Rechtbank Rotterdam, 21-12-2015 / AWB - 15 _ 1186


ECLI:NL:RBROT:2015:9267

Inhoudsindicatie
Ambtenarenrecht. Strafontslag. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het op basis van de, afzonderlijk van elkaar afgelegde, verklaringen van twee collega’s aannemelijk is dat eiser op 4 juli 2013 twee pakjes batterijen heeft gepakt uit de kamer van de administratie en die vervolgens in zijn rugzak heeft gestopt en de kamer heeft verlaten. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de door de collega’s afgelegde verklaringen te twijfelen, nu niet is gebleken dat er sprake was van problemen in de bestaande verhoudingen tussen eiser en deze collega’s en eiser niet eenduidig heeft verklaard over wat er volgens hem gebeurd is op 4 juli 2013. Voor de rechtbank is echter niet overtuigend komen vast te staan dat eiser de batterijen heeft gepakt en in zijn rugzak gestopt met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen. De vrijwel gelijkluidende verklaringen van de twee collega’s dat zij hebben gezien dat eiser de batterijen heeft gepakt en in zijn rugzak heeft gestopt, sluiten niet de reële mogelijkheid uit dat eiser deze batterijen niet voor eigen gebruik mee naar huis heeft genomen maar deze, zoals hij in beroep en ter zitting heeft verklaard, in zijn rugzak heeft gestopt om ze vervolgens in zijn werkzaklamp te stoppen die in zijn locker lag een etage lager. Anders dan verweerder meent, kan aan het enkele feit dat eiser steeds wisselend heeft verklaard, niet de conclusie worden verbonden dat eiser de batterijen zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het eiser verweten plichtsverzuim staat derhalve onvoldoende vast. Verweerder was niet bevoegd om eiser disciplinair te straffen. Dat betekent ook dat verweerder niet bevoegd was een ordemaatregel - in de vorm van een buitenfunctiestelling - te treffen. Het beroep is gegrond.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-21
Publicatiedatum
2016-01-06
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1186
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2


zaaknummer: ROT 15/1186


uitspraak van de meervoudige kamer van 21 december 2015 in de zaak tussen
[eiser]

gemachtigde: mr. M.R. Hoendermis,


en


de korpschef van de politie, verweerder,

gemachtigden: mr. M.W. Kolkman en mr. drs. G.E. Treffers.



Procesverloop


Bij besluit van 28 april 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser buiten functie gesteld.


Bij besluit van 26 mei 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag aangezegd met ingang van 6 juni 2014.


Bij besluit van 16 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.



Overwegingen


1. Eiser [geboortedatum]) was sinds 1 november 2008 werkzaam bij verweerder als [functie], bij [bedrijf], in de rang [a]


1.1.

Naar aanleiding van de melding door twee (directe) collega’s van eiser van vermeende diefstal dan wel verduistering van batterijen op 4 juli 2013 en vermeend privégebruik van de dienstfotocamera door eiser, is op 22 oktober 2013 door de bureauchef [b] opdracht gegeven tot het instellen van een intern onderzoek naar eiser. Van dit onderzoek is op 2 januari 2014 rapport uitgebracht door

[c], hoofdinspecteur van politie.


1.2.

Bij het primaire besluit 1 is eiser met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld.


1.3.

Nadat verweerder daartoe zijn voornemen had geuit en eiser zijn zienswijze heeft gegeven, heeft verweerder bij het primaire besluit 2 eiser met ingang van 6 juni 2014 de disciplinair straf van ontslag opgelegd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat eiser tijdens zijn dienst op 4 juli 2013 goederen (batterijen) van de dienst heeft gestolen dan wel verduisterd. Het plegen van een misdrijf van diefstal of verduistering voor een politieambtenaar kan worden aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim. Daaraan doet niet af dat de diefstal dan wel verduistering een voorwerp van geringe waarde betrof.


2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de bezwaaradviescommissie HRM eenheid [d] van 24 oktober 2014, de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd.

Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de buitenfunctiestelling in stand kan blijven, omdat nadat verweerder tot de conclusie was gekomen dat eiser zich schuldig had gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, het treffen van een ordemaatregel gerechtvaardigd was. Er is terecht gekozen voor een buitenfunctiestelling, omdat geconcludeerd was dat het noodzakelijk te stellen vertrouwen in eiser was komen te ontvallen.

