Rechtbank Rotterdam, 24-12-2015 / ROT 15/8024


ECLI:NL:RBROT:2015:9746

Inhoudsindicatie
Intrekking vuurwerkverkkoopvergunning na Bibob-advies. Er is sprake van een zakelijk samenwerkingsverband met een familielid, die (niet onherroepelijk) veroordeeld is voor het plegen van valsheid in geschrifte, het witwassen van illegaal verdiend geld, illegale handel in vuurwerk en deelname aan een criminele organisatie. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er ernstig gevaar bestaat dat de verleende vuurwerkverkoopvergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Verweerder heeft het algemeen belang om te voorkomen dat de overheid het benutten van uit strafbare feiten verkregen voordelen faciliteert zwaarder mogen laten wegen dan de belangen die verzoekster heeft bij het kunnen behouden van haar vuurwerkverkoopvergunning.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-24
Publicatiedatum
2015-12-28
Zaaknummer
ROT 15/8024
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 15/8024


uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 december 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[verzoekster], te [woonplaats] , verzoekster,

gemachtigde: mr. I.P. Sigmond,


en


de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. R.W. Veldhuis.



Procesverloop


Bij besluit van 17 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bij besluit van 13 november 2013 aan verzoekster verleende vuurwerkverkoopvergunning voor de locatie [adres] te Rotterdam ingetrokken.


Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en [partner] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. M. Tulmans.



Overwegingen


1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.


2. Aan verzoekster was een vuurwerkverkoopvergunning (met daaraan verbonden voorwaarden) verleend voor de duur van vijf jaar. Naar aanleiding van signalen dat verzoekster niet de (volledige) zeggenschap voor het vuurwerkverkooppunt heeft, heeft verweerder op 15 juni 2015 op grond van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen op grond van het Openbaar Bestuur (Wet Bibob) het Landelijk Bureau Bibob (LBB) verzocht om advies met betrekking tot de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Nadat het LBB op 6 november 2015 advies heeft uitgebracht aan verweerder, heeft verweerder bij brief van 12 november 2015 verzoekster meegedeeld voornemens te zijn de aan haar verleende vuurwerkverkoopvergunning in te trekken. Tegen dit voornemen hebben verzoekster en [achterneef] een zienswijze ingediend, waarna op 26 november 2015 een zienswijzegesprek heeft plaatsgevonden, waarbij verzoekster aanwezig was.


3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de geconstateerde feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat een ernstig gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet Bibob en dat hij zich hierdoor genoodzaakt ziet om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat verzoekster en [achterneef] tot elkaar in een zakelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob staan.


4. Verzoekster stelt - samengevat - dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er een zakelijk samenwerkingsverband bestaat tussen haar achterneef [achterneef] , de besloten vennootschap [bedrijf] , sinds 18 november 2015 [nw naam bedrijf] ( [bedrijf] ) en haarzelf, zodat er geen grondslag is voor verweerders conclusie. [achterneef] heeft geen enkele bemoeienis met het bedrijf van verzoekster en er is dan ook sprake van tunnelvisie aan de kant van verweerder. Daarnaast stelt verzoekster dat het belang van verweerder bij de rauwelijkse intrekking van de vuurwerkverkoopvergunning niet opweegt bij het belang van verzoekster om het einde van het jaar vuurwerk te kunnen leveren.


5.1

Op grond van artikel 2:72, eerste lid, van de APV Rotterdam 2012, is het verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van de burgemeester.

Het derde lid, aanhef en onder c, van de APV Rotterdam 2012 bepaalt dat de burgemeester, onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8, de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk kan weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is.


5.2.

Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Het tweede lid bepaalt dat, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Op grond van het vierde lid, aanhef en onder c, staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

Het vijfde lid bepaalt dat de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met de mate van het gevaar en voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.


Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob kan een gemeentelijke vergunning, die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.


6. Gelet op het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter met partijen van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.


7. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:117, moet voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband een zakelijke relatie bestaan die is gericht op samenwerking en een zeker duurzaam en structureel karakter heeft. Daarnaast heeft de Afdeling herhaaldelijk geoordeeld dat de aanwezigheid van een familierelatie in combinatie dat met het gegeven dat allen in dezelfde branche werkzaam zijn, al aanwijzingen zijn voor een mogelijk samenwerkingsverband (zie bijvoorbeeld de uitspraken ECLI:RVS:2007:BB3818 en ECLI:NL:RVS:2006:AX4420).


8. Tussen partijen is niet in geschil dat [achterneef] (niet onherroepelijk) is veroordeeld voor het plegen van valsheid in geschrifte, het witwassen van illegaal verdiend geld, illegale handel in vuurwerk en deelname aan een criminele organisatie en dat hij en zijn bedrijven groot financieel voordeel hebben behaald. In geschil is de vraag of verzoekster in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. Daartoe wordt het volgende overwogen.


9.1.

Vaststaat dat verzoekster, [achterneef] en [dga bedrijf] , eigenaar van de aandelen van [bedrijf] , familie zijn van elkaar en dat verzoekster, [achterneef] en [bedrijf] werkzaam zijn in dezelfde branche, namelijk vuurwerkverkoop. De stelling van verzoekster dat [bedrijf] zich niet bezighoudt met vuurwerkverkoop wordt weersproken door het door verzoekster overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel, waarin bij activiteiten onder meer ‘handel in vuurwerk’ wordt vermeld.


9.2.

Verzoekster heeft de aandelen van [bedrijf] in december 2011 van [achterneef] gekocht voor € 20.000, - en dit bedrag pas betaald nadat zij in januari 2013 de aandelen voor datzelfde bedrag heeft verkocht aan [dga bedrijf] , zijnde de broer van [achterneef] . Hiermee heeft [achterneef] feitelijk verzoekster kapitaal verschaft in een periode dat de strafzaak tegen [achterneef] al aanhangig was. Op grond hiervan kan al worden geconcludeerd dat verzoekster in een zakelijk samenwerkingsverband tot [achterneef] heeft gestaan.


9.3.

Verder huurt verzoekster jaarlijks in de maand december het pand [adres] te Rotterdam, met voorzieningen, van [bedrijf] en betaalt zij de huur van dit pand achteraf, zodat zij met [bedrijf] zakelijke relatie heeft die is gericht op samenwerking en een zeker duurzaam en structureel karakter heeft. [achterneef] gebruikt van [bedrijf] diens domeinnaam en presenteert zich op de website als eigenaar/directeur/verkoop. Gesteld noch gebleken is dat [achterneef] op enig moment de domeinnaam formeel heeft overgenomen, terwijl een domeinnaam waarde vertegenwoordigd in het economisch verkeer. [achterneef] heeft dit ook zelf als reden vermeld om de betreffende domeinnaam te gaan gebruiken. Gelet hierop bestaat ook tussen [achterneef] en [bedrijf] een zakelijke relatie die is gericht op samenwerking en een zeker duurzaam en structureel karakter heeft.


10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er ernstig gevaar bestaat dat de verleende vuurwerkverkoopvergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.


11. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het algemeen belang om te voorkomen dat de overheid het benutten van uit strafbare feiten verkregen voordelen faciliteert zwaarder mogen laten wegen dan de belangen die verzoekster heeft bij het kunnen behouden van haar vuurwerkverkoopvergunning.


12. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.


13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2015.






griffier voorzieningenrechter










Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.