Rechtbank Rotterdam, 02-09-2015 / 480972 / HA RK 15-621


ECLI:NL:RBROT:2015:8660

Inhoudsindicatie
Verzoekster deels niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek en het verzoek is voor het overige afgewezen. De gronden die eerst ter zitting van de wrakingskamer aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd, zijn te laat voorgedragen. Geen grond voor wraking in de omstandigheid dat de rechter ter comparitie aan een van de procespartijen het verzoek doet om bewijsstukken en specificaties van de vorderingen over te leggen. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat partijen de mogelijkheid is geboden tijdens de comparitie een kort pleidooi te voeren aan de hand van een pleitnota.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-02
Publicatiedatum
2015-11-26
Zaaknummer
480972 / HA RK 15-621
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken


Zaaknummer / rekestnummer: 10/480972 / HA RK 15-621


Beslissing van 2 september 2015


op het verzoek van


[naam van de Ltd] Ltd.,

gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,

verzoeker,

advocaat mr. A. Ramsoedh,


strekkende tot wraking van:

mr. C. Bouwman, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team Haven en Handel (hierna: de rechter).



1Het procesverloop en de processtukken


Bij dagvaarding van 28 januari 2014 heeft R.J.R.M. de Bok, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam van de vennootschap] B.V., als eiser verzoeker gedagvaard te verschijnen ter openbare terechtzitting van 21 mei 2014 van deze rechtbank in de procedure van eiser tegen verzoeker. Bij vonnis van 1 juli 2015 is een comparitie van partijen gelast, die op 24 augustus 2015 zou plaatsvinden voor de rechter.

Deze procedure draagt als kenmerk C/10/473345 / HA ZA 15-321.


Bij schrijven van 14 juli 2015 heeft de advocaat van verzoeker om de wraking van de rechter verzocht.


De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier met zaaknummer C/10/473345 / HA ZA 15-321.


Verzoeker, alsmede de rechter en mr. R.J.R.M. de Bok q.q. en advocaat mr J.G.M. Roijers zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van 26 juli 2015.


Ter zitting van 19 augustus 2015, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn namens verzoeker verschenen de advocaat van verzoeker en de juridisch adviseur van verzoeker,

mr. J.S. Pols, en mr. R.J.R.M. de Bok. Mr. J.S. Pols heeft aan de hand van een pleitnota het standpunt van verzoeker nader toegelicht.






2Het verzoek en het verweer daartegen



In het verzoek van 14 juli 2015 heeft de advocaat van verzoeker de gronden van het verzoek naar voren gebracht en voorts heeft de juridisch adviseur van verzoeker overeenkomstig de door hem overgelegde ‘Toelichting wrakingsverzoek’ het wrakingsverzoek toegelicht. De ‘Toelichting wrakingsverzoek’ is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.



Verkort en zakelijk weergegeven heeft verzoeker het volgende aangevoerd:

In de brief van 8 juli 2015 heeft de rechter aan verzoeker verzocht bewijsstukken met betrekking tot de vordering van verzoeker over te leggen ter voorbereiding van de comparitie. Echter, in de conclusie van antwoord is uitgebreid ingegaan op de vorderingen van verzoeker. Alle door de rechter gevraagde stukken bevinden zich achter die conclusie van antwoord. De rechter heeft dus ofwel alleen de dagvaarding van de curator gelezen en niet ook de door verzoeker ingediende stukken ofwel de rechter heeft ook de stukken van verzoeker gelezen, doch heeft besloten desondanks voor te sorteren voor de betwisting van de vordering van verzoeker door de curator. In beide gevallen is er sprake van partijdigheid van de rechter.

Ook het besluit om de partijen de gelegenheid te geven om te pleiten in dit stadium van de procedure is een indicatie van partijdigheid. Immers, door deze gang van zaken krijgt de curator de gelegenheid te repliceren op de conclusie met een ruime voorbereidingstijd. Van verzoeker wordt echter verwacht te plaatse te dupliceren, waarmee verzoeker op een achterstand wordt gezet.



Ter zitting is namens verzoeker nog aangevoerd dat de gestelde vragen in de brief van 8 juli 2015 doen vermoeden dat er mogelijk rechtstreeks contact geweest is tussen de rechter en de curator, alsmede dat de rechter in een andere procedure zijn oordeel heeft gegeven over de heer [naam] en de psychiatrische rapporten die volgens verzoekster ook in de onderhavige procedure een rol spelen, waarin – aldus verzoekster - de opgeworpen vraag letterlijk door de deskundige beantwoord is met een medische opinie — namelijk dat de betreffende transactie onder invloed van een psychische stoornis aangegaan is. Deze rapporten zijn volgens verzoekster zonder enig tegenbewijs door de rechter opzij geschoven en deze heeft daarmee vooraf al een opinie gevormd.


