Rechtbank Rotterdam, 09-12-2015 / AWB - 15 _ 2294


ECLI:NL:RBROT:2015:8948

Inhoudsindicatie
Ambtenarenrecht. Strafontslag. Raadplegen van de basisregistratie personen buiten de functiebevoegdheden om en het niet juist registreren van gevonden voorwerpen. Beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-09
Publicatiedatum
2016-01-06
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2294
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2


zaaknummer: ROT 15/2294


uitspraak van de meervoudige kamer van 9 december 2015 in de zaak tussen
[eiser]

gemachtigde: mr. J.P. van Veenendaal,


en


het college van burgemeester en wethouders van Spijkenisse (thans gemeente Nissewaard), verweerder,

gemachtigde: mr. M.C. Berger.



Procesverloop


Bij besluit van 30 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 1 augustus 2014 wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.


Bij besluit van 26 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [a]



Overwegingen


1. Eiser was werkzaam als [functie 1] bij de gemeente Spijkenisse. Daarbij is hem onder meer autorisatie verleend voor raadpleging van de Basisregistratie personen (Brp) (voorheen Gemeentelijke basisadministratie (GBA)) ten behoeve van de taak uitvoering van adresonderzoeken en de taak gevonden en verloren voorwerpen.


1.1.

Uit een steekproef over de periode 1 mei 2014 tot en met 8 juli 2014 is naar voren

gekomen dat van alle raadplegingen die eiser in genoemde periode heeft gedaan in de Brp, er bij achttien raadplegingen geen rechtmatige aanleiding was te vinden. Na deze constatering is er vanuit de afdeling Personeel en Organisatie (P&O) een onderzoek gestart naar eisers handelwijze. Vervolgens is eiser uitgenodigd om een toelichting te geven op de raadplegingen uit de steekproef. Op 23 juli 2014 heeft eiser desgevraagd toegelicht dat het volgens hem in alle gevallen om raadplegingen ging in het kader van zijn functie.

1.2.

Op basis van de door eiser verstrekte informatie is opnieuw gekeken naar deze raadplegingen. In één geval is op basis van de gegeven informatie vastgesteld dat deze raadpleging is te herleiden tot een verloren en gevonden voorwerp. In zes gevallen is geconstateerd dat er een (minimale) aanleiding is om deze raadplegingen als functie gerelateerd te beschouwen. In de andere elf gevallen bleek de door eiser verstrekte informatie niet overeen te stemmen met de resultaten van het onderzoek en was geen functionele aanleiding voor raadpleging van de Brp te vinden.


1.3.

Op 10 september 2014 heeft [b], werkzaam bij verweerder in de functie van [functie 2], aangifte gedaan bij de politie van verduistering (in dienstbetrekking) van een zak sieraden. Verweerder heeft tevens Hoffmann Bedrijfsrecherche (Hoffmann) ingeschakeld.


1.4.

Op 25 september 2014 heeft eiser een gesprek gehad met medewerkers van Hoffmann. Uit het door eiser ondertekende verslag van dit gesprek blijkt onder andere dat eiser inderdaad bewust niet functie gerelateerde raadplegingen heeft gedaan in de Brp. Eiser benoemde een aantal niet-functionele raadplegingen van de Brp die niet uit het onderzoek van de afdeling P&O naar voren waren gekomen. Eiser heeft verklaard de geraadpleegde informatie gebruikt te hebben voor persoonlijke doeleinden, zoals het regelen van privézaken van zijn ouders en het contact leggen met vrouwen die hij had opgemerkt aan de balie van het gemeentehuis. Eiser bleef echter ontkennen dat de uit het onderzoek van P&O benoemde elf raadplegingen niet-functiegerelateerd zijn.

Voorts heeft eiser verklaard dat hij de gouden sieraden die op 20 maart 2014 bij de balie waren ingenomen en die hem op 21 maart 2014 door een medewerker zijn overhandigd opzettelijk niet heeft geregistreerd, terwijl hij wist dat dit wel moest. Eiser heeft verklaard dat hij de sieraden na drie maanden op eigen initiatief heeft weggegooid. Hij heeft geen registratie gedaan van de gevonden gouden sieraden en er geen vernietigingsvoorstel voor gemaakt.


1.5.

De onderzoeksbevindingen zijn voor verweerder aanleiding geweest het voorgenomen besluit te nemen tot het opleggen van een disciplinaire straf. Nadat eiser zijn zienswijze op het voorgenomen besluit naar voren heeft gebracht, heeft verweerder het primaire besluit genomen.


2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, onder verwijzing

naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 16 januari 2015, gehandhaafd. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiser misbruik heeft gemaakt van de aan hem verleende autorisatie voor het gebruik van de Brp door meerdere malen gegevens op te vragen voor privédoeleinden. Voorts heeft eiser bewust niet gehandeld volgens de gebruikelijke procedure voor het registreren van gevonden voorwerpen, waardoor hij niet professioneel heeft gehandeld en de integriteit van de gemeente in het geding komt. Door deze gedragingen heeft eiser zich schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Dit verzuim kan eiser worden toegerekend. Volgens verweerder is het opleggen van een disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag evenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.


3. Eiser voert aan dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Dit

betoog faalt.


3.1.

Op grond van artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/UWO kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, deswege disciplinair worden gestraft.

Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.


3.2.

Het eerst ter zitting door eiser ingenomen standpunt dat niet van de door hem afgelegde verklaring ten overstaan van de medewerkers van Hoffman mag worden uitgegaan omdat hij zich tijdens het gesprek niet goed voelde en hij voorafgaand aan het gesprek meerdere pogingen heeft gedaan om zich ziek te melden, maar dat dit niet door verweerder werd geaccepteerd, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Eiser heeft dit standpunt op geen enkele wijze met schriftelijke bewijsstukken onderbouwd. De medewerkers van Hoffman hebben eiser aan het begin van het gesprek te kennen gegeven dat de medewerking aan het onderzoek op basis van vrijwilligheid plaatsvond, waarna eiser zich bereid heeft verklaard aan het onderzoek mee te werken. Uit het door hem voor akkoord ondertekende gespreksverslag kan niet worden afgeleid dat eiser op enig moment te kennen heeft gegeven niet in staat te zijn de vragen te beantwoorden. Derhalve mocht verweerder van de inhoud van het gespreksverslag van Hoffmann uitgaan.

Eiser kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij niet wist dat hij de Brp niet mocht raadplegen buiten zijn functiebevoegdheden om. Eiser heeft op 18 september 2012 een schriftelijk verzoek tot autorisatie met betrekking tot het gebruik van raadpleegfuncties van het GBA ondertekend waarin is vermeld dat het de aanvrager niet is toegestaan persoonsgegevens voor andere doeleinden te gebruiken dan voor het onderzoek naar adressenbestand. Voorts is op 28 mei 2013 met eiser een beoordelingsgesprek gevoerd. De inhoud van dit gesprek is neergelegd in het beoordelingsverslag. In dit verslag is bij de kerncompetentie Integriteit vermeld dat eiser “de GBA alleen voor zakelijk gebruik mag gebruiken”. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan het raadplegen van de Brp voor niet-zakelijke doeleinden.


3.3.

Eiser heeft voorts niet betwist dat hij de zak met sieraden die op 20 maart 2014 bij de balie is ingeleverd door de politie, niet (op de juiste wijze) heeft geregistreerd.

Eiser kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij niet op de hoogte was van de in het beleid ‘Verloren en gevonden voorwerpen’ opgenomen afspraken dat verloren en gevonden voorwerpen alsmede de vernietiging van niet opgehaalde voorwerpen moeten worden geregistreerd. Tijdens het gesprek met Hoffmann op 25 september 2014 heeft eiser verklaard dat hij alle goederen die hij ontvangt moet registreren, met als doel dat de goederen terug kunnen naar de rechtmatige eigenaar, en dat als de bewaartermijn is verstreken, hij de goederen vernietigt en deze goederen de status vernietigd krijgen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zicht terecht op het standpunt gesteld dat eiser in strijd met het geldende beleid heeft gehandeld door de zak met sieraden niet (juist) te registreren. Dat eiser, naar hij stelt, door drukte is vergeten om de goederen te registreren, is geen rechtvaardiging is voor het niet registreren. Niet valt in te zien waarom hij de sieraden niet later geregistreerd heeft. Voorts wordt eiser niet gevolgd in zijn verklaring dat [c] samen met hem de zak met sieraden heeft weggegooid, nu verweerder onbestreden heeft toegelicht dat [c] tot 31 december 2013 werkzaam was bij de gemeente Spijkenisse, terwijl het incident daarna heeft plaatsgevonden.


3.4.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.


4. Eiser voert aan dat het plichtsverzuim hem niet verweten kan worden gelet op zijn

psychische problemen. Dit betoog faalt.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2010) is bij vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim van belang of betrokkene de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen.


4.2.

Het verslag van het psychiatrisch onderzoek van 9 januari 2015 dat eiser in beroep heeft ingebracht wijst wel op psychische problemen, maar het ondervinden van psychische problemen betekent niet zonder meer dat ook sprake is van een situatie waarin zijn handelen hem niet volledig zou kunnen worden toegerekend. Uit het verslag volgt niet dat het geestelijk functioneren van eiser ten tijde van de verweten gedragingen zodanig verminderd was dat hem de gedragingen niet kunnen worden toegerekend. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat het niet gaat om een eenmalige gedraging, maar om meerdere gedragingen die op verschillende tijdstippen gedurende een langere periode hebben plaatsgevonden. Voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen nader onderzoek in te (doen) stellen naar de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim bestaat dan ook geen grond. Het plichtsverzuim is dus toerekenbaar.


4.3.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden de door eiser gepleegde handelingen heeft aangemerkt als toerekenbaar plichtsverzuim, zodat verweerder bevoegd was eiser een disciplinaire straf op te leggen.


5. Eiser voert aan dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is. Dit betoog

faalt.


5.1.

De rechtbank acht de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijke ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van dit plichtsverzuim. De ten laste gelegde gedragingen kunnen als ernstig worden aangemerkt. De Brp-bevragingen zijn evident in strijd met de afgegeven autorisatie en de overige voorschriften en het vastgestelde plichtsverzuim raakt de kern van eisers functie, die vereist dat hij professioneel en integer omgaat met privacygevoelige informatie. Voorts heeft eiser in strijd met het beleid gouden sieraden niet geregistreerd en zonder vernietigingsrapport vernietigd. Hiermee heeft eiser veroorzaakt dat goederen die mogelijk waardevol waren of een grote emotionele waarde voor iemand hebben, definitief niet meer terugbezorgd kunnen worden. Eiser heeft door dit handelen het vertrouwen van de gemeente verspeeld. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het belang van betrouwbare en integere medewerkers werkzaam bij de gemeente zeer zwaar weegt. Dit belang heeft verweerder kunnen laten prevaleren boven de persoonlijke belangen van eiser bij behoud van zijn functie. Dat eiser een lang en onberispelijk dienstverband heeft en het ontslag grote gevolgen voor hem heeft, maakt dit niet anders, nu eiser door zijn handelen het door verweerder in hem te stellen vertrouwen onherstelbaar heeft beschadigd.


6. Het beroep is ongegrond.


7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzitter, en mr. M.C. Woudstra en mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van mr. S. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.