling in het incident

3.1.

De incidentele conclusie is tijdig en voor alle weren genomen. [gedaagde] is daarom ontvankelijk in het incident.


3.2.

[gedaagde] beroept zich op artikel 16 van de tussen[eiser1] en [gedaagde] gesloten overeenkomst “contract vennootschap onder firma” van 4 januari 2010.


3.3.

In artikel 16 van deze overeenkomst staat, voor zover van belang, vermeld:


Artikel 16: Geschillenregeling

Lid 1: Alle geschillen die tussen de vennoten mochten ontstaan naar aanleiding van of in verband met de uitvoering van deze overeenkomst of van andere overeenkomsten, zullen vennoten trachten in eerste instantie op te lossen met behulp van mediation conform het NMI Mediation Reglement van de Stichting Nederlands Mediation Instituut te Rotterdam, zoals dat luidt op de aanvangdatum van de mediation.

Lid 2: Indien het onmogelijk gebleken is een geschil als hiervoor bedoel op te lossen met behulp van mediation, zullen alle geschillen die tussen de vennoten mochten ontstaan naar aanleiding van of in verband met de uitvoering van deze overeenkomst of andere overeenkomsten door een onafhankelijk arbiter worden beslecht overeenkomstig het Arbitragereglement van de Kamer van Koophandel in welk gebied de onderneming is gevestigd.

Lid 3: Indien de te stellen eis een financieel belang van € 70.000,- te boven gaat, zal het scheidsgerecht bestaan uit drie arbiters waarvan de voorzitter de titel meester in de rechten bezit. De plaats van arbitrage zal zijn de plaats van vestiging van het hoofdkantoor van de Kamer van Koophandel, binnen welk gebied de vennootschap is gevestigd.

Lid 4: Een geschil is aanwezig als één der vennoten verklaart dat dit het geval is. De vennoot die arbitrage verlangt, zal daarvan schriftelijk mededeling doen aan de andere vennoot.

Lid 5: De benoeming van de arbiter(s) geschiedt in onderlinge overeenstemming tussen de vennoten, of, indien partijen hierover niet tot overeenstemming kunnen komen, dor middel van een verzoek aan de voorzitter van de Kamer van Koophandel binnen welk gebied de vennootschap is gevestigd. Het scheidsgerecht beslist naar de regelen des rechts.

Lid 6: Het geschil kan ook voorgelegd worden aan de bevoegde rechter.


3.4.

[gedaagde] beroept zich op de mediationclausule in artikel 16 van de overeenkomst. Een mediationclausule, zoals weergegeven in dit artikel, kan niet gelijk worden gesteld worden met een arbitraal beding of een beding waarin partijen zijn overeengekomen om een tussen hen gerezen geschil voor te leggen aan een bindend adviseur. Arbitrage en bindend advies hebben een wettelijke grondslag waarbij een door partijen aangewezen derde beslist op een geschil dat partijen verdeeld houdt, in plaats van de burgerlijke rechter. Dat is niet het geval bij mediation. Het staat partijen vrij om in het kader van contractsvrijheid een dergelijk mediationbeding in de overeenkomst op te nemen. Partijen zijn dan in beginsel gehouden om hun geschil voor te leggen aan een mediator. In het geval deze weg niet wordt bewandeld, leidt dit niet tot onbevoegdheid van de burgerlijke rechter om kennis te nemen van het geschil. Mediation gaat namelijk uit van de bereid- en vrijwilligheid van beide partijen. Het (komen te) ontbreken van die bereidheid c.q. instemming rechtvaardigt gewoonlijk, dat van mediation wordt afgezien of dat een reeds aangevangen mediation wordt beëindigd. In de onderhavige zaak komt naar voren dat [eisers] om hun moverende redenen hebben afgezien van mediation.


3.5.

Gelet op het voorgaande is van onbevoegdheid van de rechtbank geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.


3.6.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.



4De beslissing

De rechtbank


in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,


4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 452,00, te voldoen binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,


4.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,


in de hoofdzaak

4.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 februari 2015 voor conclusie van antwoord.



Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2015.

2130/1980