Rechtbank Rotterdam, 01-12-2015 / 10/060004-97


ECLI:NL:RBROT:2015:8781

Inhoudsindicatie
Een gekwalificeerde doodslag en een diefstal met geweld uit 1995. Twee hoogbejaarde dames zijn beide in hun woningen overvallen. Een van hen is als gevolg van het aan haar toegebrachte letsel overleden. In beide woningen zijn sporen aangetroffen van de verdachte en zijn ontvreemde goederen teruggevonden in Polen, in het ouderlijk huis van de verdachte. De aangevoerde alternatieve scenario’s worden verworpen, onder meer omdat deze geen verklaring bieden voor de bewijsmiddelen tegen de verdachte.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-01
Publicatiedatum
2015-12-01
Zaaknummer
10/060004-97
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team straf 2


Parketnummer: 10/060004-97

Datum uitspraak: 1 december 2015

Tegenspraak



Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,

raadsvrouw mr. I.A. Kamans, advocaat te Rotterdam.

1Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 29 en 30 oktober 2015 en 9 en 17 november 2015.

2Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 13 mei 2015 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J.A. van der Maas heeft gevorderd:

  • - bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;
  • - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar met aftrek van voorarrest.

4Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging


De verdediging heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Daartoe is allereerst aangevoerd dat het openbaar ministerie op zeer ernstige wijze in strijd heeft gehandeld met het fair trial beginsel. Potentieel ontlastend bewijs is niet veiliggesteld en/of niet meer beschikbaar, zodat (thans) geen aanvullend ontlastend onderzoek kan worden gedaan. Verder is slechts het scenario, waarbij de verdachte de dader is, opgenomen in het dossier, en zijn andere, minstens even waarschijnlijke, alternatieve scenario’s niet (in uitgewerkte vorm) opgenomen in het strafdossier. Verder was er geen analist toegevoegd aan het onderzoeksteam van de politie en is te eenzijdig gewerkt. Er is daarbij sprake geweest van confirmation bias. Alleen de aanwijzingen in de richting van de verdachte zijn opgenomen in het dossier.

Daarnaast is de fotoconfrontatie niet overeenkomstig de daarvoor geldende waarborgen en eenzijdig in de richting van de verdachte en zijn broer uitgevoerd. Waarom waren de andere Poolse verdachten niet opgenomen in de fotoselectie?

De verdediging gaat er verder van uit dat er door of vanwege het openbaar ministerie forensisch materiaal beschikbaar is gesteld aan de Engelse justitiële autoriteiten.

Ten slotte merkt de verdediging op dat er door het openbaar ministerie een bewijsmiddelenoverzicht is verstrekt aan de psycholoog en de psychiater (waarin onder meer ten onrechte staat vermeld dat handpalmsporen in bloed zijn gezet). Indien een neutraal en juist (bewijsmiddelen)overzicht zou zijn verstrekt aan deze deskundigen, dan zouden er evenwichtige(r) rapportages zijn opgesteld. De deskundigen hadden dan een ander beeld gekregen van de verdachte.


4.2.

Beoordeling


De rechtbank stelt allereerst vast dat er vanaf 27 februari 1997 een gerechtelijk vooronderzoek is geopend in de strafzaak van de verdachte, en dat de verdachte gedurende dat gerechtelijk vooronderzoek rechtsgeleerde bijstand had van een advocaat. Gedurende een gerechtelijk vooronderzoek had de verdediging alle mogelijkheden om alle, in de ogen van de verdediging, reële aanknopingspunten voor nader onderzoek voor te leggen aan de rechter-commissaris. Niet is gebleken dat de verdediging de rechter-commissaris heeft gevraagd om op een of meer van de thans aangeduide “pijnpunten” aanvullend onderzoek te doen of te laten doen. Kort na het openen van het gerechtelijk vooronderzoek hadden de aangever(s) en hun naaste familieleden kunnen worden gehoord, bijvoorbeeld over de door de verdediging betwiste herkenning van de in Polen in de woning van de ouders van de verdachte aangetroffen sieraden. Maar ook had eerder onderzoek gedaan kunnen worden naar de (biologische) samenstelling van onder andere de aangetroffen sporen.


De gevolgen van het stilzitten van de verdediging op dit punt kunnen niet worden tegengeworpen aan het openbaar ministerie. Sterker nog, het openbaar ministerie en de rechter-commissaris hebben getracht de verdachte te horen, maar de verdachte beriep zich op het Engelse recht, hetgeen er op neer komt dat een verhoor van verdachte alleen plaats kon hebben met diens instemming. Die instemming heeft hij niet gegeven.


Bij het veiligstellen van sporen mag, als uitgangspunt, worden uitgegaan van de op dat moment bestaande onderzoeksmethoden. In 1995 was de DNA-techniek nog niet zo verfijnd dat toen aan de hand van sporen op ceinturen of andere bindmiddelen en/of fecaliën een DNA-profiel kon worden veiliggesteld en bepaald. Echter, ook hier geldt dat ten aanzien van de bindmiddelen de verdediging nader onderzoek had kunnen verzoeken op een veel eerder moment, een moment waarop de sporen (mogelijk) nog wel beschikbaar waren en (nader) hadden kunnen worden onderzocht.


Het bestaan van andere mogelijke betrokkenen is niet verzwegen in het dossier. Alleen al uit de technische onderzoeken blijkt gerichte aandacht van politie en openbaar ministerie voor mogelijke strafrechtelijke betrokkenheid van derden (zoals onder meer [derde 1] en [derde 2] ). De verdediging heeft de mogelijkheid gehad alle onderzoeksresultaten in te zien en heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt.


De stelling van de verdediging dat door politie en openbaar ministerie uitsluitend is gewerkt vanuit de gedachte dat de verdachte [verdachte] de dader is, vindt reeds zijn weerlegging in het bovenstaande.


Ten slotte wordt de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, gelet op de zware eisen die uit de rechtspraak volgen voor het honoreren van een dergelijk verweer, niet geraakt door het al dan niet toevoegen van een analist aan een onderzoeksteam.


De bezwaren tegen de wijze waarop de fotoconfrontatie is uitgevoerd, behoort bij de waardering van de (eventuele) bewijswaarde van de concrete bewijsconfrontatie. Uit het dossier volgt niet dat door of vanwege het openbaar ministerie zaaksinformatie uit het dossier is verstrekt aan de Engelse justitiële autoriteiten, anders dan ter onderbouwing van inhoud en belang van de rechtshulpverzoeken. Ten slotte valt niet in te zien wat de relevantie is van het verstrekte overzicht van het dossier, door de verdediging aangeduid als bewijsmiddelenoverzicht, aan de psycholoog en de psychiater. Immers, deze deskundigen rapporteren uitdrukkelijk niet over de schuldvraag van de verdachte.


Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die raken aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het verweer faalt. Ook anderszins is de rechtbank niets gebleken dat aanleiding zou moeten geven tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.


De officier van justitie is derhalve ontvankelijk.

5Waardering van het bewijs

5.1.

Vrijspraak feit 2 (zaak Bergselaan [huisnummer] Rotterdam)


5.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat feit 2 op de dagvaarding wettig en overtuigend kan worden bewezen op basis van de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] , die op meerdere punten wordt ondersteund door de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] . Daarnaast is aangevoerd dat de gordijnstof, waarmee het slachtoffer is gekneveld, volledig overeenkomt met de gordijnstof waarmee het slachtoffer van feit 3 op de dagvaarding is gekneveld.


5.1.2.

Standpunt verdediging

Namens de verdachte is aangevoerd dat hij wegens gebrek aan bewijs van dit feit moet worden vrijgesproken.


5.1.3.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak wel degelijk aanwijzingen tegen de verdachte bestaan. De meest in het oog springende zijn de verklaring van [medeverdachte 1] en het gegeven dat bij het vastbinden/knevelen van het slachtoffer een stuk gele gordijnstof is gebruikt, terwijl bij een ander, min of meer soortgelijk misdrijf (feit 3) eveneens een op het oog vergelijkbaar stuk stof is gebruikt. De officier van justitie heeft verder gewezen op de omstandigheid dat de drie feiten op de dagvaarding binnen enkele weken en binnen een relatief klein gedeelte van de stad Rotterdam zijn gepleegd.


