Rechtbank Rotterdam, 24-12-2015 / 488244


ECLI:NL:RBROT:2015:9750

Inhoudsindicatie
Geen enkele grond om aan te nemen dat, zoals de advocaat van de moeder heeft gesteld, de gecertificeerde instelling er een grote zooi van heeft gemaakt en solt met de belangen van de moeder.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-24
Publicatiedatum
2015-12-28
Zaaknummer
488244
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

beschikking



RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd


zaakgegevens: C/10/488244 / JE RK 15-3391

datum uitspraak: 24 december 2015


beschikking verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Rotterdam.


Betreffende de minderjarigen:


[Naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [roepnaam] ,


[Naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [roepnaam] ,


[Naam minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [roepnaam] ,


[Naam minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [roepnaam] en


[Naam minderjarige 5], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [roepnaam] .


De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:


[Naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,


[Naam vader] , vader van [minderjarigen 1, 2 en 3] , hierna te noemen de heer [naam] , wonende te [woonplaats] ,


[Naam vader] , de vader van [minderjarigen 4 en 5] , hierna te noemen de heer [naam] , wonende te [woonplaats] .


Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 2 november 2015, ingekomen bij de griffie op 5 november 2015.


Op 15 december 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [Naam minderjarige 1] , die apart gehoord is,

- [Naam minderjarige 2] , die apart gehoord is,

- de moeder,

- [vader van minderjarigen 4 en 5] ,- de vertegenwoordigsters van de GI, mevrouw [naam] en mevrouw [naam] .


Opgeroepen en niet verschenen is:

- [vader van minderjarigen 1, 2 en 3] .


De feitenHet ouderlijk gezag over [de minderjarigen] wordt uitgeoefend door de ouders.


[Naam minderjarige 2] , [Naam minderjarige 3] , [Naam minderjarige 4] en [Naam minderjarige 5] wonen bij de moeder.


[Naam minderjarige 1] woont bij Prokino, een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.


Bij beschikking van 27 maart 2015 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarigen] verleend tot 27 december 2015.


Bij beschikking van 18 augustus 2015 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [Naam minderjarige 1] in Prokino verleend tot 27 december 2015.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen van [Naam minderjarige 2] , [Naam minderjarige 3] , [Naam minderjarige 4] en [Naam minderjarige 5] voor de duur van één jaar.


De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing bij Prokino van [Naam minderjarige 1] te verlengen tot haar achttiende verjaardag.

Het standpunt van de GI

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd.

Er zijn nog steeds zorgen over de basale verzorging en de behoeften van de kinderen waaraan onvoldoende tegemoet gekomen wordt.

De afgelopen periode hebben zich er diverse escalaties voorgedaan tussen de moeder en [vader van minderjarigen 4 en 5] waar de kinderen getuige van zijn geweest. Hierdoor is het functioneren van het gezin verminderd. De ambulante spoedhulp is ingezet en dat heeft voor een korte periode een positieve wending gegeven aan het functioneren van het gezin, echter deze ingezette positieve lijn is niet vastgehouden. Aan de inhoudelijke hulpverlening is tot op heden weinig toegekomen omdat er diverse spoedeisende incidenten zijn geweest.


Op 20 juli 2015 is er Intensieve Ambulante gezinsondersteuning vanuit het ASVZ gestart, met name voor [Naam minderjarige 3] en op 24 augustus 2015 is [Naam minderjarige 3] begonnen met de naschoolse dagbehandeling. Op 19 augustus 2015 is [Naam minderjarige 1] bij Prokino gaan wonen om begeleid te worden naar zelfstandigheid.


Op 17 september 2015 heeft moeder een klacht ingediend via het AKJ, er heeft een gesprek plaatsgevonden en daarin zijn duidelijke afspraken gemaakt en is de samenwerking tussen de jeugdhulpverlener en de moeder enkele weken beter geweest, maar hierna opnieuw gestagneerd. Op 26 oktober 2015 is de hulpverlening van stichting Pameijer stopt gezet omdat de moeder weigerde haar medewerking te verlenen en adviezen op te volgen.