Ten aanzien van het strafontslag heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het stelen dan wel verduisteren van goederen van de dienst. Twee collega’s hebben afzonderlijk van elkaar verklaard dat ze hebben waargenomen dat eiser op 4 juli 2013 twee pakjes batterijen in zijn rugzak stopte nadat hij daarvoor met versnelde pas de kamer van de administratie had betreden, waar een voorraadkast staat, en deze kamer ook weer snel lopend had verlaten. Verweerder hecht meer belang aan de verklaringen van de collega’s dan die van eiser, mede gelet op het feit dat eiser wisselend heeft verklaard over wat er op 4 juli 2013 is gebeurd en hij niet kan bewijzen wat hij wel in zijn rugzak heeft gestopt. Aan eiser is derhalve terecht de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.


3. Eiser voert aan dat geen sprake is van plichtsverzuim, omdat hij op 4 juli 2013 geen batterijen heeft gestolen dan wel verduisterd.


3.1.

Dit betoog slaagt. Op grond van artikel 76, eerste lid, van het Barp kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.


Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan als straf ontslag worden opgelegd.


Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) behoort een disciplinair ontslag wegens plichtsverzuim te berusten op een eigenstandige feitenvaststelling door de werkgever. De Raad heeft vaste rechtspraak ontwikkeld ten aanzien van de eisen waaraan die vaststelling moet voldoen (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 maart 2008,ECLI:NL:CRVB:2008:BC7003). Op bedoelde feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat de belangrijkste pijler voor het aan eiser gemaakte verwijt bestaat uit de verklaringen van twee collega’s. Beide collega’s hebben verklaard dat eiser op 4 juli 2013 aan het einde van de werkdag vanuit de kamer van de administratie met twee pakjes batterijen kamer [e] binnenliep, waar zij alle drie hun werkplek hadden, en dat eiser deze batterijen in zijn rugtas stopte. Eiser heeft vervolgens wisselend verklaard over wat er precies is gebeurd, waardoor verweerder de overtuiging heeft gekregen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten gedraging.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het op basis van de, afzonderlijk van elkaar afgelegde, verklaringen van twee collega’s aannemelijk is dat eiser op 4 juli 2013 twee pakjes batterijen heeft gepakt uit de kamer van de administratie en die vervolgens in zijn rugzak heeft gestopt en kamer [e] heeft verlaten. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de door de collega’s afgelegde verklaringen te twijfelen, nu niet is gebleken dat er sprake was van problemen in de bestaande verhoudingen tussen eiser en deze collega’s en eiser niet eenduidig heeft verklaard over wat er volgens hem gebeurd is op 4 juli 2013.

Voor de rechtbank is echter niet overtuigend komen vast te staan dat eiser de batterijen heeft gepakt en in zijn rugzak gestopt met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen. De vrijwel gelijkluidende verklaringen van de twee collega’s dat zij hebben gezien dat eiser de batterijen heeft gepakt en in zijn rugzak heeft gestopt, sluiten niet de reële mogelijkheid uit dat eiser deze batterijen niet voor eigen gebruik mee naar huis heeft genomen maar deze, zoals hij in beroep en ter zitting heeft verklaard, in zijn rugzak heeft gestopt om ze vervolgens in zijn werkzaklamp te stoppen die in zijn locker lag een etage lager. Anders dan verweerder meent, kan aan het enkele feit dat eiser steeds wisselend heeft verklaard, niet de conclusie worden verbonden dat eiser de batterijen zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Het eiser verweten plichtsverzuim staat derhalve onvoldoende vast. Verweerder was niet bevoegd om eiser disciplinair te straffen.


Dat betekent ook dat verweerder niet bevoegd was een ordemaatregel - in de vorm van een buitenfunctiestelling - te treffen.


4. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, het bezwaar van eiser gegrond verklaren, en beide primaire besluiten herroepen.


5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.


6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1). De gemachtigde van eiser heeft op het op 13 oktober 2015 ondertekende formulier proceskosten vermeld dat eiser reiskosten van € 21,12 heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Hiermee komt het totaal te vergoeden bedrag aan proceskosten op € 1.981,12.





Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - verklaart het bezwaar tegen de buitenfunctiestelling en het strafontslag gegrond, herroept beide primaire besluiten en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
  • - bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 167,- vergoedt;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.981,12, te betalen aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzitter, en mr. M.C. Woudstra en mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van mr. S. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.