De rechtbank stelt echter vast dat er bij dit feit geen enkel technisch bewijs is aangetroffen dat wijst in de richting van de verdachte. Ook staat, gelet op de aangetroffen sporen en diens bekennende verklaring, vast dat [medeverdachte 1] dit feit op de tenlastelegging wel heeft gepleegd. De repen (gordijn)stof zijn vergeleken en na onderzoek luidt de conclusie van het NFI dat de stof van beide repen mogelijk identiek is. Behalve [medeverdachte 1] zijn in Polen door de Poolse rechter nog twee verdachten veroordeeld. Door die verdachten is niet belastend verklaard over de verdachte. Anders dan bij de andere twee feiten zijn bij de verdachte of diens ouders geen goederen gevonden die op enigerlei wijze zijn te relateren aan deze woningoverval.


Bij deze stand kan de rechtbank niet met de wettelijk vereiste (hoge) mate van zekerheid bepalen dat de verdachte een van de daders is van dit feit. Om die reden zal met betrekking tot dit feit vrijspraak volgen.


5.2.

Bewijswaardering feit 1 (zaak Boezemlaan [huisnummer] Rotterdam)


5.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging betoogt dat de verdachte van het feit dient te worden vrijgesproken omdat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De verdediging heeft daartoe - verkort weergegeven het volgende aangevoerd:

  • - Er is geen sprake van een contactspoor (of daderspoor) van de verdachte. De bewijswaarde van de aangetroffen sporen van de verdachte is derhalve gering.
  • - Er is geen enkel aanknopingspunt dat de conclusie zou kunnen rechtvaardigen dat de sieraden die worden vermist uit de woning aan de Boezemlaan zijn aangetroffen in de woning van de ouders van de verdachte in Polen.
  • - Er zijn ten minste twee concurrerende scenario’s die uit de bewijsmiddelen naar voren komen, die aannemelijker zijn dat het scenario dat de verdachte het feit zou hebben gepleegd.
  • -
5.2.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.


Op maandag 14 augustus 1995 keerde de 82-jarige [slachtoffer 1] rond 17.00 uur terug in haar woning aan de Boezemlaan [huisnummer] (hierna ook: ‘de woning’) te Rotterdam na een bezoek aan de bejaardensoos. Omdat mevrouw [slachtoffer 1] in de dagen erna geen gehoor gaf en de gordijnen van de woning gesloten bleven, is de politie gealarmeerd. Op woensdag 16 augustus 1995 rond 15.15 uur ging de politie de woning binnen en trof aldaar het levenloze lichaam van mevrouw [slachtoffer 1] aan. Uit het sectierapport blijkt dat mevrouw [slachtoffer 1] door geweld om het leven was gebracht. Het intreden van de dood kan worden verklaard door de bij de sectie gebleken letsels aan hoofd, hals en borst, opgeleverd door de inwerking van uitwendig mechanisch geweld.


Bij het onderzoek door de technische recherche in de woning werd onder meer het volgende vastgesteld. Er waren geen sporen van braak. In de gang, vanuit de voordeur links, werd onder de kapstok een bloedvlek met een doorsnede van circa 30 centimeter, een onderkant van het kunstgebit van het slachtoffer en een pepervaatje aangetroffen. Rechts naast de voordeur lag een bril. Links tegen de wand onder de kapstok alsmede op de rechterwand en op de plint aan rechterzijde bevonden zich spatjes bloed. Op de plint aan de linkerkant van de gang werd een bloedveeg aangetroffen. Later is vastgesteld dat alle voornoemde bloedsporen afkomstig waren van mevrouw [slachtoffer 1] . In het tussenkamertje van de woning, dat het verlengde vormt van de gang, werd onder een stapel kleren het lichaam van mevrouw [slachtoffer 1] aangetroffen met een bebloed achterhoofd, liggend op haar buik, de handen en voeten vastgebonden. Om het hoofd van het slachtoffer was een doek gebonden. In de gootsteen van de keuken werd een sigarettenpeuk aangetroffen. In de achterkamer stond op de salontafel een bierpul gevuld met vloeistof, daarin dreef een sigarettenpeuk. Op diverse voorwerpen, die op de vloer in de voorkamer lagen, werden handschoensporen aangetroffen. In de voorkamer trof men een doosje met sigarettenas aan. In de wc lagen fecaliën en op de wc-bril werd een schaamhaar aangetroffen.


Door de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer 1] is onder meer als gestolen opgegeven een bankpas en diverse sieraden, waaronder een horloge met een langwerpige blauwe wijzerplaat en een zilveren schakelband. Met de gestolen bankpas zijn tussen 14 en 17 augustus 1995 bij twee filialen van de VSB-bank in Rotterdam Zuid geldbedragen opgenomen in totaal ten bedrage van fl. 4.975,-.


De aangetroffen sporen van de verdachte


Op de voordeur van de woning aan de Boezemlaan, 3 centimeter onder de voordeurbel, is een duimafdruk van de verdachte aangetroffen (spoor 2). Ook zijn er drie handpalmsporen aangetroffen tegen, vanaf de voordeur bezien, de linkerwand van de gang op een afstand van 100 tot 150 cm vanaf de voordeur en op een hoogte tussen de 65 en 105 cm (sporen 3 tot en met 5). Deze dactyloscopische sporen bleken afkomstig van de verdachte.


Voor zover de verdediging dit betwist, stelt de rechtbank vast dat de in het dossier genoemde sporen 2 tot en met 5 afkomstig zijn van de plaats delict. De forensisch deskundige, dhr. Ing. J.R. ten Hove, heeft ter zitting de foliën getoond van de betreffende sporen. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat op de achterzijde van deze foliën staat vermeld dat deze zijn veiliggesteld/bemonsterd op de Boezemlaan [huisnummer] .


Op de wc-bril is een schaamhaar aangetroffen met een DNA-profiel dat geheel overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte (T18). De rechtbank gaat er om die reden vanuit dat deze haar afkomstig is van de verdachte. Hetzelfde geldt voor het DNA-spoor op de peuk die in de gootsteen van de keuken lag (T19).


De bewijswaarde van deze sporen


Zoals de verdediging heeft betoogd, kan niet worden vastgesteld dat de handpalmsporen van de verdachte in of met bloed waren gezet en evenmin kan de richting van de handpalmsporen of de precieze plek op de handpalm worden vastgesteld van waar deze sporen afkomstig zijn. Echter, dat laat echter onverlet dat wel kan worden vastgesteld dat de verdachte driemaal met zijn handpalm de linkerwand van de gang heeft aangeraakt, waarvan eenmaal op slechts 65 cm hoogte. Deze sporen zijn opvallend. Immers, vastgesteld kan worden dat in datzelfde gangetje fysiek geweld tegen het slachtoffer is gebruikt, gezien onder meer de grote bloedplas aan de (eveneens) linkerzijde van het gangetje en het aantreffen van het kunstgebit van het slachtoffer aldaar.

Bovendien laten deze handpalmsporen zich moeilijk verklaren als de verdachte, zoals hij stelt, uitsluitend in de woning is geweest om van het toilet gebruik te maken. Het ligt niet voor de hand om dan tot driemaal toe met de handpalm de muur aan te raken, zeker niet op slechts 65 cm hoogte.

De verdachte heeft voor de aanwezigheid van zijn handpalmsporen geen verklaring gegeven.


Aangezien er in de verder lege/schone gootsteen van de keuken een peuk is aangetroffen met het DNA van de verdachte, kan worden vastgesteld dat van een enkel toiletbezoek door de verdachte geen sprake is geweest; hij is ook in de keuken geweest. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het aantreffen van deze peuk aldaar. Er is ook een peuk aangetroffen in een bierpul in de woonkamer (T20). De DNA-kenmerken die aanvankelijk zijn onderzocht aan deze peuk passen in het (globale) DNA-profiel zoals dat op de andere peuk en het schaamhaar is aangetroffen Op de sporen T18 en T19 is later een (aanvullend) nieuw DNA-onderzoek gedaan, waarvan de resultaten een DNA-profiel hebben opgeleverd dat identiek is aan dat van de verdachte. Spoor T20 (tweede peuk) bleek niet genoeg DNA-materiaal te bevatten voor een hernieuwd onderzoek. Ook is er as aangetroffen in een doosje in de woonkamer.


