Rechtbank Rotterdam, 22-05-2015 / 3165513


ECLI:NL:RBROT:2015:9749

Inhoudsindicatie
schadevergoeding na verbouwing badkamer; prijs-kwaliteit
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2016-01-11
Zaaknummer
3165513
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3165513 \ CV EXPL 14-29062


uitspraak: 22 mei 2015


vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,


in de zaak van


1 [eiser 1] ,

woonplaats: Hellevoetsluis,

en

2. [eiseres 2],

woonplaats: Hellevoetsluis,

eisers bij exploot van dagvaarding van 11 juni 2014,

gemachtigde: SRK Rechtsbijstand te Rotterdam,


tegen


[gedaagde],

woonplaats: Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.S. Ganeshie.


Partijen zullen hierna worden aangeduid als ‘ [eisers] .’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’.



1Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • - het exploot van dagvaarding van 11 juni 2014, met producties;
  • - het verweerschrift van gedaagde van 18 juni 2014;
  • - het vonnis van 7 juli 2014 waarbij een comparitie is bepaald;
  • - het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 17 oktober 2014;
  • - de akte van eisers van 19 november 2014, met producties;
  • - de akte uitlaten van gedaagde van 17 december 2014;
  • - de akte van eisers van 14 januari 2015, met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De vaststaande feiten

2.1.

In augustus en september 2012 heeft [gedaagde] de badkamer en het toilet van [eisers] . verbouwd met materiaal dat op kosten van [eisers] . is ingekocht. [gedaagde] zou hiervoor een vergoeding krijgen van € 2.000,00. Na uitvoering van de werkzaamheden is nog € 100,00 extra betaald.


2.2.

Op 8 juli 2013 heeft de gemachtigde van [eisers] . een brief gestuurd aan [gedaagde] . Daarin staat onder meer het volgende:


“(…)

Zoals bekend, heeft u met cliënten een overeenkomst gesloten, waarbij u zich heeft verplicht tot renovatie van de badkamer en toilet in het appartement van cliënten. U heeft in augustus en september 2012 werkzaamheden uitgevoerd, echter deze zijn nooit deugdelijk opgeleverd. Cliënten hebben alle overeengekomen kosten voor arbeid en materialen voldaan. Bij de laatste afspraken in de loop van dit jaar bent u zelfs niet komen opdagen (…).

Namens cliënten stel ik vast dat er sprake is van een groot aantal gebreken (…).

Gezien het uitblijven van uw (re)actie mogen cliënten aannemen dat u de klachten niet meer zult verhelpen. U bent dan ook reeds nu in verzuim. Mocht u de gebreken alsnog willen beoordelen en herstellen dan hoor ik dat graag binnen 14 dagen na heden van u.”


2.3.

[gedaagde] heeft in antwoord op deze brief op 13 juli 2013 een mail gestuurd. Hierin staat het volgende:’

“Ik ben apsoluut niet mee eens over deze beschuldigingen, die op een dag zo zijn en op een ander dag anders.

Dit gaat me te ver, daarom hou ik het kort.

Er is nooit een overeenkomst aangesloten (…).”


2.4.

[eisers] . hebben Hanselman Expertises op 15 juli 2012 de opdracht gegeven de gestelde tekortkomingen en schades vast te leggen en tevens de herstelkosten te begroten. In een rapport van 25 juli 2013 staat (onder meer) het volgende:

“Naar onze mening is het overeengekomen bedrag van € 2.000,00 inclusief btw voor het benodigd installatiewerk concurrerend maar eigenlijk als te laag te noemen. Voor dit bedrag zou naar onze mening normaal gesproken dit werk niet uitgevoerd kunnen worden. In deze branche hanteert men doorgaans als vuistregel dat het totaal aan installatiewerk benodigde om sanitair te plaatsen, ongeveer gelijk is aan de waarde van de te plaatsen materialen.

De geconstateerde tekortkomingen zoals door ons vastgesteld, zijn naar onze mening aan te merken als een gebrek of in elk geval onvoldoende vakmanschap. Dit doet niets af aan de gebruikte en (…) ter beschikking gestelde materialen.

Het werk kan naar onze mening niet hersteld worden. Om de toiletruimte en badkamer naar behoren te kunnen realiseren, zullen de te hergebruiken delen met beleid gedemonteerd dienen te worden. (…)

Wij stelden de schade met betrekking tot de toilet en de badkamer als volgt vast:


  • - afdekken woning en slopen badkamer € 2.811,00
  • - aanschaf niet meer te gebruiken materialen € 1.735,00
  • - aanschaf overige materialen zoals lijm, verf, stuc, etc € 1.130,00

Totaal inclusief btw € 5.676,00”


2.5.