2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Er is geen sprake van dat ik als rechter in het geschil tussen partijen niet onpartijdig ben, dan wel dat een van partijen gerechtvaardigde vrees kan hebben dat ik niet onpartijdig ben.

In de brief van 8 juli 2015 is gevraagd om specificaties van bepaalde vorderingen en om bewijsstukken met betrekking tot die vorderingen. Deze specificaties en bewijsstukken zouden ter comparitie kunnen worden besproken indien zij zouden zijn verstrekt. Dit verzoek levert geen grond op voor wraking. Indien verzoeker meent dat de vorderingen reeds voldoende gespecificeerd zijn en dat alle relevante bewijsstukken reeds zijn overgelegd, kan verzoeker dat standpunt ter comparitie innemen en – zo nodig – nader motiveren.

Dat partijen wordt toegestaan om ter comparitie desgewenst gedurende 15 minuten te pleiten levert evenmin een grond voor wraking op. De inhoud van de reeds genomen processtukken bracht mee dat ik het zinvol heb geoordeeld om in deze zaak een dergelijke wijze van pleiten toe te staan. Het biedt de advocaten de gelegenheid om de visie van hun cliënten op het geschil en hun reactie op (nieuwe) producties/stellingen van de wederpartij in zelf gekozen bewoordingen uiteen te zetten en vast te leggen.



3De beoordeling



Ingevolge artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient een verzoek tot wraking gedaan te worden zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Ingevolge artikel 37, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moeten alle feiten of omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. Blijkens deze bepalingen bestaat er voor een verzoeker geen ruimte om na het indienen van het wrakingsverzoek en het opgeven van de gronden die aan dat verzoek ten grondslag liggen, eerst bij de mondelinge behandeling nieuwe gronden voor het verzoek aan te voeren.



De onder 2.1.2 weergegeven gronden die eerst ter zitting van de wrakingskamer van 19 augustus 2015 namens verzoeker aan het verzoek tot wraking van de rechter ten grondslag zijn gelegd, zijn te laat voorgedragen en kunnen dan ook niet in behandeling worden genomen. In zoverre dient verzoekster dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard. Hierbij neemt de wrakingskamer in aanmerking dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze gronden niet tegelijk met de op 14 juli 2015 ingediende gronden naar voren konden worden gebracht.


3.3

Voor het overige wordt het volgende overwogen.


3.4

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.


3.5

Aan de namens verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.


3.6

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de namens verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van de vertegenwoordiger(s) van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.


3.7

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

De comparitie van partijen heeft, blijkens het tussenvonnis van 1 juli 2015, onder meer tot doel het verkrijgen van inlichtingen. Het behoort tot de taak van de rechter om naar aanleiding van de stellingen van de partijen nader onderzoek te doen en zo nodig kritische vragen te stellen.

Het - tot het moment van wraking - enkele verzoek van de rechter aan één der procespartijen om bewijsstukken en specificaties van de vorderingen over te leggen, levert niet een zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor is bedoeld. Ook niet als die stukken – zo namens verzoeker is gesteld – reeds bij conclusie van antwoord zijn overgelegd.


Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat partijen de mogelijkheid is geboden tijdens de comparitie van partijen een kort pleidooi te voeren aan de hand van een pleitnota. Dat een dergelijke mogelijkheid wordt geboden is immers niet ongebruikelijk.


3.8

Voor zover het verzoek haar grondslag vindt in omstandigheden die zijn aangevoerd in de brief van 14 juli 2015 is het mitsdien ongegrond.



4De beslissing


Verklaart verzoekster in haar verzoek tot wraking van mr. C. Bouwman niet ontvankelijk, voor zover het is gegrond op omstandigheden die eerst ter zitting van 19 augustus 2015 zijn aangevoerd en wijst het verzoek voor het overige af.


Deze beslissing is gegeven door mr. P.H. Veling, voorzitter, mr. W.M.P.M. Weerdesteijn en mr. M.G.L. de Vette, rechters, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2015 in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier.















Verzonden op:

aan:

- [naam van de Ltd] Ltd.

- mr. C. Bouwman

- mr. A. Ramsoedh

- mr. R.J.R.M. de Bok

- mr J.G.M. Roijers