Uit het dossier blijkt dat mevrouw [slachtoffer 1] zelf niet rookte, dus deze sporen zullen niet van haar afkomstig zijn. Voorts wordt zij door getuigen omschreven als een vrouw die haar huis opgeruimd hield. Het is derhalve onwaarschijnlijk dat de peuk van de verdachte in de gootsteen lag voordat mevrouw [slachtoffer 1] thuis kwam. Ditzelfde geldt ten aanzien van de schaamhaar op de toiletbril.


De verdachte heeft verklaard dat hij mogelijk in deze woning is geweest om naar de wc te gaan en dat toen hij in de woning was het leek alsof er een bom was ontploft; overal lagen kleren.

Gelet op voornoemde sporen kan vastgesteld worden dát de verdachte in deze woning naar de wc is gegaan. Dat het toen volgens de verdachte een enorme bende was in de woning kan uitsluitend worden verklaard als de verdachte in de woning was toen de beroving van mevrouw [slachtoffer 1] aan de gang was en derhalve niet al eerder op de dag toen zij de bejaardensoos bezocht, zoals de verdediging betoogt. Dat laatste is te meer onwaarschijnlijk omdat er geen sporen van braak zijn aangetroffen, zodat het onduidelijk is hoe de verdachte in dat geval de woning zou moeten zijn binnen gekomen.


De tijdsindicatie van de sporen, te weten de aanwezigheid van de verdachte in de woning tijdens de beroving, en daarmee de bewijswaarde van deze sporen wordt verder geconcretiseerd en verder versterkt doordat naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat de verdachte in elk geval een horloge en een bankpas van mevrouw [slachtoffer 1] heeft gestolen. De rechtbank overweegt ter zake het navolgende.


Het horloge

De oudste zoon van het slachtoffer, [getuige 1] , en zijn echtgenote verklaren op 11 januari 1996 aan de politie dat er onder meer een horloge uit de woning mist. Het betrof een zilveren dameshorloge, onbekend merk, voorzien van een langwerpige blauwkleurige wijzerplaat en met een zilveren schakelarmband, vermoedelijk met een veiligheidssluiting. Zij overhandigen aan de politie een foto van het slachtoffer waarop zij het bedoelde horloge draagt. Op de uitvergroting van deze foto is te zien dat mevrouw [slachtoffer 1] op deze foto een horloge draagt met een blauwe wijzerplaat en een zilverkleurige horlogeband. Dat deze aanvullende opgave door de nabestaanden pas na enkele maanden is gedaan, is, anders dan de verdediging betoogt, naar het oordeel van de rechtbank geenszins opmerkelijk. De nabestaanden geven immers aan dat zij pas eind november 1995 de sleutel van de woning van de politie terugkregen en dat zij nadien de woning zijn gaan ontruimen, waarbij zij konden vaststellen welke goederen uit de woning misten.


Op 21 mei 1997 is de ouderlijke woning van de verdachte te [plaats] (Polen) doorzocht. Er is daarbij onder meer een doorzichtige plastic tas voorzien van een Nederlandse sticker met daarin zilverkleurige sieraden veiliggesteld. De moeder van de verdachte is hierover gehoord. In haar eerste verklaring op 22 mei 1997 heeft zij verklaard dat deze sieraden van de verdachte of van haar andere zoon, [naam broer van verdachte] , zijn. Vast staat dat de broer van de verdachte vanaf 25 juli 1995 in [plaats in Engeland] verbleef en niet meer in Polen is geweest. Het kan dus niet anders zijn dan dat de verdachte de zoon is die het horloge heeft meegenomen naar Polen; het strafbare feit tegen mevrouw [slachtoffer 1] is immers pas in augustus 1995 gepleegd.


De sieraden waarvan de moeder van de verdachte ook in haar tweede verklaring op 23 mei 1997 heeft aangegeven dat deze niet van haar zijn, heeft de verbalisant gefotografeerd op bladnummer 1 (p. 1010). De moeder van de verdachte verklaart hierover (p. 1008): ‘op bladnummer 1 liggen sieraden die ik niet als mijn sieraden herken’. Op voornoemde foto staat in het midden een horloge afgebeeld, met een rechthoekige wijzerplaat en een schakelarmband en betreft het horloge waarvan later een studiofoto is gemaakt.


Als de studiofoto van het in Polen aangetroffen horloge wordt getoond aan de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer 1] , herkennen zij dit als het horloge van hun (schoon)moeder. De omschrijving, die de nabestaanden geruime tijd voorafgaand aan het vinden van het horloge hebben gegeven, past bij de kenmerken van de afbeelding van het horloge op de studiofoto. De rechtbank heeft mede daarom geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van deze herkenning door de twee zoons en de schoondochter van het slachtoffer.


Ter zake van de door de verdediging ter zake overig aangevoerde verweren overweegt de rechtbank het volgende:


  • - Het verweer dat het horloge wellicht door [medeverdachte 1] is achtergelaten in de woning van de ouders van de verdachte, wordt verworpen gelet op de expliciete verklaring van de moeder van de verdachte, zoals hiervoor weergegeven. Zij, noch de vader van de verdachte, verklaren over [medeverdachte 1] , laat staan in concretere zin als iemand die spullen in hun woning zou hebben achtergelaten.
  • - Het verweer dat nu op de studiofoto de wijzerplaat zwart oogt en dat dit horloge derhalve zwart is en aldus niet het horloge van mevrouw [slachtoffer 1] kan zijn, wordt eveneens verworpen. Op de studiofoto (zie o.a. p. 1154, foto 3) oogt de wijzerplaat van het horloge zwart. Echter, op de foto met bladnummer 1 (p. 1010) oogt de kleur van deze zelfde wijzerplaat blauw. Kennelijk is de kleur van de wijzerplaat op de foto’s afhankelijk van de belichting.
  • - Of het horlogemerk Delbana wel of niet een bekend horlogemerk is, is een subjectief gegeven. Dat de zoon en schoondochter van het slachtoffer hebben aangegeven dat het horloge van een onbekend merk was, rechtvaardigt derhalve niet de conclusie dat het in Polen aangetroffen horloge van het merk Delbana niet het horloge van mevrouw [slachtoffer 1] kan zijn.
  • -

Kortom, naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat in de woning van de ouders van de verdachte in Polen het horloge is aangetroffen van mevrouw [slachtoffer 1] en dat de verdachte dit horloge van mevrouw [slachtoffer 1] heeft meegenomen naar Polen.


Bankpas

Bij de overval op mevrouw [slachtoffer 1] is haar bankpas ontvreemd. Met deze bankpas is geld gepind bij twee verschillende filialen van de VSB-bank. Het betrof een groot aantal (22) pintransacties, waarvan een deel mislukte vanwege een foute pincode of onvoldoende saldo en waarbij in totaal in de periode van 14 augustus ’s avonds tot en met 17 augustus 1995 een bedrag van fl. 4.975,- is opgenomen van de bankrekening van mevrouw [slachtoffer 1] .


De VSB-filialen, waar de pintransacties plaatsvonden, waren gelegen op de Beijerlandselaan en op de Pretorialaan. Deze locaties bevinden zich in Rotterdam Zuid. De Boezemlaan is gelegen in Rotterdam Noord. Het bankpasje heeft zich dus op de avond van 14 augustus 1995 naar Rotterdam Zuid verplaatst. Vast staat dat de verdachte in de woning van mevrouw [slachtoffer 1] is geweest. Voorts staat vast dat de verdachte in die periode in Rotterdam Zuid woonde aan de Beijerlandselaan. De verdachte verbleef derhalve in de directe omgeving van de twee, bij herhaling gebruikte, pinlocaties.

Daarnaast staat vast dat de verdachte op 16 augustus 1995 vanaf het postkantoor aan de Beijerlandselaan een bedrag van fl. 1.900,- heeft overgemaakt naar zijn moeder in Polen.