Op 1 augustus 2013 heeft de gemachtigde van [eisers] . een brief gestuurd aan [gedaagde] waarin onder meer het volgende staat:


Met verwijzing naar mijn brief d.d. 8 juli jl. zend ik u bijgaand een afschrift van het deskundigenrapport van de ingeschakelde expert. Ik verwijs u kortheidshalve naar de inhoud.


Gezien de conclusies van de expert handhaven cliënten de klachten onverkort. U heeft aangegeven dat u de gebreken niet zal herstellen en bent dan ook in verzuim. Namens cliënten maak ik thans aanspraak op vervangende schadevergoeding ter hoogte van het door de expert geraamde bedrag ad € 5.676,00.


2.6.

Bij mail van 21 augustus 2013 heeft [gedaagde] het volgende aan de gemachtigde van [eisers] . bericht:

“Ik heb op 13 juli 2013 een mail naar u gestuurd, maar u schrijft dat ik niet reageerd. (…)

Ik heb gevraagd of u bewijzen hebt en dat ik dat heb gedaan, zwart op wit, niet woorden of lijst van boos iemand voor de reden wat ook, dat ze in mijn schoenen willen schuiven.

Nogmaals, en voor de laatste maal:

Ik heb geen enkele overeenkomst met [eisers] ondertekend en dat weten ze heel goed.”


2.7.

[eisers] . hebben hun badkamer en toilet in november 2013 geheel opnieuw laten renoveren door Kruithof Onderhoudsbedrijf.


3De vordering

3.1.

[eisers] . hebben bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 7.242,30 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2013, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.


3.2.

[eisers] . leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag. [eisers] . en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] de badkamer en het toilet van [eisers] . zou renoveren. [gedaagde] heeft renovatiewerkzaamheden uitgevoerd, maar het werk is nooit deugdelijk opgeleverd. [eisers] . hebben [gedaagde] gesommeerd de gebreken weg te nemen, maar [gedaagde] heeft dit niet gedaan. [eisers] . hebben [gedaagde] per brief van 1 augustus 2013 laten weten de vordering tot herstel om te zetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding. De schade in verband met de met herstel gemoeide kosten bedraagt € 5.676,00, zoals wordt onderbouwd met een rapport van de deskundige Hanselman Expertises.

De gebreken betreffen het volgende:

  • - plafond is niet goed geverfd en niet op de juiste wijze afgewerkt;
  • - uit de doucheput komt rioollucht naar boven;
  • - douchewand is niet deugdelijk afgekit;
  • - grondtegels zijn niet met goede polish bewerkt;
  • - er komt water uit de verwarmingsbuis van de radiator;
  • - ombouw van het toilet is verkeerd geconstrueerd;
  • - tegels in de doucheruimte zijn verzakt;
  • - doucheruimte is verkeerd gevoegd;
  • - afschot in de douche is verkeerd aangelegd, waardoor water onder de glazen deur door liep;
  • - wasbakje in het toilet is te hoog gemonteerd;
  • - toilet is veel te laag geplaatst;
  • - gehele afwerking is beneden peil.

3.3.

Naast deze hoofdsom van € 5.676,00 vorderen [eisers] . kosten van de expert van € 907,50, de buitengerechtelijke incassokosten van € 658,80 en de wettelijke rente over de hoofdsom van € 5.676,00.

4. Het verweer

4.1.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en concludeert tot afwijzing van de vordering. Tegen de eis voert hij – verkort weergegeven en voor zover van belang – het volgende aan.


4.2.

[gedaagde] heeft de renovatie uitgevoerd als vriendendienst. Van een overeenkomst is geen sprake. [eisers] . wilden niets op papier en wilden ook geen BTW betalen. De werkzaamheden zijn correct uitgevoerd, van gebreken is geen sprake. Alles is in overleg gegaan en conform aanwijzingen van [eisers] . Partijen hebben bijvoorbeeld afgesproken het toilet laag te hangen in verband met de lengte van de kinderen. Bovendien hebben [eisers] . de spullen aangeschaft tegen de laagst mogelijke prijzen. Het waren showroommodellen waar al gebreken in zaten. [eisers] . hebben de klussen zelf gecontroleerd, dus ze hebben geaccepteerd hoe uitvoering is gegeven aan de renovatie.


4.3.

Het schadebedrag is onjuist. Het rapport van Hanselman Expertises gaat eraan voorbij dat er meerdere manieren zijn om een renovatie te doen, voornamelijk als er budgettaire beperkingen zijn of indien de wensen van de opdrachtgever hiertoe aanleiding geven, zoals hier het geval is. Bovendien is het niet opgesteld door een onafhankelijk expert. De foto’s die [eisers] . hebben overgelegd tonen de stand van zaken na een klein jaar intensief gebruik. Deze geven niet de situatie weer ten tijde van de oplevering. Inmiddels is sprake van slijtage en schade die door [eisers] . zelf is veroorzaakt. Verder was de la van de wastafel al kapot, dit was een showroommodel. Daarnaast was het niet noodzakelijk om de gehele badkamer en het toilet opnieuw te laten plaatsen. Bovendien is bij de tweede renovatie veel meer geld uitgegeven en zijn daar werkzaamheden verricht, die gezien het krappe budget van [gedaagde] niet door [gedaagde] zijn gedaan. De kosten hiervan kunnen niet worden afgewenteld op [gedaagde] . Ten slotte wordt betwist dat er niet goed is gekit, dat is namelijk twee keer gedaan.


4.4.

[gedaagde] voert bovendien als verweer dat [eisers] . niet op tijd hebben geklaagd. Op grond van artikel 3:89 BW kunnen ze negen maanden later niet meer klagen over gebreken die ze bij de oplevering reeds hadden moeten ontdekken. [gedaagde] is in zijn belangen geschaad, aangezien hij zich niet meer afdoende kan verweren met betrekking tot de gestelde gebrekkige oplevering. Daarnaast is onvoldoende mogelijkheid gegeven tot herstel. [gedaagde] had afgesproken voor drie zaken nog terug te komen (het corrigeren van het verfwerk van het plafond, het weghalen van de afplaktape en “de staat van de grondtegels”), maar was hiertoe, door persoonlijke omstandigheden, niet in staat.



5De beoordeling

5.1.

Voorop gesteld wordt dat niet kan worden geoordeeld dat er tussen partijen geen sprake is van overeenkomst maar van een vriendendienst, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd. Vaststaat namelijk dat er tussen partijen een prijs is afgesproken en dat deze prijs ook is betaald. Het feit dat de afspraken niet op papier zijn gezet en er geen apart bedrag aan BTW is afgesproken en in rekening is gebracht, maakt niet dat er niet (meer) van een overeenkomst gesproken kan worden. Derhalve moet worden vastgesteld dat er tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk als bedoeld in artikel 7:750 BW is gesloten, nu de afspraken tussen partijen inhielden dat [gedaagde] zich jegens [eisers] . heeft verbonden een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen (de verbouwing van de badkamer en het toilet) tegen een door [eisers] . te betalen prijs (€ 2.000,00).


5.2.

Aan de orde is dan de vraag of [gedaagde] schadevergoeding aan [eisers] . verschuldigd is en zo ja, hoe hoog die schadevergoeding dan is.


5.3.

Teneinde recht op vergoeding van schade te hebben, dient allereerst vast te komen staan dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] . Er is sprake van een tekortkoming indien de verrichte prestatie achterblijft bij hetgeen partijen overeengekomen zijn. Om te kunnen vaststellen wat partijen overeengekomen zijn, zijn alle omstandigheden van het geval van belang.


5.4.

In de onderhavige zaak is van belang dat partijen voor de renovatie van gehele badkamer en het aparte toilet een vergoeding van € 2.000,00 (kennelijk inclusief btw) hebben afgesproken. Zoals ook reeds uit het door [eisers] . overgelegde rapport van Hanselman Expertises blijkt, is dit bedrag aan de zeer lage kant. Als maatstaf wordt gegeven dat het totaal aan installatiewerk benodigd om sanitair te plaatsten ongeveer gelijk is aan de waarde van de te plaatsten materialen, aldus dit rapport. [eisers] . hebben gesteld dat zij ongeveer € 5.000,00 hadden besteed aan materiaal. De met [gedaagde] afgesproken prijs is minder dan de helft van dit bedrag. De geleverde prestatie van [gedaagde] moet dan ook in dit kader beoordeeld worden.


5.5.

De kantonrechter is dan van oordeel dat de door [eisers] . gestelde gebreken die inhouden dat het werk niet perfect is afgeleverd, in de zin van dat de tegels niet in het midden zijn geplaatst, kleurverschillen, niet mooi geverfd en niet mooi gekit geen tekortkoming opleveren. Dit betreft geen gebreken die het functioneren van de badkamer en het toilet belemmeren en voor een dergelijk laag bedrag kan en mag men niet verwachten dat het resultaat is zoals een professioneel vakkundig bedrijf met bijbehorende prijzen dat oplevert.


5.6.

[gedaagde] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verschillende gebreken waar [eisers] . zich thans op beroepen, pas kenbaar zijn gemaakt nadat de werkzaamheden in principe waren afgerond en de badkamer en het toilet in gebruik zijn genomen. Ter comparitie heeft [gedaagde] hierover gezegd dat [eisers] . bij oplevering juist heel tevreden waren met het resultaat van de verbouwing en hem nog € 100,00 extra hebben gegeven. [eiseres 2] heeft tijdens het werk alles nauwlettend in de gaten gehouden en alles is in overleg gegaan. Bij de oplevering hadden ze alleen afgesproken dat [gedaagde] alleen nog wat kleine dingen zou doen. De andere klachten kwamen pas maanden later, aldus nog steeds [gedaagde] . [gedaagde] betoogt dat [eisers] . daarmee in strijd met de klachtplicht van artikel 3:89 BW (bedoeld wordt, zo begrijpt de kantonrechter, artikel 6:89 BW) hebben gehandeld door niet binnen een redelijke termijn na oplevering te klagen.


5.7.

De wetgever ziet artikel 7:758 lid 3 BW, betreffende de décharge van de aannemer bij oplevering, als een uitwerking van het bepaalde in artikel 6:89 BW (rechtsverlies door niet-tijdig protesteren) (zie Kamerstukken II 1992–1993, 23 095, nr. 3, p. 27–29). De kantonrechter zal het beroep van [gedaagde] op artikel 6:89 BW daarom behandelen als een beroep op artikel 7:758 lid 3 BW. Op grond van het bepaalde in artikel 7:758 lid 3 BW is een aannemer ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken.


5.8.

[eisers] . hebben ter comparitie erkend dat de klus aanvankelijk goed uitgevoerd leek, dat ze ook tevreden waren, maar dat er nog een paar kleine dingen gedaan moesten worden. Pas toen [eisers] . derden naar het werk van [gedaagde] hebben laten kijken, bleken de (andere) tekortkomingen. Pas later, in de akte van 14 januari 2015, betogen [eisers] . dat zij, toen ze op 6 september 2012 “afscheid namen”, hebben medegedeeld dat ze nog verre van tevreden waren omdat er nog teveel onafgewerkte punten openstonden. Nu dit standpunt strijdig is met hetgeen [eisers] . ter comparitie hebben verklaard (zoals hiervoor weergegeven), hebben [eisers] . onvoldoende betwist dat zij op het moment van oplevering in principe tevreden waren met het werk van [gedaagde] . Aangezien bovendien tussen partijen vaststaat dat [eisers] . de badkamer en het toilet in gebruik hebben genomen en hadden afgesproken dat [gedaagde] (enkel) terug zou komen om bepaalde punten af te ronden, gaat de kantonrechter ervan uit – gelet op het bepaalde in artikel 7:758 lid 3 BW – dat [gedaagde] is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die [eisers] . op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs hadden moeten ontdekken.


5.9.

Dit betekent dat [gedaagde] op alle punten die [eisers] op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken zoals een te laag geplaatst toilet en te hoog geplaatste wasbak van aansprakelijkheid is ontslagen. Nu ten aanzien van de toiletruimte geen andere gebreken zijn gesteld dan de hierboven onder 5.5 en 5.8 genoemde, betekent dit dat er ten aanzien van de toiletruimte geen grondslag voor schadevergoeding bestaat.


5.10.

Ten aanzien van de overige gestelde gebreken, die alle de badkamer betreffen, wordt als volgt overwogen.

[eisers] . stellen dat het grootste probleem van de badkamer was, dat water bij het douchen niet goed wegliep (onder de glazen douchedeur door de badkamer in) en gebleken is dat het afschot verkeerd is aangelegd en de tegels aan het verzakken waren.

Hierbij is van belang dat [eisers] . hebben gesteld dit meerdere keren met [gedaagde] besproken te hebben en dat [gedaagde] dit probleem zou verhelpen, wat hij geprobeerd heeft met nogmaals kitten en door voor te stellen een richel te maken. Dit laatste is door [gedaagde] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat er van kan worden uitgegaan dat [eisers] . op dit punt tijdig hebben geklaagd.

Nu [eisers] . hun stellingen dat [gedaagde] voorts hebben onderbouwd met het rapport van Hanselman Expertises waaruit blijkt dat de tegels van de vloer niet onder afschot zijn geplaatst en [gedaagde] zoals hierboven reeds is overwogen niet heeft betwist dat het water niet goed werd afgevoerd, wat hij heeft getracht te herstellen met extra kitten, is door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij het afschot verkeerd heeft aangelegd waardoor het douchewater niet juist werd afgevoerd. Iets wat [eisers] ., ook voor de prijs die was afgesproken, naar het oordeel van de kantonrechter wel hadden mogen verwachten. Dit levert naar het oordeel van de kantonrechter dan ook een toerekenbare tekortkoming op.


5.11.

Voorzover [gedaagde] met zijn stelling dat hij onvoldoende mogelijkheid heeft gekregen om die gebreken te herstellen, zich heeft beroepen op artikel 7:759 BW wordt het volgende overwogen. In dit artikel is bepaald dat indien het werk na oplevering gebreken vertoont waarvoor de aannemer aansprakelijk is, de opdrachtgever, tenzij zulks in verband met de omstandigheden niet van hem kan worden gevergd, aan de aannemer de gelegenheid moet geven de gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen, onverminderd de aansprakelijkheid van de aannemer voor schade ten gevolge van de gebrekkige oplevering.


5.12.

Ook ten aanzien hiervan geldt dat [eisers] . onbetwist hebben gesteld dat zij per brief van 8 juli 2013, bedoeld onder punt 2.2 hiervoor, [gedaagde] hebben gesommeerd de gebreken weg te nemen waarbij [gedaagde] een termijn van 14 dagen is gegeven om aan te geven of hij de gebreken wil beoordelen en herstellen. Nu eveneens vaststaat dat [gedaagde] hier niet op in is gegaan, zal de kantonrechter ervan uitgaan dat [gedaagde] voldoende mogelijkheid heeft gekregen tot herstel en kan dit verweer niet slagen.


5.13.

[gedaagde] is ten aanzien van deze tekortkoming om dezelfde reden als genoemd onder 5.12 dan ook in verzuim, hem is de mogelijkheid geboden om de gestelde gebreken, waaronder die ten aanzien van de afvoer van de douche, te beoordelen en te herstellen, maar hieraan heeft hij geen gehoor gegeven.


5.14.

Nu hiermee is vastgesteld dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] ten aanzien waarvan hij in verzuim is, hebben [eisers] . recht op schadevergoeding.


5.15.

[eisers] . hebben bij brief van 1 augustus 2013 aanspraak op vervangende schadevergoeding gemaakt. Dit betekent dat in plaats van nakoming schadevergoeding wordt gevorderd (artikel 6:87 BW). Hierdoor zijn de oorspronkelijke verbintenissen teniet gegaan en is de verbintenis van [gedaagde] omgezet in een verbintenis tot schadevergoeding. De inhoud daarvan is de waarde van de prestatie. De kantonrechter is van oordeel dat de vastgestelde tekortkoming van [gedaagde] deze omzetting rechtvaardigt. In het onderhavige geval betekent dit dat, nu de waarde van de totale oorspronkelijk te leveren prestatie door [gedaagde] zoals door partijen vastgesteld € 2.000,00 is, er een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00 is ontstaan. Nu echter zoals hierboven al is komen vast te staan ten aanzien van de toiletruimte geen tekortkoming kon worden vastgesteld en de kantonrechter het deel dat op de toiletruimte ziet op 20% schat, is de schade in het onderhavige geval € 1.600,00. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.


5.16.

De rente vanaf 15 augustus 2013 over dit bedrag zal als onbetwist worden toegewezen.


5.17.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, nu niet is gebleken dat de werkzaamheden méér hebben omvat dan enige sommaties en de gebruikelijke voorbereiding van de procedure, waarvoor de proceskostenveroordeling mede een vergoeding pleegt te vormen.


5.18.

[eisers] . vorderen ook de kosten van de expert van € 907,50 als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Ook deze kosten zullen worden toegewezen, nu de aansprakelijkheid van [gedaagde] is komen vast te staan en onvoldoende gemotiveerd is betwist dat [eisers] . deze kosten hebben moeten maken en deze ook redelijk zijn, met dien verstande dat ook deze kosten, nu deze ook voor een deel zien op vaststellingen waarvoor geen aansprakelijkheid is vastgesteld, naar redelijk- en evenredigheid (80% en dus € 726,00) zullen worden toegewezen. De rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding nu onvoldoende is gesteld en gebleken dat de kosten reeds op een eerder moment zijn voldaan.


5.19.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.



6De beslissing

De kantonrechter:


6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] . van € 2.326,00 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 15 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening over € 1.600,00 en vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening over € 726,00;


6.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eisers] . tot aan deze uitspraak begroot op € 314,77 aan verschotten en € 450,00 aan salaris voor de gemachtigde;


6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

860/2709