Rechtbank Rotterdam, 16-07-2015 / 10/711133-11


ECLI:NL:RBROT:2015:9917

Inhoudsindicatie
Publicatie op verzoek Voorwaardelijke beëindiging PIJ-maatregel. Artikel 77tb WvSr. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2015:9916
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-07-16
Publicatiedatum
2016-02-24
Zaaknummer
10/711133-11
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/711133-11

Datum uitspraak: 16 juli 2015

BESCHIKKING


van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement, welke de officier van justitie in raadkamer heeft gewijzigd, met betrekking tot:



[Naam veroordeelde], hierna te noemen de veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres,

[BRP adres] ,

thans feitelijk verblijvende op het adres:

[adres] ,

raadsvrouw mr. G.M. van der Ent, advocaat te Rotterdam.


PROCEDURE


Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 16 februari 2012, is aan de veroordeelde ter zake van meerdere gekwalificeerde diefstallen, een poging daartoe, wederspannigheid, openlijke geweldpleging en schuldheling opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De rechtbank heeft in genoemd vonnis geoordeeld dat de per

1 juli 2011 geldende wetgeving van toepassing is.


Bij beslissing van deze rechtbank van 21 oktober 2014 werd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen verlengd met acht maanden.


Op 22 juni 2015 is op de griffie van de rechtbank binnengekomen de vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.


De behandeling van de zaak heeft in beslotenheid plaatsgevonden in raadkamer van 2 juli 2015. De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer, de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw voornoemd, de vader van de veroordeelde, mevrouw [naam] , werkzaam bij Reclassering Nederland en de heer [naam] , mentor van de verdachte van JeugdPlusJeugd,zijn gehoord.


De officier van justitie heeft tijdens het onderzoek in raadkamer zijn vordering mondeling gewijzigd in die zin dat de hij thans vordert de onvoorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De veroordeelde en de raadsvrouw hebben ingestemd met deze gewijzigde vordering.



BEVOEGDHEID


De rechtbank is bevoegd van de vordering kennis te nemen, aangezien zij in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is gelast.



ONTVANKELIJKHEID


Het openbaar ministerie kan worden ontvangen in zijn vordering, nu deze niet eerder dan na drie maanden en ten hoogste na zes maanden nadat de maatregel voorwaardelijk werd beëindigd, is ingediend.



BEOORDELING


De officier van justitie heeft tijdens het onderzoek in raadkamer zijn vordering mondeling gewijzigd in die zin dat de hij thans vordert de voorwaardelijke beëindiging om te zetten in een onvoorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (verder: PIJ-maatregel). De officier van justitie acht een voorwaardelijke beëindiging thans niet meer opportuun, nu de begeleiding van de veroordeelde door Reclassering Nederland en JeugdPlusJeugd in het kader van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie kan worden gerealiseerd.


Op grond van de informatie uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde thans bezig is zijn leven op te pakken en vorm te geven. Hij woont zelfstandig, hij kan in september starten met een opleiding (Albeda) en wordt begeleid door Reclassering Nederland en JeugdPlusJeugd, waar hij veel steun van heeft. Gelet op het op 1 juli 2011 geldende en op de onderhavige zaak van toepassing zijnde artikel 77tb, derde lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechtbank de voorwaardelijke beëindiging omzetten in een onvoorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel. De rechtbank acht het weliswaar nog noodzakelijk dat de huidige begeleiding van de veroordeelde wordt gecontinueerd, maar dat gebeurt doordat bij afzonderlijke uitspraak van heden de bijzondere voorwaarden die zijn verbonden aan de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zijn aangepast, waaraan de veroordeelde zich nog gedurende de resterende proeftijd heeft te houden.

De vordering tot onvoorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt dan ook toegewezen.



BESLISSING


De rechtbank


wijst toe de vordering tot onvoorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, opgelegd aan [Naam veroordeelde] voornoemd.





Deze beslissing is genomen door

mr. P.L. van Dijke, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. S.C.C. Hes-Bakkeren en J. uit Beijerse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.K. van Dijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2015


De oudste en jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.








Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na dagtekening en de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan hoger beroep instellen bij het Gerechtshof te Arnhem.