Voor het beschikken over dit aanzienlijke geldbedrag voor een jongen van (toen) 19 jaar zonder vast inkomen heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen aannemelijke verklaring gegeven.

De verdachte verklaart immers dat het geldbedrag van fl. 1.900,- de opbrengst betrof van de verkoop van wiet en paspoorten die hij had gestolen van [naam] , toen bleek dat [naam] spoorloos was verdwenen. Dit zou volgens de verdachte dezelfde [naam] zijn met wie hij eerder in het huis van mevrouw [slachtoffer 1] was geweest. In dat geval zou het kennelijk zo moeten zijn dat [naam] na de overval op 14 augustus 1995 spoorloos was verdwenen zoals de verdachte verklaart. Spoorloos zijn duidt op enig tijdsverloop. Vervolgens zou de verdachte, die verder naar eigen zeggen uitsluitend eerlijk werk verrichtte, paspoorten en wiet die hij bij [naam] had aangetroffen hebben weten te verkopen voor het (aanzienlijke) bedrag van fl. 1.900,-. Dit alles moet dan zijn gebeurd in minder dan twee dagen, want op 16 augustus 1995 heeft de verdachte per postwissel dit bedrag van fl. 1.900,- naar Polen overgemaakt. Opmerkelijk is daarbij dat noch de benedenbuurvrouw noch de huisgenoot van de verdachte, [naam huisgenoot] , hebben verklaard over het bestaan van [naam] , terwijl volgens de verdachte deze [naam] ook in ditzelfde huis aan de Beijerlandselaan woonde. De rechtbank acht deze verklaring van de verdachte derhalve volstrekt ongeloofwaardig.


Voornoemde omstandigheden beziend gaat de rechtbank er vanuit dat de verdachte de bankpas van mevrouw [slachtoffer 1] heeft gestolen, nadat hij haar had overvallen, en dat hij met deze bankpas geld heeft gepind van haar bankrekening.


Alternatieve scenario’s?

De verdediging heeft aangevoerd dat het goed mogelijk is dat mevrouw [slachtoffer 1] niet door de verdachte maar door haar jongste zoon, [derde 2] , en/of door mevrouw [derde 1] is overvallen en/of om het leven is gebracht.


[derde 1]

De politie heeft indertijd de mogelijke betrokkenheid van [derde 1] bij dit feit uitvoerig onderzocht. De politie is met haar gaan rondrijden zodat zij de woning kon aanwijzen waar het incident waarover zij verklaarde zou hebben plaatsgevonden. Er heeft een reconstructie in de woning plaatsgevonden. De woning is onderzocht op sporen van [derde 1] . Voorts is [derde 1] als verdachte vele malen verhoord. Geen van deze onderzoeken heeft enig concreet resultaat opgeleverd.

[derde 1] heeft tal van uiteenlopende verklaringen afgelegd, zowel over de identiteit van de dader, als haar eigen rol en ook over de wijze waarop de oudere vrouw, waarover zij verklaart, zou zijn omgebracht. [derde 1] heeft verklaard dat zij een kopje koffie heeft gedronken met het slachtoffer en dat zij al een keer eerder in de woning was geweest. In de woning zijn echter geen sporen van [derde 1] zijn aangetroffen. Dat zij tijdens dit koffiedrinken handschoenen droeg (nota bene in augustus) acht de rechtbank onwaarschijnlijk.

De gestelde betrokkenheid van [derde 1] bij het onderhavige feit verklaart bovendien geenszins de sporen van de verdachte in de woning en het gegeven dat de verdachte de beschikking heeft gehad over de bankpas en het horloge van mevrouw [slachtoffer 1] . Derhalve is geen sprake van een alternatief scenario waarbij de betrokkenheid van de verdachte wordt uitgesloten.


Daar waar er in de - zeer uiteenlopende - verklaringen van [derde 1] overeenkomsten zijn tussen hetgeen zij heeft verklaard en de feiten in de onderhavige zaak, laat dit zich mogelijk verklaren door de publicatie op 12 oktober 1995 in het tijdschrift Aktueel over de moord op mevrouw [slachtoffer 1] . In dit artikel zijn uitvoerige details opgenomen over deze zaak (zoals waar en bij welke bank er geld is gepind met de bankpas van het slachtoffer, dat dit een paar keer mis ging, dat er geld is achtergelaten in de woning, dat het slachtoffer was vastgebonden aan handen en voeten etc. Ook staan in dit artikel foto’s afgebeeld van het pepervaatje en van het slachtoffer). Dit zijn details waarover [derde 1] heeft verklaard. De politie heeft geconstateerd dat [derde 1] in haar cel het betreffende tijdschriftartikel had liggen. Ook de getuigen, ten overstaan van wie [derde 1] over het ombrengen van een oudere vrouw had verteld, geven aan naar de politie te zijn gestapt naar aanleiding van voornoemd artikel in het tijdschrift Aktueel. Voorts is er een politiebericht geweest en een televisie-uitzending op TV Rijnmond.

Mogelijk zijn details in de verklaringen van zowel [derde 1] als de getuigen ingekleurd door deze informatie uit openbare bron. De verdediging stelt dat dit niet aannemelijk is omdat [derde 1] specifiek verklaart, zoals over de indeling van de woning en haar toiletbezoek. Echter, de indeling van de woning is niet specifiek, want gebruikelijk voor een woning uit de betreffende tijdsperiode. Bij de reconstructie in de woning blijkt onder meer dat [derde 1] niet weet waar de wc is. Ook wijst zij een onjuiste plek aan waar het lichaam van het slachtoffer zou hebben gelegen (opmerkelijk daarbij is dat zij zegt dat dit in de woonkamer was, zoals dit ook vermeld staat in het artikel in Aktueel).

De verdediging heeft nog gewezen op een beeldje met een mandje waarover [derde 1] heeft verklaard dat op de schouw in de woonkamer stond. Echter, een dergelijk poppetje is daar niet aangetroffen. Wel zijn er op een andere plek in de woning, te weten op een kast in de slaapkamer, twee poppetjes met een mandje aangetroffen. Anders dan de verdediging is dit naar de oordeel van de rechtbank onvoldoende specifiek om daar enige reële betekenis aan toe te kennen. Dit geldt temeer in het licht van de talloze details die [derde 1] over de woning heeft gegeven die aantoonbaar onjuist zijn.

Twee punten vallen op in de verklaringen van [derde 1] , respectievelijke de getuige [getuige 2] , die niet in het tijdschriftartikel en evenmin in het politiebericht worden genoemd, te weten dat er een kussen onder het hoofd van het slachtoffer lag en dat het slachtoffer onder een stapel kleren lag. Wellicht is dit [derde 1] respectievelijk [getuige 2] ter ore gekomen tijdens genoemd politieonderzoek, mogelijk is hierover gerept in de uitzending van TV Rijnmond of tijdens het onderzoek door de journalisten, of misschien is dit een toevalligheid.


[derde 2]

Uit het dossier kan worden opgemaakt dat de jongste zoon van mevrouw [slachtoffer 1] , [derde 2] , een gecompliceerde relatie met zijn moeder had. Er was ruzie over geld. [derde 2] was bovendien een alcoholist en kon agressief tegen zijn moeder worden als hij had gedronken. Uit het dossier blijkt echter ook dat [derde 2] regelmatig in de woning van zijn moeder kwam omdat hij boodschappen voor haar deed en klusjes in haar huis verrichte en haar haar knipte. Het is derhalve goed verklaarbaar dat er diverse sporen van [derde 2] in de woning zijn aangetroffen. Anders dan de verdediging stelt, is het scenario waarin [derde 2] de dader is ook geen alternatief scenario. Het biedt immers geen verklaring voor de bewijsmiddelen jegens de verdachte, zoals deze hiervoor zijn genoemd, terwijl er een plausibele andere verklaring is voor de aangetroffen sporen van [derde 2] .