De scholen van [Naam minderjarige 2] en [Naam minderjarige 3] geven aan achteruitgang te zien in schoolprestaties en geven aan dat de minderjarigen worden buitengesloten door hun onaangename lichaamsgeur. Opvoedondersteuning is hard nodig, maar dat komt niet van de grond. Verder vindt de GI het noodzakelijk dat bij [Naam minderjarige 2] een persoonlijkheidsonderzoek wordt afgenomen.


Het standpunt van de belanghebbenden

Door de raadsman van de moeder is een pleitnota overlegd en bepleit het verzoek van de GI af te wijzen en subsidiair om deze zaak aan te houden en JBRR te verplichten een recent en werkbaar plan van aanpak te laten maken.


De GI wijst met volle macht naar de moeder. De moeder en de [vader van minderjarigen 4 en 5] zouden ruziën in het bijzijn van de kinderen echter is hiervan geen sprake, er zijn discussies over de whatsapp waar de kinderen geen weet van hebben. De moeder staat open voor de hulpverlening en heeft zelf niet in de hand dat hulpverlening tussentijds gestopt wordt omdat de indicatie verlopen is. Binnen het gezin is er nu nog de hulpverlening van het wijkteam en het ASVZ, wat het verzoekschrift dan weer niet vermeldt is dat door het falen van de JBRR de beloofde hulp in de beschikking van 27 maart 2015 niet van de grond komt. Het afgelopen jaar hebben zich bijna 15 verschillende hulpverleners gemeld in het gezin, de moeder wordt hier dan ook, logischerwijs, knettergek van. Doordat er binnen de JBRR niet intern gecommuniceerd wordt, worden beloofde dingen niet nagekomen. Derhalve wordt er dan ook niet gewerkt aan de maandenlang verouderde doelen uit het plan van aanpak.


De JBRR is in de gelegenheid om om de haverklap een andere gezinsvoogd aan te stellen maar de moeder wordt niet in de gelegenheid gesteld een andere gezinsvoogd aan te vragen wanneer er geen klik is. Als dank voor dit hele gebeuren heeft de moeder een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing ontvangen.

Het systeem solt met de moeder, maar ook met haar kinderen en indirect ook met de rechtbank. Want de adequate beloofde hulp van de Raad komt niet van de grond omdat de JBRR en de jeugdzorgketen er omheen er een grote puinhoop van maken. De hulp is dan ook niet adequaat, maar de hulp werkt averechts en contraproductief. Wat uiteindelijk gaat leiden naar een machtiging uithuisplaatsing.


Trek de stekker per direct uit deze ondertoezichtstelling. Deze ondertoezichtstelling gaat moeder en haar kinderen nooit helpen, juist het tegenovergestelde.

De moeder geeft aan graag buiten de ondertoezichtstelling door te willen gaan met de ASVZ. Deze doet ook in ieder geval wat als hulpverlenende instantie en kan wel degelijk ook ambulante hulp voor dit gezin bieden.


De moeder heeft ter zitting medegedeeld dat het gezin door de ondertoezichtstelling uit elkaar gedreven is en dat de [vader van minderjarigen 4 en 5] en zij door de gezinsvoogd tegen elkaar uit gespeeld worden.


Door de [vader van minderjarigen 4 en 5] is ter zitting aangegeven dat de moeder en hij zelf in staat zijn afspraken te maken over de kinderen en dat ook hij van mening is dat de ondertoezichtstelling ervoor gezorgd heeft dat het gezin uiteengevallen is.

De [vader van minderjarigen 4 en 5] heeft tevens verzocht het verzoek van de GI af te wijzen.


De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van de kinderen nog steeds ernstig wordt bedreigd. De belanghebbenden hebben dit ook niet weersproken.


Verder acht de kinderrechter voortzetting van het verblijf van [Naam minderjarige 1] bij Prokino noodzakelijk. [Naam minderjarige 1] heeft ook gezegd hier graag te willen blijven en de ouders stemmen met de plaatsing in.


