Rechtbank Oost-Brabant, 26-03-2019 / SHE 19/333


ECLI:NL:RBOBR:2019:1667

Inhoudsindicatie
Vernietiging omgevingsvergunning Dakar Pre proloog. De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning voor de Dakar Pre proloog op het Eurocircuit. De rechtbank is van oordeel dat de verkeerde procedure is gevolgd. Gelet op de omvang van de Dakar Pre-proloog en het aantal bezoekers had verweerder meer aandacht moeten besteden aan landschappelijke inpasbaarheid, zorgvuldig ruimtegebruik en de manier waarop rekening wordt gehouden met de bodemkwaliteit, waterhuishouding en de ecologische, aardkundige en landschappelijke waarden. Verweerder had de mogelijke effecten van de grondwerkzaamheden in verband met het gereed maken van de circuits voor de Pre proloog in relatie tot de mogelijke verontreiniging van de bodem onder beide circuits (die liggen op een voormalige stortplaats) beter moeten onderzoeken. ). De rechtbank ziet niet in hoe verweerder denkt met uitsluitend een omgevingsvergunning voor het toestaan van strijdig gebruik met het bestemmingsplan, de voorschriften van de destijds verleende Hinderwetvergunningen buiten toepassing te verklaren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zal verweerder moeten motiveren of aan de geluidsvoorschriften in de Hinderwetvergunningen wordt voldaan. Verweerder moet een nieuw besluit gaan nemen.
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2019-03-26
Publicatiedatum
2019-03-26
Zaaknummer
SHE 19/333
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • OGR-Updates.nl 2019-0059
  • JNA 2019/21 met annotatie van Meijden, D. van der
  • JNA 2019/17 met annotatie van Meijden, D. van der
Uitspraak RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch


Bestuursrecht


zaaknummer: SHE 19/333


uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2019 in de zaak tussen

Vereniging Groen en Heem Valkenswaard e.o., [eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: [naam] ),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard, verweerder

(gemachtigden: E.L.A. Kramer en H.J.M. Marcus).


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Exploitatie Eurocircuit (vergunninghoudster), te Eersel, gemachtigde: [naam] .


Procesverloop


Op 10 oktober 2018 heeft verweerder een omgevingsvergunning (het bestreden besluit) verleend voor het houden van de jaarlijkse Dakar Pre-proloog voor één dag op het Eurocircuit te Valkenswaard.

Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt. Partijen hebben ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarna verweerder het bezwaarschrift heeft doorgezonden naar de rechtbank.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


De zaak is behandeld op 22 februari 2019, gelijktijdig met de zaken SHE 18/1540, SHE 18/3201, 19/335, SHE 19/336 en SHE 19/408. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster is de gemachtigde verschenen.



Overwegingen


Inleiding

In deze uitspraak wordt eerst een overzicht gegeven van de feiten. Daarna wordt ingegaan op de vraag of de Vereniging Groen en Heem Valkenswaard e.o. (de vereniging) beroep kan instellen. Dan worden de beroepsgronden van eisers één voor één behandeld.


Feiten

1.1

Het Eurocircuit aan de Victoriedijk te Valkenswaard ligt nabij de voormalige vuilstort aan de Victoriedijk op het perceel, plaatselijk bekend als de Victoriedijk 6 te Valkenswaard, kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie H, nummer 275 (verder: de projectlocatie).

Op 31 augustus 1993 heeft verweerder ten behoeve van de inrichting van het Eurocircuit op grond van de toenmalige Hinderwet aan de Nederlandse Rallycross Vereniging een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting tot het beoefenen van de autorallysport op het autorally-sportcircuit op de locatie aan de Victoriedijk, kadastraal bekend als gemeente Valkenswaard, sectie H, nummer 26. De inrichting waarvoor zij vergunning heeft, is de asfaltbaan met bijbehorende voorzieningen. Deze vergunning is bij besluit van 15 juni 1999 voor de laatste keer gewijzigd.

Op dezelfde datum heeft verweerder aan Motorsportvereniging Valkenswaard een Hinderwetvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting tot het beoefenen van de motorsport op het motorsportcircuit op deze locatie. Deze vergunning ziet op de zandbaan met bijbehorende voorzieningen. Beide vergunningen zijn gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


1.2

Ter plaatse van de twee circuits geldt het bestemmingsplan “Buitengebied 1977”, dat op 26 juni 1986 onherroepelijk is geworden. Op de gronden rusten de bestemmingen “crossterrein” (artikel 34 van de planregels), “voorlopig zandwinning/vuilstort; definitief crossterrein” (artikel 35) en “voorlopig zandwinning/vuilstort; definitief bos” (artikel 36).


1.3

Eisers wonen in de directe omgeving van de beide circuits.


1.4

Sinds een aantal jaren wordt op het Eurocircuit en het motorcrossterrein de Dakar Pre-proloog gehouden. Tijdens dit evenement worden de Nederlandse deelnemers aan de Dakar Rally aan de media en het publiek voorgesteld. Deelnemers geven demonstraties en rijden voorstellingsronden. De deelnemende motoren, quads, auto’s en trucks komen in actie op een baan uitgezet op de terreinen van de motorsportvereniging en de rallycrossvereniging. Er komen jaarlijks circa 20.000 bezoekers op af. Het evenement wordt dit jaar gehouden op 27 oktober 2019.


1.5

Op 13 september 2018 heeft vergunninghoudster een aanvraag bij verweerder ingediend voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ voor het tijdelijk afwijkend gebruik voor één dag van de gronden gelegen op en rond het Eurocircuit en het aangrenzend motorcrossterrein van de Motorsportvereniging Valkenswaard (MSV) ten behoeve van de Dakar Pre-proloog. Bij de aanvraag heeft vergunninghoudster een ruimtelijke onderbouwing gevoegd, opgemaakt door Peutz B.V. van 29 augustus 2018 (de ruimtelijke onderbouwing). De ruimtelijke onderbouwing geeft een beschrijving van het evenement. Dit begint om 8.30 uur en eindigt rond 16.00 uur. Het evenement wordt aangevuld met onder andere attracties, horeca, muziekoptredens, en andere publieksactiviteiten zoals taxiritten en skelter- of quadrijden voor kinderen. Op het terrein zullen hiervoor een aantal tenten opgesteld staan en zullen horecavoorzieningen opgesteld worden. Op de weilanden rondom de circuits worden parkeerplaatsen ingericht. Het afwijkend gebruik waarvoor de aanvraag is gedaan, ziet op het gebruik op de gronden van het Eurocircuit en van het motorcrossterrein, maar ook op de gronden waar de parkeervoorzieningen komen.


1.6

Eisers hebben in het verleden meerdere verzoeken om handhaving ingediend, ook op 9 november 2015. Dit heeft geleid tot een procedure die is geëindigd met een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 oktober 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:3444). In de uitspraak heeft de Afdeling onder meer geoordeeld dat het gebruik vanwege de Dakar Pre-proloog van beide circuits in strijd is met het bestemmingsplan en dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het strijdige gebruik wat de aard en intensiteit betreft, onder het overgangsrecht valt. Alleen al vanwege evenementen als de Dakar Pre-proloog kan daarom geen beroep op het overgangsrecht worden gedaan. De Afdeling heeft ook geoordeeld dat bij evenementen als de Dakar Pre-proloog met motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen gebruik wordt gemaakt van de beide circuits. Dit zijn reguliere activiteiten van de inrichtingen. Dat daarbij beide circuits worden gebruikt, maakt volgens de Afdeling niet dat de in de omgevingsvergunningen ter bescherming van het milieu opgenomen voorschriften buiten toepassing moeten blijven.


1.7

Er heeft een ontwerpbestemmingsplan ”Eurocircuit” ter inzage gelegen. Het bestemmingsplan zal in april 2019 in de gemeenteraad van Valkenswaard worden behandeld. Hiervoor is bovendien een ontwerp milieueffectrapportage naar de Commissie MER gestuurd. In het ontwerpbestemmingsplan wordt ook het testen van voertuigen voor de Dakar Rally positief bestemd gedurende 2 dagen per jaar (5 uur per dag) in de periode vanaf juli tot het evenement. Verweerder kon ter zitting niet aangeven of hiermee was bedoeld de Dakar Pre- proloog positief te bestemmen.


Is de vereniging belanghebbende?

2.1

Verweerder stelt dat de vereniging de laatste tijd te weinig feitelijke werkzaamheden heeft ontplooid om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. De vereniging richt zich volgens verweerder uitsluitend op procedures rond het Eurocircuit.


2.2

De rechtbank stelt voorop dat de vereniging in de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling als belanghebbende is aangemerkt. Niet in geschil is dat de statutaire belangen van de vereniging feitelijk door het besluit worden geraakt. De vereniging ontplooit ook meerdere feitelijke werkzaamheden ter behartiging van haar werkzaamheden. Op de website van de vereniging worden informatieavonden, cultuurhistorische wandelingen en natuurwandelingen genoemd die hebben plaatsgevonden voordat de vereniging beroep instelde en een informatiebulletin. Daarnaast voert de vereniging meerdere procedures naast de procedures tegen het Eurocircuit, waaronder een procedure tegen het Natura 2000 beheerplan Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (zie de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6396). De rechtbank merkt de vereniging daarom als belanghebbende aan.


Behandeling beroepsgronden

3.1

Eisers stellen dat verweerder niet bevoegd was een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het evenement vindt al meer dan 10 jaar plaats. Bovendien strekt het evenement tot wijziging of uitbreiding van een permanente racebaan. Deze activiteit staat vermeld in artikel D.43 van bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Op basis van artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor is verweerder daarom niet bevoegd.


3.2

Verweerder benadrukt dat maar tijdelijk (voor één dag) vergunning is aangevraagd. Van een permanente wijziging is geen sprake. Volgens verweerder biedt artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor hiervoor de mogelijkheid. Er wordt gebruik gemaakt van de circuits, zoals ze er nu feitelijk liggen. Dat is weliswaar in strijd met het bestemmingsplan, maar daarvoor wordt juist vergunning verleend.

3.3

Vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij ongeveer een week bezig is met de inrichting van de circuits en omliggende terreinen voor het evenement. Ook de afbraak kost ongeveer een week.


3.4

De Afdeling heeft overwogen in de uitspraken van 16 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2212) en 27 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3566) dat de termijn van tien jaar aanvangt bij de eerste verlening van een tijdelijke vergunning voor het strijdige gebruik. Dat de Dakar Pre-proloog al een aantal jaar wordt gehouden, wil niet zeggen dat de termijn van tien jaar al is aangevangen.


3.5

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit voorziet in een opheffing van de strijd met het bestemmingsplan gedurende één dag. Verweerder lijkt over het hoofd te hebben gezien dat ook de opbouw en afbraak van de circuits leidt tot gebruik van de betreffende gronden in strijd met de bestemming. Het had in de rede gelegen om vergunninghoudster er op te attenderen dat de aanvraag deze strijdigheid niet geheel opheft.