Tot slot: De verdediging betoogt, met verwijzing naar de bevindingen van de forensisch deskundige Ing. J.R, ten Hove, dat het op grond van het sporenbeeld meer voor de hand ligt dat het slachtoffer met haar hoofd in de richting van de deur is gevallen en op het achterhoofd is geslagen in plaats van dat zij is overlopen en de verwonding op haar hoofd is ontstaan door een val. Derhalve moet de dader volgens de verdediging al in de woning zijn geweest toen mevrouw [slachtoffer 1] werd aangevallen. Omdat er bovendien geen sporen van braak zijn, wijst dit op daderschap van de jongste zoon dan wel van mevrouw [derde 1] , aldus de verdediging. [derde 1] heeft immers aangegeven eerst met mevrouw [slachtoffer 1] in de woning een kop koffie te hebben gedronken en de jongste zoon had de sleutel van de woning.

De rechtbank deelt deze conclusie niet. Op basis van het rapport van Van de Goot is niet vast te stellen dat het slachtoffer op het achterhoofd is geslagen, zoals de verdediging betoogt. De deskundige acht dit mogelijk, maar acht een val waarschijnlijker. De precieze toedracht is niet meer vast te stellen. Hieromtrent zijn vele scenario’s denkbaar. Wat wel vaststaat, is de betrokkenheid van de verdachte bij hetgeen zich op die 14 augustus 1995 in de woning aan de Boezemlaan heeft voorgedaan.


Gelet op bovenstaande overwegingen verwerpt de rechtbank de verweren van de raadsvrouw en acht bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.


Uit de beschikbare bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat dit delict is gepleegd door meer dan een persoon. Met name zijn er geen (getuige)verklaringen en/of technische bewijsmiddelen die in een dergelijke richting wijzen en de verdachte werpt ook geen licht op de zaak. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de verdachte het delict alleen heeft gepleegd.


De verdachte heeft zeer fors letsel toegebracht aan het slachtoffer, mevrouw [slachtoffer 1] . Door dit geweld is niet alleen hoofdletsel ontstaan, maar zijn ook de ribben van het slachtoffer gebroken. Ook is bij het slachtoffer haar hals/nek omsnoerd met een doek en verband en/of is op andere wijze (samen)drukkend geweld uitgeoefend op haar keel/hals. Door dit tegen het slachtoffer uitgeoefende geweld zijn in haar halsgebied het strottenhoofd en het tongbeen gebroken.


De patholoog-anatoom heeft in zijn sectieverslag aangegeven dat dit letsel de dood heeft veroorzaakt van [slachtoffer 1] .


De aard en intensiteit van het geweld zijn, naar uiterlijke verschijningsvorm beoordeeld, gericht op en geschikt tot het toebrengen van dodelijk letsel. De verdachte moet dit, als normaal denkend mens, hebben begrepen. In die zin is sprake van opzettelijk handelen gericht op het toebrengen van dodelijk letsel bij het slachtoffer. Voor zover het geweld niet al dadelijk dodelijk is geweest voor het slachtoffer, geldt het navolgende. Het slachtoffer is later aangetroffen, toen zij al enige tijd was overleden. Voor zover de verdachte het slachtoffer niet dood heeft achtergelaten, heeft hij haar zeer ernstig gewond in vastgebonden, hulpeloze, toestand achtergelaten. Ook dan is er opzet op de dood, aangezien niet is gebleken dat hij iets heeft ondernomen om het slachtoffer medisch -of anderszins- te (laten) helpen.


Vanuit de toestand van hetzij toegebracht dodelijk letsel, dan wel later voor het slachtoffer dodelijk gebleken letsel, heeft de verdachte op stelselmatige en grove wijze het huis overhoop gehaald op zoek naar geld, sieraden en/of andere waardevolle goederen. Uiteindelijk zijn een bankpas en sieraden door hem uit de woning meegenomen.


5.3.

Bewijswaardering feit 3 (zaak Akkerwindestraat [huisnummer] Rotterdam)


5.3.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van deze woningoverval dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.


Zij heeft daartoe betoogd - samengevat - dat het in de woning aangetroffen handpalmspoor van de verdachte (D1) geen bewijs oplevert voor de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit. Er is sprake geweest van één dader en niet kan worden uitgesloten dat [medeverdachte 1] (medeverdachte in de zaak Bergselaan) de dader van deze woningoverval is geweest. Bij de overval aan de Bergselaan is immers ook gebruik gemaakt van een stuk gele gordijnstof. Het door aangeefster opgegeven signalement van de dader komt verder niet overeen met het signalement van de verdachte. Er kan ook geen waarde worden gehecht aan het feit dat getuige [getuige 3] , de buurvrouw, bij een foto-confrontatie de verdachte heeft herkend als degene die haar vlak vóór de overval op de Akkerwindestraat heeft aangesproken.


Daarnaast heeft de verdediging gesteld dat de in Polen in de woning van de ouders van de verdachte aangetroffen goederen niet afkomstig zijn uit de woning aan de Akkerwindestraat. Indien de rechtbank daarover anders oordeelt, valt niet uit te sluiten dat deze goederen via [medeverdachte 1] in het huis van de ouders van de verdachte terecht zijn gekomen.


5.3.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.


Op 26 juli 1995 vindt een overval plaats in de woning van het echtpaar [naam slachtoffer 3 en haar echtgenoot] aan de Akkerwindestraat [huisnummer] in Rotterdam. Volgens aangeefster [slachtoffer 3] , op dat moment 75 jaar oud, wordt er die dag rond 16.00 uur aangebeld bij haar woning door een voor haar onbekende man met kort krullend lichtblond haar, leeftijd 20-30 jaar, grijs/blauwe ogen, lengte ongeveer 1.80m. Kort daarvoor heeft deze man haar buurvrouw op straat gesproken. Als mevrouw [slachtoffer 3] de deur voor hem opent, duwt hij de deur helemaal open en stapt hij de hal binnen. Hij slaat haar een paar keer met zijn vuist in haar gezicht, waardoor zij achterover valt, en bindt haar handen en voeten stevig vast met touw. Hij doet een lap gele gordijnstof voor haar mond. Daarna doorzoekt hij de woning en komt hij enige tijd later met gevulde vuilniszakken weer naar beneden. Voordat hij de woning verlaat, neemt hij bij mevrouw [slachtoffer 3] , terwijl zij gekneveld in de hal ligt, haar ringen en horloge af. Mevrouw [slachtoffer 3] blijft achter met een gekneusd jukbeen, een snijwond op haar achterhoofd en bloeduitstortingen en zwellingen boven haar ogen. Zij doet diezelfde avond aangifte van de overval. Bij die aangifte wordt later een “Bijlage gestolen goederen” d.d. 29 juli 1995 gevoegd. Daarin staat dat bepaalde juwelen, bankpasjes en een Philips strijkijzer zijn buitgemaakt bij deze overval.


Forensisch onderzoek wijst uit dat zich in de hal van de woning op het rechter marmerpaneel een handpalmspoor (D1) bevindt. Uit nader onderzoek blijkt dat dit spoor op ten minste 12 punten overeenkomt en geen onverklaarbare verschilpunten vertoont met het dactyloscopisch signalement van de verdachte.


Bij een doorzoeking in de woning van de ouders van de verdachte in [plaats] , Polen, uitgevoerd door de Poolse politie, worden een Nederlands EDAH-pas, een Philips strijkijzer, type Comfort 750, en een doorzichtig plastic zakje aangetroffen waarin zich diverse juwelen bevinden, waaronder een witkleurige metalen ketting met als hangertje een horloge van het merk Indus.


De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte in de woning aan de Akkerwindestraat in Rotterdam is geweest: het handpalmspoor dat in de hal van die woning na de overval is aangetroffen is afkomstig van de verdachte. De kernvraag waarvoor de rechtbank zich geplaatst ziet, is of de aanwezigheid van de verdachte in die woning verband houdt met de overval op mevrouw [slachtoffer 3] . De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daarbij het volgende.


Belastend jegens de verdachte zijn de goederen die in de woning van zijn ouders in [plaats] , Polen zijn aangetroffen, een woning waar de verdachte ook heeft gewoond en nadien heeft verbleven. Het gaat hier om een EDAH-voordeelcard, een Philips strijkijzer en een Indus-horlogeketting. De rechtbank stelt vast dat die goederen, anders dan de verdediging heeft betoogd, zijn buitgemaakt bij de overval op mevrouw [slachtoffer 3] :


- de EDAH-card:In het proces-verbaal van doorzoeking van de Poolse politie van 21 mei 1997 staat vermeld dat in de woonkamer van de ouders van de verdachte een EDAH-pas met nummer “828243” is aangetroffen (p. 939 van het dossier). Bij fax van 5 juni 1997 heeft de Vendex Food Group B.V. de politie meegedeeld dat deze kaart op naam stond van mevrouw [slachtoffer 3] .