De moeder stelt, bij monde van haar advocaat, dat de GI en de hulpverlenende instanties

– behalve ASVZ – er een grote puinhoop van maken en dat de door hen aangeboden hulpverlening niet van de grond komt of juist averechts werkt. Volgens de moeder kan zij de noodzakelijk hulp allemaal zelf regelen.


Vast staat dat de hulpverlening voor het gezin stagneert, en dat hierdoor de zorgen omtrent de kinderen enkel zijn toegenomen. De moeder wenst echter geen medewerking te verlenen aan de hulpverlening en begeleiding vanuit de GI, het Wijkteam of stichting Pameijer, terwijl naar het oordeel van de kinderrechter het toezicht en de hulpverlening van deze instanties noodzakelijk zijn om de bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen. Voor zover de moeder heeft gesteld dat de door Pameijer en het Wijkteam ingezette hulpverlening niet juist is, heeft de moeder die stelling niet nader onderbouwd. Evenmin heeft de moeder nader onderbouwd waarom de hulpverlening vanuit deze instanties averechts werkt. Voor zover de aangeboden en ingezette hulpverlening contraproductief werkt, lijkt de oorzaak daarvan vooral gelegen in de weerstand die de moeder heeft tegen de bemoeienis van deze instanties.

De stelling van de moeder dat de hulpverlening door Pameijer buiten haar schuld om is gestopt, omdat er geen indicatie is aangevraagd, miskent die stelling dat er geen indicatie is aangevraagd door Pameijer, omdat er – zoals de GI onweersproken ter zitting heeft gesteld – geen enkele basis meer was voor samenwerking met de moeder.


Gelet op het vorenstaande bestaat er geen enkele grond om aan te nemen dat, zoals de advocaat heeft gesteld, de GI er een grote zooi van heeft gemaakt en dat zij solt met de belangen van de moeder. Dat er vanwege de aard en ernst van de problematiek verschillende instanties bij het gezin zijn betrokken en er – hoe ongelukkig ook – in korte tijd drie jeugdbeschermers betrokken zijn geweest, rechtvaardigt die kwalificatie niet.


De stelling van de moeder dat zij in staat is om zelf de benodigde hulpverlening in te zetten, acht de kinderrechter niet aannemelijk gemaakt. De moeder accepteert op dit moment enkel de hulp van ASVZ, maar deze hulp is ontoereikend om de zorgen omtrent de kinderen weg te nemen. Verder lijkt de moeder veel van haar tijd en energie te steken in de strijd met de verschillende instanties in plaats van haar medewerking te verlenen aan de zorg die nodig is om een uithuisplaatsing van de kinderen te voorkomen. Daarnaast lijken de moeder en de [vader van minderjarigen 4 en 5] ook niet in staat om zelfstandig afspraken te maken over hun kinderen gelet op de vele ruzies die zij gehad hebben en het diepe wantrouwen dat de moeder jegens de [vader van minderjarigen 4 en 5] lijkt te koesteren.


Alles overziend acht de kinderrechter dus nog steeds een ondertoezichtstelling geboden.


Met de moeder stelt de kinderrechter vast dat enkele doelen in het plan van aanpak, vanwege onder meer het vertrek van de [vader van minderjarigen 4 en 5] uit het gezin, verouderd zijn. De kinderrechter ziet echter geen aanleiding om hierom de behandeling van het verzoek aan te houden teneinde de GI in de gelegenheid te stellen de doelstellingen aan te passen. De meeste doelstellingen uit het plan van aanpak zijn immers nog steeds relevant en actueel. Bovendien zijn de meest belangrijke doelen nog eens samengevat in de schriftelijke aanwijzing die de moeder op 7 december 2015 heeft gekregen van de GI.



De beslissing

De kinderrechter:


verlengt de ondertoezichtstelling van [Naam minderjarige 2] , [Naam minderjarige 3] , [Naam minderjarige 3] en [Naam minderjarige 3] tot 27 december 2016;


verlengt de ondertoezichtstelling van [Naam minderjarige 1] tot 17 januari 2016;


verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [Naam minderjarige 1] bij Prokino tot 17 januari 2016;


verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mr. J. de Gans, kinderrechter, in tegenwoordigheid van R.J.H. Mac Mootry als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2015.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.