3.6

Artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor is per 1 november 2014 opgenomen in het Bor om te voorkomen dat activiteiten die mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn, met een reguliere procedure kunnen worden vergund (zie de toelichting in Stb. 2014, 333.) In Bijlage D.43 van het Besluit m.e.r wordt als mer-beoordelingsplichtige activiteit aangewezen de aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen. Is de in het bestreden besluit vergunde Dakar Pre-proloog een dergelijke activiteit? De Dakar Pre-proloog zal gebruik maken van de circuits zoals ze er al jaren liggen. Feitelijk verandert er niets en is er dus geen feitelijke wijziging van een racecircuit. Het motorcrossterrein ligt deels op gronden binnen de bestemming “Voorlopige zandwinning/vuilstort/definitief bos” en is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Zoals hierboven aangegeven staat in rechte vast dat ten behoeve van de Dakar Pre-proloog geen beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht. Als gevolg van het bestreden besluit wordt gedurende één dag het strijdige planologische gebruik van deze gronden planologisch toegelaten. Planologisch is er wel een wijziging van de circuits. Volgens de rechtbank moet geen waarde worden gehecht aan de feitelijke omstandigheden, maar moet worden gekeken naar wat er planologisch gebeurt. Een andere lezing van artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor zou kunnen betekenen dat feitelijk illegaal handelen dat wordt gelegaliseerd, aan de mer-beoordelingsplicht wordt onttrokken. Dat zou de uitzondering van artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor inhoudsloos maken. In dit geval wordt een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan resulterend in een tijdelijke wijziging van een reeds aanwezige permanente racebaan mogelijk gemaakt. Is dat een wijziging van een permanent circuit? De rechtbank denkt van wel. Uit Bijlage D.43 van het Besluit m.e.r kan niet worden afgeleid dat het moet gaan om permanente wijzingen van de permanente racebaan. Anders zou artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor aan waarde inboeten. Het is juist de bedoeling van dit artikel om de bevoegdheid ingevolge artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor te beperken. De rechtbank kan er ook niet aan voorbij gaan dat het kennelijk niet verweerders bedoeling is dat de circuits, voor zover deze er feitelijk liggen in strijd met het bestemmingsplan, na iedere Dakar Pre-proloog in de oorspronkelijke planologisch toegelaten staat worden gebracht. Verweerder heeft hierover in het bestreden besluit niets bepaald. Tot slot valt het op dat voor het bestemmingsplan dat onder meer beoogt (ogenschijnlijk) dezelfde Dakar Pre-proloog positief te bestemmen maar verder de circuits, zoals ze feitelijk liggen, positief wil bestemmen, toch een milieueffectrapportage wordt gemaakt. Al met al is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om een vergunning met toepassing van artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor te verlenen. De beroepsgrond slaagt.


4.1

Volgens eisers is de Dakar Pre-proloog in strijd met de Structuurvisie Valkenswaard van 2 juli 2012 en artikel 7.17 van de Verordening Ruimte Noord-Brabant (VrNB). Het gebied is op de structurenkaart aangewezen als “Kerngebied groenblauw’, ‘Groenblauwe mantel’ en deels als ‘Gemengd landelijk gebied’. Voor de groenblauwe structuur is het behouden en ontwikkelen van de natuurwaarden in en buiten natuurgebieden van belang. Er wordt niet voldaan aan de spelregels van het natuurnetwerk Brabant (NNB), het “nee-tenzij”-regime. Het voorgaande brengt met zich dat de Dakar Pre-proloog de landschappelijke en natuurwaarden aantast zodat deze in strijd is met de structuurvisie.


4.2

Verweerder beschouwt de ruimtelijke onderbouwing als een deskundigenrapport en stelt dat eisers geen deskundig tegenadvies hebben overlegd. In paragraaf 3.3.2 van de ruimtelijke onderbouwing staat dat het tijdelijke karakter van de vergunning meebrengt dat de activiteit geen belemmeringen opwerpt voor de structuurvisie. Het ‘nee-tenzij’-regime ex artikel 2.10.4 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de VrNB zijn niet van toepassing op omgevingsvergunningen die zijn verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder 1, sub 2, van de Wabo.


4.3

Verweerder merkt volgens de rechtbank terecht op dat de VrNB niet rechtstreeks van toepassing is op omgevingsvergunningen die zijn verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder 1, sub 2, van de Wabo. Overigens is de VrNB door artikel 2, eerste lid onder c, van de VrNB in samenhang met artikel 2.10.4 van het Barro wel van toepassing op omgevingsvergunningen die zijn verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder 1, sub 3, van de Wabo (de procedure die verweerder had moeten voeren gelet op hetgeen hierboven is geoordeeld). Verweerder miskent echter dat ook een omgevingsvergunning die is verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder 1, sub 2, van de Wabo in overeenstemming moet zijn met een goede ruimtelijke ordening. In dit verband zal verweerder moeten verantwoorden dat wordt voldaan aan de gedachte achter de in artikel 7.17 verboden uitbreiding van lawaaisporten. Verweerder heeft, door slechts te benadrukken dat het gaat om een tijdelijke activiteit, onvoldoende gemotiveerd hoe wordt voldaan aan de in artikel 3.1 van de VrNB opgenomen zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Gelet op de omvang van de Dakar Pre-proloog en het aantal bezoekers, kan verweerder niet volstaan met een verwijzing naar het tijdelijke karakter van de Dakar Pre-proloog, maar had verweerder aandacht moeten besteden aan landschappelijke inpasbaarheid, zorgvuldig ruimtegebruik en de manier waarop rekening wordt gehouden met de bodemkwaliteit, waterhuishouding en de ecologische, aardkundige en landschappelijke waarden. Verweerders opmerking dat eisers de juistheid van de ruimtelijke onderbouwing niet voldoende hebben betwist door overlegging van een contra-expertise kan de rechtbank niet plaatsen. Verweerder miskent dat het zijn plicht is een besluit zorgvuldig voor te bereiden en voldoende te motiveren en zal in dat kader de aangeleverde ruimtelijke onderbouwing kritisch moeten beoordelen, ongeacht of eisers een deskundig tegenadvies overleggen. Uit het bestreden besluit blijkt in ieder geval niet dat verweerder dit heeft gedaan. Deze beroepsgrond slaagt.


5.1

Eisers voeren verder aan dat de Dakar Pre-proloog leidt tot een toename van stikstofdepositie met gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Volgens eisers kan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) waarschijnlijk de toets der kritiek van het Hof van Justitie niet weerstaan zodat de PAS in alle redelijkheid niet kan worden toegepast. Eisers vinden dat niet is onderbouwd dat er helemaal geen stikstofdepositie zal plaatsvinden. Alleen de uitdraai van het AERIUS programma is opgenomen. De gehanteerde uitgangspunten, onderbouwing en verdere toelichting ontbreken.


5.2

Verweerder merkt op dat hij de deskundigheid mist om de PAS te onderbouwen. In de ruimtelijke onderbouwing is geconcludeerd dat de stikstofdepositie geen belemmeringen oplevert voor vergunningverlening. Met AERIUS is een berekening uitgevoerd. Gelet op de omstandigheid dat de Dakar Pre-proloog maar op één dag plaatsvindt is de totale stikstofdepositie per jaar op het Natura 2000-gebied verwaarloosbaar klein. Daarbij komt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een kilometer afstand ligt. Uit de berekening blijkt expliciet dat het gebruik van zware rallyauto’s mee zijn genomen. Opbouw- en afbraakwerk en het gebruik van dieselaggregaten kunnen niet in significante mate bijdragen aan de stikstofemissie.


5.3

Eisers hebben ter zitting aangegeven slechts de uitgangspunten te betwisten maar niet het AERIUS model zelf. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding deze zaak aan te houden in afwachting van de uitspraak van de Afdeling op de zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Dakar Pre-proloog in het bestreden besluit maar voor één dag is vergund. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de hierboven gegeven motivering voldoende heeft onderbouwd dat de bijdrage vanwege de Dakar Pre-proloog aan de jaarrond stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied verwaarloosbaar klein is. Niet is gebleken dat verweerder volledig verkeerde uitgangspunten heeft geaccepteerd. Deze beroepsgrond faalt.


6.1

Volgens eisers wordt geheel eraan voorbijgegaan dat het evenement plaatsvindt op gronden die behoorden tot een vuilstortplaats waar in het verleden vele illegale lozingen van bedrijfsafval hebben plaatsgevonden. Eisers wijzen op het rapport “Aanpak stortplaats Victoriedijk” van Tauw van 21 oktober 2016 waarin is aangegeven dat onduidelijk is wat de mate van verontreiniging is. Er hebben sinds 1985 geen bodemonderzoeken plaatsgevonden. Bij het onderzoek gehouden in 1985 is gebleken dat de bodem, het grondwater en het eerste en tweede watervoerend pakket was verontreinigd.


6.2

Verweerder wijst op paragraaf 5.9 van de ruimtelijke onderbouwing. De risico’s van bodemverontreiniging door de Dakar Pre-proloog zelf zijn beperkt. Dat zou alleen kunnen gebeuren bij een ongeval. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat de gebruikelijke milieumaatregelen in acht worden genomen. De risico’s voor bodemverontreiniging van de weilanden zijn ook beperkt, omdat ook met een tractor over het weiland mag worden gereden. Als zich een ongewoon voorval voordoet, biedt de Wet bodembescherming voldoende handhavingsmogelijkheden.


6.3

Vergunninghoudster heeft op de zitting aangegeven dat er wel grondwerkzaamheden worden verricht ten behoeve van de Dakar Pre-proloog. Zo worden heuveltjes gemaakt met ter plaatse liggende grond voor tribunes voor het publiek die later weer worden weggehaald.


6.4

In de uitspraak van 20 december 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:6396) heeft de rechtbank geoordeeld dat niet duidelijk is hoe diep is gestort op de voormalige stortplaats aan de Victoriedijk. In die betreffende zaak is door het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant niet weersproken dat een deel van de bodem onder de voormalige stortplaats (waar thans het Eurocircuit op ligt) niet is onderzocht. Het is de rechtbank niet duidelijk wat de risico’s op verspreiding van deze bodemverontreiniging zijn als gevolg van de door vergunninghoudster uit te voeren grondwerkzaamheden. Deze grondwerkzaamheden zijn niet als ongewoon voorval aan te merken. Verweerder had de mogelijke effecten van de grondwerkzaamheden in relatie tot de mogelijke verontreiniging van de bodem onder beide circuits beter moeten onderzoeken. In zoverre slaagt deze beroepsgrond. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de overige risico’s op bodemverontreiniging vanwege de Dakar Pre-proloog juist heeft ingeschat. Ook al is in het bestreden besluit niet vastgelegd welke gebruikelijke milieumaatregelen op het Eurocircuit worden genomen, er staan in de Hinderwetvergunningen voor het Eurocircuit en het motorcrossterrein voorschriften over het voorkomen van bodemverontreiniging. Deze voorschriften gelden ook voor de Dakar Pre-proloog.


7.1

Eisers vrezen dat door de Dakar Pre-proloog de geluidsvoorschriften in de oude Hinderwetvergunningen uit 1993 worden overschreden. Bovendien komt de feitelijke situatie niet overeen met de tekeningen bij deze vergunningen. In de noordoostelijke richting is een extra lus ingevoegd en in de zuidoostelijke richting is de bocht ruimer gemaakt waardoor de baan iets is opgeschoven in de richting van sommige eisers. Deze veranderingen zijn (in 1993) niet vergund. Niet uitgesloten kan worden dat deze woningen een hogere geluidsbelasting hebben.


7.2

Verweerder is na de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3444) ook van mening dat de geluidsvoorschriften uit de oude Hinderwetvergunningen op de voet van artikel 2.3 van de Wabo ook van toepassing zijn op de Dakar Pre-proloog. Verweerder vindt wel dat aan de hand van de ruimtelijke onderbouwing moet worden nagegaan of uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de geluidsvoorschriften uit de oude Hinderwetvergunningen buiten toepassing kunnen worden verklaard in het bestreden besluit. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat op basis van metingen tijdens een eerdere editie van de Dakar Pre-proloog blijkt dat wel wordt voldaan aan de grenswaarden van de Nota evenementen van de gemeente Valkenswaard. Op dat moment was de feitelijke ligging van de circuits ook in afwijking van de Hinderwetvergunningen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij niet op voorhand uitsluit dat op basis van de metingen de Dakar Pre-proloog ook voldoet aan de geluidsvoorschriften in de oude Hinderwetvergunningen.


7.3

De rechtbank stelt voorop dat, voor zover de Dakar Pre-proloog wordt gehouden op circuits die niet liggen op de in de Hinderwetvergunningen vergunde locatie, de Dakar Pre-proloog wordt gehouden in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo en dat daarvoor geen omgevingsvergunning is verleend. Ofschoon het verweerder vrij staat om apart een vergunning te verlenen voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan op grond van artikel 2.7, eerste lid, tweede volzin, van de Wabo, doen partijen er goed aan dit wel in gedachten te houden. Daarnaast sluit de rechtbank niet op voorhand uit dat tijdens de Dakar Pre-proloog de geluidsvoorschriften J1, J3, J4, J5 en J7 van beide Hinderwetvergunningen worden overschreden. Verweerder heeft dit niet onderzocht. Uit de metingen die worden aangehaald in de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat bij de Dakar Pre-proloog in 2016 sprake was van een langtijdgemiddeld geluidsniveau van 61 dB(A). Hierbij wordt de kanttekening gemaakt dat het geluid van de motorvoertuigen in de Dakar Pre-proloog slechts af en toe hoorbaar was, zodat het geluid kennelijk van andere installaties afkomstig was. In zoverre is sprake van een overtreding van de geluidsvoorschriften in beide Hinderwetvergunningen met 16 dB(A). De rechtbank ziet niet in hoe verweerder denkt met uitsluitend een omgevingsvergunning voor het toestaan van strijdig gebruik met het bestemmingsplan, de voorschriften van de destijds verleende Hinderwetvergunningen buiten toepassing te verklaren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zal verweerder moeten motiveren of aan de geluidsvoorschriften in de Hinderwetvergunningen wordt voldaan. Verweerder heeft het tot op heden niet nodig geacht de Hinderwetvergunningen te actualiseren, zodat het ervoor moet worden gehouden dat verweerder de voorschriften in beide vergunningen nog steeds toereikend acht om het milieu te beschermen. Verweerder kan niet refereren aan de veel hogere grenswaarden in de Nota evenementen. Dit vloeit overigens al letterlijk voort uit de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018 waarin staat dat ook de Dakar Pre-proloog aan de voorschriften in de Hinderwetvergunningen moet voldoen. Daarnaast zal verweerder moeten onderzoeken of de overige geluidhinder veroorzakende activiteiten (het parkeren van auto’s van bezoekers buiten de inrichtingen en het stemgeluid van de bezoekers buiten de inrichtingen) niet leiden tot strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarover staat niets in het bestreden besluit. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt.


Conclusie

8.1

Het beroep van eisers is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze procedure verweerder de gelegenheid te geven de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daargelaten dat naar het oordeel van de rechtbank de afwijking van het bestemmingsplan vanwege de Dakar Pre-proloog alleen kan worden vergund met een uitgebreide voorbereidingsprocedure, loopt er natuurlijk nu ook een bestemmingsplanprocedure waarin de Dakar Pre-proloog in ieder geval deels positief lijkt te worden bestemd. De rechtbank volstaat daarom met een vernietiging van het bestreden besluit. Dat betekent dat voor de Dakar Pre-proloog 2019 de benodigde omgevingsvergunning ontbreekt. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.


8.2

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De rechtbank zal verweerder niet veroordelen in de gemaakte reiskosten omdat de gemachtigde van eisers al in zaak SHE 18/3201 de gemaakte proceskosten vergoed krijgt.

Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,00,- aan eisers te vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. G. Aarts en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.