Gelet op de bevindingen van de Poolse politie over hetgeen is aangetroffen in de genoemde woning in combinatie met wat daaromtrent is verklaard door de moeder van verdachte acht de rechtbank bewezen dat de EDAH-pas die in Polen is aangetroffen, aan mevrouw [slachtoffer 3] toebehoorde en dus moet zijn buitgemaakt bij de overval. Hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht - dat de kopie van de EDAH-pas die zich in het dossier bevindt niet een kopie is van de kaart die is aangetroffen in Polen, omdat de oorspronkelijke kaart rood van kleur moet zijn geweest - leidt niet tot een ander oordeel. De Poolse politie heeft immers (in elk geval) het kaartnummer van de EDAH-pas in het proces-verbaal genoteerd.


- de Indus-horlogeketting en het Philips strijkijzer:Bij voornoemde doorzoeking is verder een Indus-horlogeketting aangetroffen (p. 940 van het dossier). Een studiofoto van dit horloge bevindt zich op p. 2326 van het dossier (foto 2). Op die studiofoto is een “steentje” bij 12 uur te zien. De moeder van de verdachte heeft tegenover de Poolse politie verklaard dat dit horloge niet van haar is, maar van haar zoons.

De zoon en schoondochter van mevrouw [slachtoffer 3] hebben begin juni 1997 de horlogeketting op de studiofoto (dus mét het steentje bij 12 uur) herkend als het horloge van mevrouw [slachtoffer 3] . Ook mevrouw [slachtoffer 3] zelf heeft de horlogeketting die in Polen is aangetroffen, herkend als haar horloge, toen het haar op 8 juli 1998 door de politie werd getoond. Er is geen enkele aanleiding om aan de juistheid van deze herkenningen te twijfelen, te meer niet nu het dossier ook een foto bevat waarop mevrouw [slachtoffer 3] te zien is met een soortgelijke horlogeketting om haar hals (p. 2326 van het dossier). Het verweer dat op die foto geen steentje bij 12 uur is te zien en het dus niet om een soortgelijk horloge zou gaan, wordt verworpen gelet op de hiervoor genoemde meervoudige herkenning.


Verder is tijdens de doorzoeking in de slaapkamer van de ouders van de verdachte een Philips strijkijzer, type Comfort 750 Electronic, aangetroffen (p. 941 van het dossier). In het dossier bevindt zich een foto van dit strijkijzer (p. 1148). De moeder van de verdachte heeft tegenover de Poolse politie verklaard dat de verdachte en zijn broer dit strijkijzer voor haar uit Engeland of Nederland hebben meegenomen.Mevrouw [slachtoffer 3] heeft in de bijlage bij de aangifte vermeld dat bij de overval een Philips strijkijzer is weggenomen. Het in Polen aangetroffen strijkijzer is aan haar getoond en zij heeft verklaard dat dit strijkijzer op dat van haar lijkt. Verder hebben de zoon, de schoondochter en de dochter van mevrouw [slachtoffer 3] tegenover de politie verklaard dat hun moeder een soortgelijk strijkijzer in haar bezit had.

Voor de rechtbank staat vast dat de in Polen aangetroffen Indus-horlogeketting en het strijkijzer bij de overval op mevrouw [slachtoffer 3] zijn buitgemaakt, en dat het hier niet gaat om soortgelijke goederen met een andere herkomst dan de woning van mevrouw [slachtoffer 3] . Immers, niet alleen worden deze goederen op ondubbelzinnige wijze herkend door het slachtoffer en haar familieleden, maar ook bevinden deze goederen zich in dezelfde woning als de EDAH-pas waarvan onomstotelijk vast staat dat die aan mevrouw [slachtoffer 3] toebehoorde. Het voorgaande geldt eens te meer gelet op de verklaring van de moeder van de verdachte over de herkomst van die goederen.

Dat geen aangifte is gedaan van de diefstal van de EDAH-pas en het horloge, zoals de verdediging heeft bepleit, maakt voorgaande conclusie niet anders. Het is niet aannemelijk dat de bijlage bij de aangifte - die vrij kort na de overval is opgesteld - bedoeld is als een uitputtende lijst van de buitgemaakte goederen. Daarbij heeft de rechtbank tevens betrokken dat het gaat om de herkenning van niet alledaagse voorwerpen die alle zijn buitgemaakt door de dader van de overval.


Gelet op het voorgaande staat vast dat de verdachte in de woning van mevrouw [slachtoffer 3] is geweest én dat bij de overval buitgemaakte goederen bij zijn ouders in Polen zijn aangetroffen. Hiermee komt het handpalmspoor D1 in het licht te staan van de overval en blijkt het een daderspoor. Voor de combinatie van die bevindingen heeft de verdachte immers geen enkele aannemelijke verklaring gegeven:


  • - De verdachte heeft verklaard dat hij destijds wel eens woningen renoveerde en dat het zou kunnen zijn dat hij in dat kader in de woning van mevrouw [slachtoffer 3] is geweest. In deze verklaring ontbreekt elk concreet en verifieerbaar aanknopingspunt om die lezing zelfs maar enigszins te kunnen controleren. Bovendien verklaart deze lezing niet de aanwezigheid van de goederen van het slachtoffer in de woning van zijn ouders in Polen. Deze verklaring van de verdachte wordt dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde geschoven.
  • - Het betoog van de verdediging dat [medeverdachte 1] mogelijk een pakketje met daarin de desbetreffende goederen aan de vader van de verdachte heeft gegeven, wordt om dezelfde redenen verworpen. Ook voor deze lezing is geen enkel aanknopingspunt in het dossier te vinden, ook niet in de verklaring van de vader van de verdachte die hij na de vondst van de aangetroffen goederen heeft afgelegd (p. 971 e.v.). Integendeel zelfs, want de moeder van de verdachte heeft specifiek verklaard dat de Indus-horlogeketting van haar zoons is en dat haar zoons het aangetroffen strijkijzer hebben meegebracht. Nu, zoals eerder ten aanzien van feit 1 (zaak Boezemlaan) is overwogen, de broer van de verdachte vanaf 25 juli 1995 in [plaats in Engeland] verbleef en niet meer in Polen is geweest, is de verdachte dus degene geweest die deze voorwerpen heeft meegenomen naar Polen.
  • -

Het verweer dat in de woning ook andere, niet-geïdentificeerde, dactyloscopische sporen (D2 tot en met D4) zijn aangetroffen die erop wijzen dat er ook een ander in de woning is geweest, doet aan het voorgaande niet af. Die sporen zijn niet zonder meer aan te merken als dadersporen.


Concluderend acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de woningoverval op mevrouw [slachtoffer 3] heeft gepleegd. Het door aangeefster opgegeven signalement leidt niet tot een ander oordeel, nu dat signalement hem zeker niet uitsluit als dader.

De herkenning van de verdachte door de buurvrouw van mevrouw [slachtoffer 3] wordt niet voor het bewijs gebezigd, zodat het verweer dat de verdediging in dat kader heeft opgeworpen, niet behoeft te worden besproken.


5.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1. primair


hij op een tijdstip in de periode van 14 augustus 1995 tot en met 16 augustus 1995 te Rotterdam in een woning gelegen aan de Boezemlaan [huisnummer] opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] ) van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk

- die [slachtoffer 1] verwurgd ten gevolge waarvan het strottenhoofd en het tongbeen van die [slachtoffer 1] zijn gebroken en

- die [slachtoffer 1] met een of meer voorwerp(en) en/of met de hand(en) tegen het hoofd geslagen en/of gestompt waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of waardoor letsel aan het hoofd van die [slachtoffer 1] is ontstaan en

- die [slachtoffer 1] met een of meer voorwerp(en) en/of met de hand(en) en/of voet(en) tegen de ribben geslagen en/of geschopt en/of geduwd en/of gedrukt


tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,


welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit,

te weten diefstal van een bankpas (VSB) en sieraden van die [slachtoffer 1] uit die woning, en

welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;


3.


hij op 26 juli 1995 te Rotterdam in een woning gelegen aan de Akkerwindestraat [huisnummer] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid

sieraden (waaronder drie ringen en twee horloges en een strijkijzer en een of meer bank- en giropassen, toebehorende aan [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het door verdachte

- geven van vuistslagen aan die [slachtoffer 3]

- waardoor die [slachtoffer 3] achterover op de grond is gevallen en

- met een touw knevelen van de handen en de voeten van die [slachtoffer 3] en

- binden van een reep stof voor de mond van die [slachtoffer 3] .


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. primair

doodslag, gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

3.

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen en gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft in een periode van drie weken twee zeer gewelddadige woningovervallen gepleegd, waarvan bij één overval sprake is geweest van een dodelijk slachtoffer.


Bij het onder 1 primair bewezen verklaarde feit, de gekwalificeerde doodslag, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een zeer brute en gewelddadige woningoverval op een 82-jarige vrouw, mevrouw [slachtoffer 1] . Hij heeft haar gekneveld, door de woning gesleept en op zodanig ernstige wijze geweld tegen haar gebruikt dat zij als gevolg van haar verwondingen is overleden. Hij heeft enkel zijn eigen gewin op het oog gehad en heeft zich niet bekommerd om het slachtoffer. Het kan niet anders dan dat mevrouw [slachtoffer 1] (in het geval zij niet meteen is overleden) enorm heeft geleden en in onvoorstelbare angst en paniek heeft verkeerd. Mogelijk was zij toen al stervende, of heeft zij, nadat de verdachte was vertrokken, nog uren in eenzaamheid geleden voordat de dood intrad. Dit betreft een zeer brute, meedogenloze en volkomen zinloze daad. De nabestaanden van het slachtoffer is een groot en onherstelbaar verlies en onnoemelijk veel verdriet toegebracht. De verdachte heeft gedurende het onderzoek niet meegewerkt en geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor deze daad. Daarmee heeft hij de nabestaanden ook in het ongewisse gelaten over de precieze gang van zaken rond de dood van mevrouw [slachtoffer 1] .


Bij het onder 3 bewezen verklaarde feit gaat het ook om een woningoverval. Bij deze overval heeft de verdachte tegenover het slachtoffer, de 75-jarige mevrouw [slachtoffer 3] , fors geweld gebruikt en heeft hij gedurende geruime tijd de woning doorzocht. De verdachte heeft door het plegen van dit feit op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De wijze waarop de overval is gepleegd en de duur van die overval is zeer bedreigend en beangstigend geweest voor het slachtoffer. Zij hield zich blijkens haar eigen verklaring voor dood, uit angst dat de verdachte nog meer geweld tegen haar zou gebruiken. Daarnaast heeft zij twee dagen in het ziekenhuis doorgebracht als gevolg van het letsel dat de verdachte haar heeft toegebracht. Ook met betrekking tot dit feit heeft de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen.


De verdachte heeft met het plegen van deze feiten willekeurige, weerloze en, door hun hoge leeftijd, zeer kwetsbare slachtoffers uitgekozen. Beide slachtoffers zijn overvallen in hun eigen woning, een omgeving waar men zich veilig en beschermd moet kunnen voelen. Dergelijke woningovervallen, zeker indien er sprake is van geweldpleging met een dodelijke afloop, maar ook andere woningovervallen met geweld tegen bewoners schokken de rechtsorde zeer en brengen ook in de samenleving angst en diepe gevoelens van onveiligheid teweeg.


Gekwalificeerde doodslag, zoals onder feit 1 bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. Ook de woningoverval met geweld betreft een zeer ernstig feit, waarvoor het opleggen van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt is.


8.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte


De verdachte is in Engeland bij vonnis van 30 juni 1997 veroordeeld tot tweemaal levenslange gevangenisstraf ter zake van de moord op een bejaard echtpaar en 10 jaar gevangenisstraf voor de beroving van dit echtpaar (diefstal met geweld), gepleegd op 16 juni 1996 in Londen (Engeland). Bij deze levenslange gevangenisstraf geldt dat na afloop van de vastgestelde periode van de gevangenisstraf (‘tariff’) een beslissing kan worden genomen die kan leiden tot de voorwaardelijke vrijlating van de veroordeelde. De verdachte heeft in de periode vanaf juni 1996 tot aan zijn (tijdelijke) overlevering aan Nederland in november 2014 in Engeland in detentie doorgebracht.


De rechtbank is, nu het om een veroordeling in het buitenland gaat en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht daaromtrent niets bepaalt, niet gehouden om met deze veroordeling rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat. De rechtbank ziet daartoe ook geen aanleiding. In het licht daarvan wordt opgemerkt dat, in het geval de in Engeland gepleegde feiten in Nederland aan deze rechtbank zouden zijn voorgelegd en de verdachte daarvoor tegelijk met de thans bewezenverklaarde feiten zou zijn veroordeeld, door de rechtbank in Nederland het opleggen van een levenslange gevangenisstraf als reële optie in overweging zou zijn genomen. Hierbij zij opgemerkt dat volgens het Nederlandse rechtssysteem, anders dan het Engelse, een levenslange gevangenisstraf geen mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidsstelling kent en levenslang derhalve in beginsel ook daadwerkelijk levenslang betekent.


In de door de verdachte ter terechtzitting aangevoerde omstandigheden, onder meer dat hij samen met zijn vriendin in Polen een bestaan wil gaan opbouwen en dat hij tijdens zijn detentie in Engeland veel diploma’s heeft behaald en vaardigheden heeft geleerd die nuttig zijn voor het vinden van werk, ziet de rechtbank geen aanleiding voor matiging van de straf.


Ook de door de verdachte en zijn raadsvrouw genoemde omstandigheid dat hij in Engeland door bewakers in de gevangenis is mishandeld, wordt niet bij het bepalen van de strafmaat in aanmerking genomen, alleen al omdat deze gebeurtenissen zich hebben voorgedaan buiten de Nederlandse rechtssfeer en aan de verdachte in Engeland een schadevergoeding is toegekend.


Wel neemt de rechtbank in enigszins strafmatigende zin in aanmerking dat de verdachte de feiten op jonge leeftijd heeft gepleegd. Hij was toen 19 jaar.


Psychiater J.L.M. Dinjens heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 augustus 2015. Dit rapport houdt - verkort weergegeven - het volgende in. Er kon in het onderhavige onderzoek geen ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling worden vastgesteld. Er kon geen psychiatrische stoornis in engere zin, noch een persoonlijkheidsstoornis worden vastgesteld.

Ook voldoet de verdachte niet aan de criteria voor het stellen van de diagnose psychopathie.

Ook ten tijde van het ten laste gelegde strafbare feit was daarvan geen sprake. Het recidiverisico wordt als “matig” ingeschat. Risicoverhogende factoren zijn het eerder instrumenteel ingezette excessieve geweld, de onthechte interpersoonlijke stijl en vervreemding van de maatschappij, het gebrek aan emotionele diepgang en berouw, het niet nemen van verantwoordelijkheid voor het delict en het gebrek aan inzicht. Anderzijds heeft de verdachte zich tijdens zijn langdurige detentieperiode staande weten te houden en zijn er geen agressieve incidenten geweest.


Klinisch psycholoog drs. B.W. Roelofs-Van Bon heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 22 mei 2015. Dit rapport houdt - verkort weergegeven - het volgende in. Of ten tijde van het ten laste gelegde strafbare feit sprake was van een persoonlijkheidsstoornis en/of problematische persoonlijkheidstrekken of van geen van beide, is onbekend. Er blijken geen aanwijzingen dat destijds sprake was van een psychiatrische stoornis in enge zin. Ook op dit moment kan de psycholoog geen stoornis vaststellen. Omdat de verdachte zijn volwassen leven vrijwel geheel in detentie heeft doorgebracht, is het ook niet mogelijk vast te stellen of betrokkene de problematische aspecten van zijn persoonlijkheid adequaat weet te hanteren in het dagelijks leven en of deze dus een recidiverisico met zich meebrengen. Er is wel sprake van risicofactoren, namelijk de veroordeling in Engeland wegens een ernstig geweldsmisdrijf en het ontbreken van werk, huisvesting en inkomen. Een betrouwbare uitspraak over het recidiverisico kan, gelet op de lange duur van de detentie, echter niet worden gegeven.


De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten. Uit deze rapporten volgt onder meer op dat er geen aanwijzingen zijn voor ontoerekeningsvatbaarheid dan wel verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten. Ook anderszins is niet gebleken van aanwijzingen hiervoor.


8.3.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende reactie is op de bewezen verklaarde feiten. Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

9Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

9.1.

Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij] , wonende te [woonplaats] (de zoon van het slachtoffer [slachtoffer 1] ), ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 7.407,28 aan materiële schade, bestaande uit het bedrag dat met de gestolen bankpas van mevrouw [slachtoffer 1] is opgenomen, ter hoogte van € 2.260,28 (te weten het bedrag van fl. 4.981,- omgerekend naar euro’s) en de uitvaartkosten ter hoogte van € 5.147,- (kosten van een gemiddelde uitvaart, geïndexeerd naar 1995: € 7.000,- : 1,36), beide schadeposten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Tevens is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


9.2.

Beoordeling

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, staat vast dat de benadeelde partij, optredend namens de gezamenlijke erven van het slachtoffer, door het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht.

De verdachte heeft bij de woningoverval, zoals bewezen verklaard, de bankpas van mevrouw [slachtoffer 1] gestolen en daarmee geld opgenomen van de bankrekening van mevrouw [slachtoffer 1] . Ook staat het causaal verband tussen dit strafbare feit en de voor de begrafenis van mevrouw [slachtoffer 1] gemaakte kosten onomstotelijk vast. Op beide punten is de vordering genoegzaam onderbouwd en heeft de verdediging de hoogte van de vordering niet betwist. De vordering wordt daarom in zijn geheel toegewezen, met inbegrip van de gevorderde wettelijke rente. In de vordering is de aanvangsdatum van de wettelijke rente niet aangegeven. De rechtbank kan vaststellen dat de pintransacties plaatsvonden tussen 14 en 17 augustus 1995 en dat de begrafeniskosten ergens in de periode nadien zullen zijn gemaakt. Nu partijen zich hier verder niet over hebben uitgelaten zal de rechtbank de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen op 1 september 1995, te weten een moment waarvan kan worden aangenomen dat de kosten zullen zijn gemaakt en de schade is geleden.


Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


De verdachte dient derhalve aan de benadeelde partij een schadevergoeding te betalen van in totaal € 7.407,28, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 1995 tot aan de dag van de algehele voldoening.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 57, 287, 288, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] , wonende te [woonplaats] , van een bedrag van € 7.407,28 (zegge: zevenduizendvierhonderdzeven euro en achtentwintig cent) aan materiële schade toe en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 september 1995 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 7.407,28, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 1995 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 7.407,28 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 72 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.


Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.I. Mentink, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en B.A. Cnossen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.



Bijlage I


Tekst gewijzigde tenlastelegging


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.


hij

op een tijdstip in of omstreeks de periode van 14 augustus 1995 tot en met 16

augustus 1995 te Rotterdam in/uit een woning gelegen aan de Boezemlaan [huisnummer]

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] ) van

het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- die [slachtoffer 1] verwurgd tengevolge waarvan het strottehoofd en het tongbeen van

die [slachtoffer 1] zijn gebroken en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een of meer voorwerp(en) en/of met

de hand(en) tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of waardoor die [slachtoffer 1]

ten val is gekomen en/of waardoor letsel aan het hoofd van die [slachtoffer 1] is

ontstaan en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer voorwerp(en)

en/of met de hand(en) en/of voet(en) tegen de ribben geslagen en/of geschopt

en/of geduwd en/of gedrukt


tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,


welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit,

te weten diefstal van een bankpas (VSB) en/of een of meer siera(a)d(en) van die [slachtoffer 1] in/uit die woning, en

welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) aan dat feit

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren;


art 288SR


art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht



Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


hij

op een tijdstip in of omstreeks de periode van 14 tot en met 16 augustus 1995

te Rotterdam in een woning gelegen aan de Boezemlaan [huisnummer]

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade en/of al dan niet na kalm

beraad en rustig overleg,

een persoon genaamd [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] ) van het leven

heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk en/of na

kalm beraad en rustig overleg,

- de woning van die [slachtoffer 1] betreden en/of

- die [slachtoffer 1] verwurgd tengevolge waarvan het strottehoofd en het tongbeen van

die [slachtoffer 1] zijn gebroken en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een of meer voorwerp(en) en/of met

de hand(en) tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of waardoor die [slachtoffer 1]

ten val is gekomen en/of waardoor letsel aan het hoofd van die [slachtoffer 1] is

ontstaan en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer voorwerp(en)

en/of met de hand(en) en/of voet(en) tegen de ribben geslagen en/of geschopt

en/of geduwd en/of gedrukt


tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;


en/of



hij

op een tijdstip in of omstreeks de periode van 14 tot en met 16 augustus 1995

te Rotterdam in een woning gelegen aan de Boezemlaan [huisnummer]

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bankpas (VSB) en/of een of meer siera(a)d(en) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] ) in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere

deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het door

verdachte en/of zijn mededader(s)

- binnendringen en/of binnengaan van de woning van die [slachtoffer 1] en/of

- vastpakken en/of op de grond gooien en/of duwen en/of leggen van die [slachtoffer 1]

en/of

- binden van een lap stof voor de mond en/of om de nek van die [slachtoffer 1] en/of

- met een snoer en/of twee, althans een of meer ceintuur(s) knevelen van de

polsen en/of enkels van die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] verwurgen tengevolge waarvan het strottehoofd en het tongbeen van

die [slachtoffer 1] zijn gebroken en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer voorwerp(en) en/of

met de hand(en) tegen het hoofd slaan en/of stompen en/of waardoor die [slachtoffer 1]

ten val is gekomen en/of waardoor letsel aan het hoofd van die [slachtoffer 1] is

ontstaan en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer voorwerp(en) en/of

met de hand(en) en/of voet(en) tegen de ribben slaan en/of schoppen en/of

duwen en/of drukken


en/of welk feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;


art 312 lid 3 SR


art 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht



2.


hij

op of omstreeks 15 juli 1995

te Rotterdam in/uit een woning gelegen aan de Bergselaan [huisnummer]

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid

sieraden (ondermeer vijf, althans een of meer ringen en/of twee, althans een

of meer kettingen) en/of twee horloges en/of een bedrag aan geld (ongeveer fl

2000,=), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] ), in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het door

verdachte en/of zijn mededader(s)

- binnendringen van de woning van die [slachtoffer 2] en/of

- stoppen van een prop in de mond van die [slachtoffer 2] en/of

- vastpakken en/of op de grond gooien van die [slachtoffer 2] en/of

- binden van een lap stof voor de mond van die [slachtoffer 2] en/of

- met een touw knevelen van de polsen van die [slachtoffer 2] en/of

- met een lap stof knevelen van de enkels van die [slachtoffer 2] en/of

- voorover op de grond leggen van die [slachtoffer 2] ;


art 312SR


art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht



3.


hij

op of omstreeks 26 juli 1995

te Rotterdam in een woning gelegen aan de Akkerwindestraat [huisnummer] ,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid

sieraden (waaronder drie, althans een of meer ring(en) en/of twee, althans

een of meer kettingen) twee horloges en/of een strijkijzer en/of een of meer

bank- en/of giropassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] ), in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van

voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit het door verdachte en/of zijn mededader(s)

- geven van een of meer vuistslagen aan die [slachtoffer 3] en/of

- waardoor die [slachtoffer 3] achterover op de grond is gevallen en/of

- met een touw knevelen van de handen en/of de voeten van die [slachtoffer 3]

en/of

- binden van een reep stof voor de mond van die [slachtoffer 3] ;


art 312 SR


art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht