Gerechtshof Amsterdam, 04-02-2016 / 14/01017 en 14/01018


ECLI:NL:GHAMS:2016:405

Inhoudsindicatie
Navorderingsaanslag is rechtsgeldig opgelegd. Belanghebbende is binnenlandse belastingplichtige; woonplaats in Nederland (en niet in Thailand). Vermindering boete i.v.m. (ambtshalve geconstateerde) overschrijding redelijke termijn. Bezwaar niet kennelijk ongegrond; maximale dwangsom.
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2016-02-04
Publicatiedatum
2016-02-10
Zaaknummer
14/01017 en 14/01018
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2016/332
  • V-N 2016/22.18.14
  • FutD 2016-0405
  • NTFR 2016/928 met annotatie van Drs. M.J.M.A. Toet
Uitspraak GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 14/01017 en 14/01018


4 februari 2016


uitspraken van de tweede meervoudige belastingkamer


op de hoger beroepen van


[X] , belanghebbende,


tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken HAA 14/951 en 14/952 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen


belanghebbende


en


de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.



1Ontstaan en loop van het geding


1.1.

Tot de gedingstukken behoort een document met als kop: “Navorderingsaanslag 2005 Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen”. Het is gedagtekend op 12 november 2010 en vermeldt het adres en de naam van belanghebbende. Het bevat tevens een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.878 en een vergrijpboete van € 12.757.


1.2.

Belanghebbende heeft het onder 1.1 vermelde document (toentertijd) als een navorderingsaanslag respectievelijk een boetebeschikking aangemerkt en daartegen op 12 november 2010 bezwaar gemaakt.

[Het onder 1.1 bedoelde document zal hierna ook als de Navorderingsaanslag respectievelijk de boetebeschikking worden aangeduid.]


1.3.

Vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende de inspecteur op 15 maart 2013 schriftelijk in gebreke gesteld (en de inspecteur daarbij verzocht om binnen twee weken uitspraak op zijn onder 1.2 vermelde bezwaarschrift te doen). Bij beschikking van 24 juni 2013 heeft de inspecteur beslist belanghebbende geen dwangsom toe te kennen.


1.4.

Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 17 januari 2014, ongegrond verklaard.


1.5.

Het bezwaar tegen de Navorderingsaanslag en de boetebeschikking (zie 1.2) heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 20 januari 2014, ongegrond verklaard.


1.6.

Belanghebbende heeft tegen de hiervoor onder 1.4 en 1.5 gemelde uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij uitspraak van 14 november 2014 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard en de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 2.000.


1.7.

De hiertegen door belanghebbende ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 18 december 2014 en nader gemotiveerd bij twee afzonderlijke brieven van 16 januari 2015. Het hoger beroep inzake de dwangsombeschikking is geregistreerd met als kenmerk 14/01017. Het hoger beroep inzake de Navorderingsaanslag en boetebeschikking heeft als kenmerk 14/01018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.


1.8.

Het onderzoek ter zitting in de beide hoger beroepen heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 15 december 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.



2Feiten


2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):


“1. Eiser, geboren op 19 januari 1942, is gehuwd met [A] (de echtgenote). Tussen hen is op 10 juni 1986 de scheiding van tafel en bed uitgesproken.


2. Eiser is sinds 4 oktober 1990 eigenaar van een woning (de woning), gelegen aan de [B-straat 1] te [C] (hierna: de woning). In 2005 was eiser nog eigenaar van de woning.


3. Volgens gegevens in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [D] is eiser op 31 december 2004 geëmigreerd naar Thailand. Op 22 september 2006 heeft eiser bij verweerder een ‘Verzoek vrijstelling inhouding loonbelasting/premie volksverzekeringen’ ingediend.


4. Eiser genoot in 2005 een uitkering van [E] van totaal € 37.983 en een WAO-AAW-uitkering ten bedrage van € 29.895. Op beide uitkeringen is loonheffing ingehouden.


5. Eiser beschikte in 2005 (en volgende jaren) over bankrekeningen bij [bank F] en [bank G] .


6. Op 14 maart 2008 heeft verweerder een anonieme brief ontvangen. In deze brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Om fiscale redenen, zijn [X] en [A] geruime tijd geleden van tafel en bed gescheiden. Dit is een farce, [X] en [A] wonen nog gewoon samen onder hetzelfde dak.

(…)

Om geen belasting in Nederland te betalen verblijft hij nu zogenaamd in Thailand. Dit is een aperte leugen. [X] woont gewoon in Nederland, waar hij ook zijn ziektekostenverzekering heeft. Wel gaat de familie [X] twee maal per jaar circa 2-3 weken op vakantie in Thailand om de schijn op te houden dat [X] daar woont.

(…)”


7. Naar aanleiding van de hiervoor vermelde brief, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de woonplaats van eiser. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat eiser nooit inwoner van Thailand is geweest, maar dat hij daar wel enkele malen verblijf heeft gehouden voor vakantiedoeleinden. De woonplaats van eiser in 2005 was volgens verweerder in Nederland gelegen. Verweerder heeft eiser derhalve als binnenlands belastingplichtige aangemerkt en op basis hiervan aan eiser de navorderingsaanslag opgelegd.


8. Eiser heeft tegen de hem over de jaren 2006 en 2007 opgelegde (navorderings)aanslagen waar hetzelfde materiële geschilpunt als in deze zaak speelde, eveneens beroep ingesteld. In beide zaken oordeelde Rechtbank Breda dat eiser voor de heffing van ib/pvv als inwoner van Nederland diende te worden aangemerkt. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft beide uitspraken van de rechtbank bevestigd. De Hoge Raad heeft het tegen beide uitspraken van het Gerechtshof ingestelde cassatieberoep bij arrest van 7 december 2012 ongegrond verklaard.

De rechtbank Noord-Holland heeft bij uitspraak van 5 maart 2013 ten aanzien van de navorderingsaanslag 2007 geoordeeld dat eiser terecht als binnenlands belastingplichtige in de heffing is betrokken en heeft bij uitspraak van 13 maart 2013 in gelijke zin geoordeeld ten aanzien van de aanslag 2008. Tegen laatstgenoemde twee uitspraken heeft eiser hoger beroep bij het Gerechtshof te Amsterdam ingesteld.”


2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.


2.3.

Het Hof voegt hieraan de volgende feiten toe.


2.3.1.

Belanghebbende heeft met betrekking tot 2005 geen aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gedaan.


2.3.1.1. Aan belanghebbende is op 13 december 2006 een (ambtshalve primitieve) aanslag IB/PVV voor het jaar 2005 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.878 (bestaande uit een WAO-uitkering van € 29.895, waarop € 2.762 loonheffing was ingehouden, en een uitkering van [E] van € 37.983, waarop niet was ingehouden). Belanghebbende is daarbij als binnenlandse belastingplichtige aangemerkt.


2.3.1.2. Na correspondentie over en weer tussen belanghebbende en de inspecteur over de fiscale woonplaats is de aanslag op 22 maart 2008 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.895. Hierbij heeft de inspecteur belanghebbende op diens verzoek als buitenlandse belastingplichtige aangemerkt.


2.3.1.3. Op 24 april 2008 is de inspecteur het onder 7 van de rechtbankuitspraak genoemde onderzoek aangevangen.


2.3.1.4. In belanghebbendes bezwaarschrift van 11 november 2010 (zie 1.2) staat:


“op 30 oktober 2010 heb ik de navorderingsaanslag 2005 ontvangen”.


2.3.2.

Het Hof heeft inzake de onder 8 (tweede alinea) van de rechtbankuitspraak genoemde (door belanghebbende ingestelde) hoger beroepen, uitspraken gedaan op 4 december 2014 (kenmerken 13/00197 en 13/00198, ECLI:NL:GHAMS:2014:5762 respectievelijk ECLI:NL:GHAMS:2014:5763). Daarbij zijn – voor zover hier van belang – de uitspraken van de rechtbank bevestigd. Tegen deze uitspraken van het Hof is geen beroep in cassatie ingesteld.


2.3.3.

Belanghebbende heeft – voor zover hier van belang – bij zijn hoger beroepschrift de volgende (deels ook in eerdere instantie ingebrachte) stukken ingebracht:

- correspondentie van eind 2004 en begin 2005 van belanghebbende met de Belastingdienst en het UWV over een (voorgenomen) emigratie naar Thailand en de gevolgen daarvan voor de belastingheffing en de arbeidsongeschiktheidsuitkering van belanghebbende;

- een verklaring van de huisarts van belanghebbende van 12 januari 2011, waarin staat vermeld dat belanghebbende op 23 december 2004 heeft gemeld dat hij per 1 januari 2005 naar het buitenland zou gaan;

- een brief van [H] van 14 december 2009, waarin wordt bevestigd dat belanghebbende van 1 januari 2005 tot 1 december 2005 was verzekerd volgens het zogenoemde International Healthcare Plan;

- een kopie van een zogenoemd “non-immigrant multiple entry” visum voor Thailand op naam van belanghebbende. Datum uitgifte: 24 december 2004. Expiratiedatum: 23 december 2015. Het visum is bedoeld voor personen die meer dan twee maanden in Thailand verblijven en het land in- en uitreizen gedurende de geldigheid van het visum. Bij een verblijf in Thailand van langer dan 90 dagen dient de houder van het non-immigrant visum zich elke 90 dagen te melden bij de Thaise immigratiedienst en is daarbij gehouden het actuele adres in Thailand op te geven;

- een kopie van een “receipt of notification of staying in Thailand for 90 days from (…) 10-5-05” van de Thaise immigratiedienst;

- een op 18 oktober 2005 ondertekend formulier van het UWV betreffende “Actuele gegevens arbeidsongeschiktheidsverzekering”. In het formulier is een verklaring van in leven zijn opgenomen van de lokale Thaise politie met dagtekening 13 oktober 2005;

- een betalingsbewijs van 18 oktober 2005 van de Nederlandse ambassade in Bangkok, betreffende een verklaring van in leven zijn, en

- een uitdraai van 11 januari 2011 van de website van de Nederlandse Ambassade in Bangkok, met betrekking tot zogenoemde consulaire verklaringen. De uitdraai vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:


1. Verklaring van woonplaats

De verklaring van woonplaats is benodigd voor verschillende soorten belasting of premieheffing sociale verzekeringen of in verband met vernieuwing van het rijbewijs.

De verklaring mag pas worden afgegeven als de Nederlandse verzoeker heeft aangetoond niet in de Nederlandse basisadministratie te zijn ingeschreven. Dit kan bijvoorbeeld worden aangetoond door een bewijs van uitschrijving van de gemeente waar verzoeker voor het laatst gewoond heeft. Indien verzoeker vóór 1994 uit Nederland is vertrokken, kan een verklaring worden opgevraagd bij het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (tel. 070 - 3533177, fax 070 - 3532850).

De verklaring dient te worden opgemaakt aan de hand van bewijsstukken terzake en de identiteit van de verzoeker dient aan de hand van een identiteitsbewijs te worden gecontroleerd. Een verklaring van woonplaats kan uitsluitend aan Nederlanders worden afgegeven.

Te overleggen documenten:

-Bewijs dat u daadwerkelijk en met toestemming van de lokale autoriteiten in Thailand/Cambodja/Birma/Laos bent gevestigd (verblijfsvergunning)

-Bewijs van uitschrijving van de Nederlandse gemeente waar u voor het laatst ingeschreven stond.

-Bewijs Nederlanderschap (bijv. paspoort)

- Kopie van een document met vermelding van uw adres (bv electriciteitsrekening, huurcontract etc.).

(…)

2. Verklaring van in leven zijn

Nederlandse uitkeringsinstanties, zoals het ABP en de Sociale Verzekeringsbank, dienen periodiek een aantal gegevens van de uitkeringsgerechtigden te controleren. Derhalve dienen de uitkeringsgerechtigden eenmaal per kwartaal, per half jaar of per jaar opgave te doen van het feit, dat zij in leven zijn, welke nationaliteit(en) zij bezitten, hun adres en woonplaats, alsmede van hun burgerlijke staat. In het algemeen gebeurt dit door toezending van de zogenaamde verklaring van in leven zijn. De benaming van deze verklaring is in wezen onjuist, omdat er veel meer in wordt verklaard dan het enkele feit dat iemand in leven is.

In het buitenland gevestigde uitkeringsgerechtigden kunnen deze verklaringen bij de lokale overheid van het land van vestiging laten opmaken. Dit geldt zowel voor Nederlanders als voor vreemdelingen. De meeste verklaringen van de vreemde overheidsinstellingen worden door de Nederlandse uitkeringsinstanties zonder legalisatie geaccepteerd.

Alleen Nederlandse uitkeringsgerechtigden kunnen tevens een beroep doen op een vertegenwoordiging in het buitenland om de verklaring van in leven zijn op te maken. Hierbij moeten de volgende regels in acht worden genomen:

De verzoeker moet in persoon voor de consulaire ambtenaar verschijnen. Hierop is geen enkele uitzondering mogelijk!

De identiteit van de verzoeker moet aan de hand van identiteitspapieren worden vastgesteld.

De nationaliteit(en) van de verzoeker moet(en) worden vastgesteld.

Het adres en de woonplaats van de verzoeker moeten worden vastgesteld, zoveel mogelijk aan de hand bewijs stukken van de vreemde autoriteiten. De burgerlijke staat van de verzoeker moet worden vastgesteld.

Nederlandse vertegenwoordigingen kunnen géén verklaring voor oud-Nederlanders opmaken. Zij dienen zich te wenden tot de lokale autoriteiten. De door deze autoriteiten verstrekte verklaringen kunnen eventueel door de Nederlandse vertegen-woordigingen in het buitenland worden gelegaliseerd voordat zij naar het pensioenfonds in Nederland worden gestuurd.

U dient duidelijk aan te geven voor welk doel u de verklaring nodig heeft. Dit wordt in de verklaring vermeld. Betrokkene moet aangeven of hij/zij nog andere nationaliteiten bezit. Dit wordt in de verklaring vermeld.

Te overleggen documenten:

-Geldig identiteitsbewijs met foto (bijv. paspoort).

-Bewijs van woonplaats (bijv. verblijfsvergunning + huurcontract)

-Bewijs Nederlanderschap (bijv. paspoort of Koninklijk Besluit)

-Bewijs van burgerlijke staat.”



3Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank heeft beslist zoals onder 1.6 weergegeven en daarbij het volgende overwogen:


“Geldigheid navorderingsaanslag

13. De navorderingsaanslag 2005 is opgelegd met dagtekening 12 november 2010, derhalve binnen de wettelijke termijn van vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De navorderingsaanslag bevat de elementen van de aanslag, het bedrag van de navordering, het bedrag van de vergrijpboete, het bedrag van de heffingsrente en het te betalen bedrag. Anders dan eiser stelt behoeft op een navorderingsaanslag niet te worden verwezen naar een artikel in de AWR. De navorderingsaanslag bevat derhalve geen gebreken en is rechtsgeldig opgelegd. Dat de lay-out wellicht anders is dan de andere aanslagen die eiser heeft ontvangen - zo is het adres handmatig ingevoerd - maakt niet dat geen sprake is van een rechtsgeldige aanslag. Niet in geschil is dat de navorderingsaanslag naar het juiste adres is verzonden en eiser heeft ook tijdig bezwaar gemaakt.


Woonplaats

14. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat voor de jaren 2006, 2007 en 2008 door rechtbank Breda en Noord-Holland en voor de jaren 2006 en 2007 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad is geoordeeld dat eiser in die jaren in Nederland woonachtig was en terecht als binnenlands belastingplichtige is aangemerkt. Eiser herhaalt in deze procedure zijn eerder ingebrachte grieven. Hij staaft zijn blote stelling dat hij in 2005 in Thailand woonachtig was, ook in de onderhavige procedure, met geen enkel relevant bewijsstuk. Hij heeft nog steeds geen huurcontract noch een ander document overgelegd, waaruit zou blijken dat hij in 2005 in Thailand woonruimte tot zijn beschikking had en dat in dat land het duurzame middelpunt van zijn levensbelangen lag. Blijkens de stempels in het paspoort is eiser in 2005 slechts drie maal naar Thailand gereisd, vergezeld van zijn partner [A] . Dit komt overeen met de data waarop in 2005 financiële transacties in Thailand hebben plaatsgevonden (30 april 2005, 20 en 21 mei 2005 en 3 t/m 10 oktober 2005), terwijl van de Nederlandse bankrekening van eiser elke maand meerdere malen Nederlands geld is opgenomen en ook op deze rekeningen de bedragen van zijn Nederlandse inkomsten ( [E] -uitkering alsmede een WAO/AAW-uitkering) zijn gestort.


15. Eiser heeft een aantal kopieën van Attestatie’s de Vitae, ondertekend door de Nederlandse Ambassade te Bangkok, Thailand overgelegd, teneinde daarmee zijn stelling te staven dat hij, althans ten tijde van het afgeven daarvan, in Thailand woonde.

Naar aanleiding van bij verweerder gerezen twijfels inzake de echtheid van deze Attestatie’s de Vitae heeft deze nader onderzoek doen verrichten. Met betrekking tot deze Attestatie’s de Vitae door ambtenaren van de Nederlandse Ambassade te Bangkok, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

E-mail van 1 september 2010

“(…)

Elke verklaring wordt apart getekend, wij gebruiken niet een handtekeningstempel of voorgetekende verklaringen. (…)”

E-mail van 2 september 2010

“(…)

Ik kan niet anders concluderen dat het vervalste kopieën moeten zijn. De handtekening kan anders beslist niet identiek zijn op de verschillende documenten.

(…)”.

E-mail van 24 september 2010

“(…)

De stempel 4377 op de door u toegezonden kopieën is vervalst. Stempel 4377 heeft een ei-vorm en is zeer duidelijk waarneembaar, een perfecte afdruk. De positie van handtekening en die stempel is identiek op diver[s]e kopieën: 4/1/05, 28/2/05, 24/11/06, 2/01/07, 8/05/07, 10.7.07.

(…)”.


Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat niet kan worden uitgesloten dat de door eiser overgelegde kopieën van Attestatie’s de Vitae, afkomstig van de Nederlandse Ambassade te Bangkok in Thailand, althans een aantal daarvan, vervalst zijn.

Echter ook indien ervan zou worden uitgegaan dat de stukken echt zijn, kan dat eiser niet baten, aangezien uit die stukken in elk geval niet blijkt dat eiser in het onderhavige jaar in Thailand woonachtig was. Immers in de Attestatie’s wordt slechts verklaard dat eiser op een bepaalde datum in leven was en in enkele van die Attestatie’s staat dat hij verklaarde in Thailand woonachtig te zijn. De Attestatie’s bevatten echter geen oordeel over de laatstgenoemde verklaring.


16. De rechtbank is van oordeel dat het eiser valt aan te rekenen dat, nu eiser de meest gerede partij is om met stukken te komen, eiser de gemotiveerde tegenwerpingen van verweerder, met name wat betreft het bezit en gebruik van de bankpassen van zijn bankrekening, de overgelegde attestaties, het ontbreken van aanknopingspunten van bewijs inzake zijn woonruimte in Thailand, de wijze van voorzien in zijn levensonderhoud, niet dan wel onvoldoende heeft kunnen weerleggen.

Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de banden van eiser met Nederland voldoende sterk zijn om te kunnen oordelen dat het duurzame middelpunt van de persoonlijke levensbelangen van eiser zich in het onderhavige jaar in Nederland bevond. Eiser moet derhalve ook in het jaar 2005 als binnenlands belastingplichtige worden beschouwd. Al hetgeen eiser overigens heeft gesteld, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.


Motiveringsbeginsel

17. De rechtbank kan eiser volstrekt niet volgen in zijn grief betreffende de motivering van de uitspraak op bezwaar. In de uitspraak wordt immers concreet en uitgebreid ingegaan op alle door eiser genoemde bezwaargronden. Overigens geldt volgens vaste jurisprudentie dat schending van het motiveringsbeginsel alleen tot gevolg heeft dat de rechtbank, zo deze de uitspraak van verweerder bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen.


Zorgvuldigheidsbeginsel

18. De rechtbank is niet gebleken van enige onzorgvuldigheid van de zijde van verweerder. Dat verweerder pas om bewijsstukken heeft gevraagd toen eiser weer in Nederland woonde, zoals eiser aanvoert, is een omstandigheid die eiser over zichzelf heeft afgeroepen. Eiser heeft eind 2004 op eigen initiatief een fiscale emigratie in gang gezet. In oktober 2005 onderneemt hij allerhande acties om hiervan bewijs te leveren. Op 17 september 2006 heeft hij verzocht om vrijstelling inhouding loonbelasting. In maart 2008 ontving verweerder informatie die aanleiding vormde om de fiscale woonplaats van eiser te onderzoeken en is verweerder onderliggende bescheiden gaan opvragen.


19. Ten aanzien van eisers beroep op schending van artikel 6 van het EVRM vanwege het feit dat hij pas zes maanden na ontvangst van de ‘klikbrief’ door verweerder hiervan in kennis is gesteld, overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat eiser ten tijde van het ontvangst van de brief door verweerder toen als verdachte werd aangemerkt, zodat artikel 6 EVRM in die periode niet aan de orde was. Overigens acht de rechtbank het ook niet onzorgvuldig van verweerder om eerst onderzoek naar de juistheid van de klikbrief te doen, alvorens eiser met deze brief te confronteren.


Boete

20. Verweerder heeft een boete opgelegd van 50% van de nagevorderde belasting, met toepassing van artikel 67e van de AWR en paragrafen 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB 1998).

Gelet op al hetgeen de rechtbank heeft overwogen, heeft eiser op eigen initiatief, willens en wetens onjuiste informatie verschaft over zijn woonplaats in Nederland, teneinde een fiscale emigratie te bewerkstelligen. Daartoe heeft eiser onder meer in oktober 2005, toen hij enige weken in Thailand verbleef, allerhande documenten geproduceerd om deze ‘emigratie’ mee te onderbouwen. Het is daarom aan de opzet van eiser is te wijten dat er te weinig belasting is geheven.

De rechtbank acht hiervoor een boete van € 12.757, gezien de hoogte van de niet betaalde belasting en de omstandigheden van het geval, passend en geboden. Feiten en omstandigheden die aanleiding geven de boete te matigen zijn gesteld noch aannemelijk geworden. Derhalve is de boete terecht en tot een juist bedrag opgelegd.


Dwangsom

21. Op grond van artikel 4:17, lid 1, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Op grond van het tweede lid van dit artikel bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag. Aldus bedraagt de maximale dwangsom € 1.260.

In het derde lid van laatstgenoemd artikel is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Artikel 7:10, lid 1, van de Awb bepaalt – voor zover van belang – dat het bestuursorgaan binnen zes weken beslist, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Op grond van het derde lid van dit artikel kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.


22. De navorderingsaanslag is gedateerd op 12 november 2010. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 3 februari 2011 op het bezwaarschrift van eiser had moeten beslissen.

Verweerder heeft eiser bij brief van 8 december 2010 meegedeeld dat verweerder de beslissing heeft verdaagd en eiser uitgenodigd een afspraak te maken voor een hoorgesprek.

Verweerder heeft eiser bij brief van 18 oktober 2012 voorgesteld het bezwaar aan te houden totdat de Hoge Raad in de procedures over 2006 en 2007 heeft beslist. Eiser heeft hiermee ingestemd. De Hoge Raad heeft op 7 december 2012 arrest gewezen.

Bij brief van 15 maart 2013 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.

Bij uitspraak van 20 januari 2014 heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser.


23. De rechtbank stelt gelet op het vorenoverwogene vast dat verweerder ten tijde van de ingebrekestelling door eiser de beslistermijn had overschreden. Tevens heeft verweerder niet binnen twee weken na deze ingebrekestelling beslist.

Verweerder heeft het verzoek om een dwangsom afgewezen op grond van artikel 4.17, zesde lid, onder c, van de Awb. Ingevolge deze bepaling verbeurt het bestuursorgaan geen dwangsom indien niet tijdig wordt beslist op een bezwaar dat kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat het feit dat in het dictum van de uitspraak staat dat het bezwaar wordt afgewezen, niet betekent dat het bezwaar daarmee niet ‘kennelijk ongegrond’ kan zijn. Verder is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de uitspraken van rechtbank Breda en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarin (weliswaar met betrekking tot de jaren 2006 en 2007, maar op basis van hetzelfde feitencomplex) is geoordeeld dat sprake was van fiscale emigratie, het bezwaar als ‘kennelijk’ ongegrond kan worden gekwalificeerd. Dat leidt ertoe dat verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 4.17, lid 6, onder c, van de Awb en derhalve geen dwangsom verschuldigd is.


Redelijke termijn

24. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het (gemotiveerde) bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.


25. Het bezwaarschrift is gedagtekend op 12 november 2010. De rechtbank gaat ervan uit dat deze brief op dezelfde dag bij verweerder is binnengekomen. De uitspraken op bezwaar zijn gedaan op 20 januari 2014. Op 14 november 2014 wordt uitspraak gedaan door de rechtbank.

Eiser heeft 18 oktober 2012 ingestemd met aanhouding van het bezwaar in afwachting van het arrest van de Hoge Raad inzake de aanslagen over 2006 en 2007. Op 7 december 2012 heeft de Hoge Raad arrest gewezen. De rechtbank oordeelt dat deze termijn voor de berekening van de redelijke termijn buiten beschouwing moet worden gelaten.

Het voorgaande betekent dat de redelijke termijn met meer dan anderhalf jaar maar minder dan twee jaar is overschreden. De schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dus in totaal (afgerond vier halve jaren x € 500 =) € 2.000.


26. Gelet op het vorenoverwogene wordt het beroep gericht tegen de navorderingsaanslag alsmede het beroep gericht tegen de dwangsom ongegrond verklaard.


Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”



4Geschil in hoger beroepen


4.1.

In geschil is of de inspecteur bij beschikking terecht heeft beslist om belanghebbende geen dwangsom toe te kennen (kenmerk 14/01017).


4.2.

In het hoger beroep inzake de Navorderingsaanslag en de boetebeschikking (kenmerk 14/01018), is het volgende in geschil:

1. Is het onder 1.1 bedoelde document (a) een navorderingsaanslag, (b) afkomstig van de inspecteur, en zo ja (c) is de navorderingsaanslag tijdig vastgesteld/verzonden?

2. Beschikte de inspecteur over een navordering rechtvaardigend nieuw feit?

3. Had belanghebbende in het onderhavige jaar zijn woonplaats in Thailand, hetgeen belanghebbende betoogt, dan wel in Nederland, welk standpunt de inspecteur inneemt.

4. Is sprake is van een schending door de inspecteur van het motiveringsbeginsel dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel?

5. Is de boete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?


4.3.

Nu door de inspecteur geen (incidenteel) hoger beroep is ingesteld is de veroordeling door de rechtbank van de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade (wegens overschrijding van de redelijk termijn in de bezwaarfase) in hoger beroep niet in geschil.


4.4.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.



5Beoordeling van het geschil


Geldigheid Navorderingsaanslag

5.1.

Blijkens zijn bezwaarschrift (zie 1.2 respectievelijk 2.3.1.4) heeft belanghebbende het onder 1.1 bedoelde document als een navorderingsaanslag IB/PVV over 2005 aangemerkt. Naar het oordeel van het Hof ziet dit document er ook als zodanig uit en bevat het de noodzakelijke elementen van een navorderingsaanslag. Gelet op het een en ander is het Hof met de rechtbank van oordeel (1) dat dit document een aan belanghebbende op 12 november 2010 – derhalve tijdig – opgelegde en verzonden navorderingsaanslag IB/PVV over 2005 is, (2) dat daarover ook in redelijkheid geen twijfel kon bestaan, en (3) dat belanghebbende daar blijkens (de tekst van) zijn bezwaarschrift ook niet aan twijfelde. Aan dit oordeel doet niet af dat de lay-out wellicht anders was dan eerder door belanghebbende ontvangen belastingaanslagen. De door belanghebbende geopperde mogelijkheid dat in dezen sprake zou kunnen zijn van frauduleus handelen door derden, acht het Hof uitgesloten.


5.2.

Voor zover belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslag na 31 december 2010 is vastgesteld en daarmee de wettelijke navorderingstermijn van vijf jaar als vermeld in artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna ook: de AWR) – die niet vóór 31 december 2010 verliep – , is overschreden, kan het Hof belanghebbende evenmin volgen nu belanghebbende heeft geschreven de navorderingsaanslag op 30 oktober 2010 (zie 2.3.1.4) te hebben ontvangen.


5.3.

Belanghebbende heeft zich voorts – zonder enige nadere onderbouwing – op het standpunt gesteld dat sprake is van een ambtelijk verzuim. Kennelijk bedoelt hij te betogen dat een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de AWR ontbreekt en dat de navorderingsaanslag om die reden niet rechtsgeldig is opgelegd. Belanghebbende heeft geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan.


Woonplaats

5.4.

Nu belanghebbende stelt dat hij met ingang van 2005 is geëmigreerd naar Thailand, ligt het op zijn weg zulks aannemelijk te maken. Het Hof verwijst in dit verband in de eerste plaats naar hetgeen de rechtbank in de onderdelen 14 tot en met 16 van haar uitspraak heeft overwogen en maakt deze oordelen tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof als volgt.


5.5.

Belanghebbende heeft in hoger beroep evenmin aannemelijk gemaakt dat bij de afgifte van Attestaties de Vitae [hierna: de attestatie(s) of de verklaring(en) van in leven zijn], als door belanghebbende in geding gebracht, enig onderzoek door de Nederlandse ambassade gedaan wordt naar de (fiscale) woonplaats van de aanvrager van een attestatie en dat de attestatie niet meer inhoudt dan dat ‘proven [is] that the concerned person is alive’. De door belanghebbende in hoger beroep overgelegde toelichting van de Nederlandse Ambassade op consulaire verklaringen betreffende woonplaats en in leven zijn (weergegeven in onderdeel 2.3.3), brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof kan belanghebbende niet volgen in zijn betoog dat met voldoening aan de vereisten voor de attestaties tevens wordt voldaan aan de vereisten waaraan moet worden voldaan voor een consulaire verklaring van woonplaats. Daar komt bij dat – ook al zou de Nederlandse ambassade wel een woonplaatsonderzoek gedaan hebben – geen rechtsregel de inspecteur of de rechter verplicht om het standpunt dat de ambassade met betrekking tot de woonplaats zou hebben ingenomen in een fiscale procedure te volgen (vgl. Hof Amsterdam 4 december 2014, kenmerk 13/00198, ECLI:NL:GHAMS:2014:5763, r.o. 5.8.3). De blijkens het UWV-formulier door de plaatselijke Thaise autoriteiten afgegeven verklaring van in leven zijn van 13 oktober 2005, kan evenmin bijdragen tot het bewijs nu hieraan evenmin een inhoudelijke beoordeling van de woonplaats van belanghebbende ten grondslag heeft gelegen.


5.6.

Ter zitting heeft gemachtigde nog naar voren gebracht dat de attestatie zegt dat iemand zich op een bepaald moment ergens gemeld heeft. Verder heeft hij naar voren gebracht dat de attestaties mogelijk vals zijn en dat het al dan niet vals zijn van een dergelijk document niet relevant is voor de discussie. Belanghebbende heeft niet gesteld dat hij bij afgifte van de zich in het dossier bevindende attestaties uit 2005 steeds in Thailand verbleef. Het Hof vat het betoog van belanghebbende ook niet in die zin op nu hij zelf aangeeft dat ze mogelijk vals zijn. Uit de paspoortstempels volgt bovendien dat belanghebbende in 2005 in de volgende perioden in Thailand is geweest: 1-16 januari, 30 april-22 mei en 3-29 oktober. Het Hof heeft dit gemachtigde van belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk voorgehouden en hiertegen heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting niets ingebracht, zodat het Hof ervan uitgaat dat belanghebbende in 2005 uitsluitend in deze perioden in Thailand is verbleven. De attestaties van juni, augustus, september, november en december 2005 kunnen dan ook niet in aanwezigheid van belanghebbende in Bangkok zijn verstrekt. Dit is anders met betrekking tot de attestaties van 4 januari 2005 en 18 oktober 2005, waarvoor belanghebbende ook een betalingsbewijs heeft verstrekt alsook voor de verklaring van in leven zijn van de lokale politie van 13 oktober 2005. Aannemelijk is dat hij in deze perioden wel in Thailand is verbleven.


5.7.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij met ingang van 2005 in Thailand is gaan wonen heeft belanghebbende verder in hoger beroep een verklaring van zijn huisarts overgelegd (zie 2.3.3, 2e opsommingsteken). In dit document schrijft de huisarts dat belanghebbende tegenover hem/haar heeft verklaard per 1 januari 2005 niet meer in Nederland te wonen. Dat belanghebbende dit tegenover de huisarts verklaard zou hebben is voor het Hof op zichzelf onvoldoende om tot het oordeel te komen dat belanghebbende in 2005 in Thailand woonde. De correspondentie van belanghebbende met het UWV en de Belastingdienst kan op zichzelf ook niet bijdragen aan het (afdoende) bewijs van belanghebbendes stelling dat hij Nederland met ingang van 2005 metterwoon heeft verlaten.


5.8.

De verklaring van Aetna Benefits Limited (Goodhealth) van 14 december 2009, waarin staat vermeld dat belanghebbende van 1 januari 2005 tot 1 december 2005 was verzekerd volgens het zogenoemde International Healthcare Plan, zegt niets over de woonplaats van belanghebbende, zodat het Hof hieraan voorbijgaat. De zogenoemde non-immigrant Visa (verblijfsvergunning) die is uitgegeven op 24 december 2004 en verliep op 23 december 2015, leidt evenmin tot de conclusie die belanghebbende voorstaat, ook niet in samenhang met de overige feiten en omstandigheden. Ook de blote stelling van belanghebbende dat hij ‘persoonlijke banden met Thailand’ had die belangrijker waren dan zijn banden met Nederland, is onvoldoende. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt nu juist dat belanghebbende met Thailand geen, althans onvoldoende, duurzame betrekkingen onderhield.


5.9.

De door belanghebbende ingebrachte stukken en stellingen brengen het Hof niet, ook niet in onderlinge samenhang bezien, tot de door belanghebbende voorgestane conclusie. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende ook in 2005 terecht als binnenlandse belastingplichtige is aangemerkt. Hetgeen belanghebbende overigens nog naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.


5.10.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep betoogt dat hij voor toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen en ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogen (Trb. 1975, 113), tevens als inwoner van Thailand heeft te gelden, faalt het beroep op bovenvermelde gronden.


Motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel

5.11.

Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat geen sprake is van schending van het motiveringsbeginsel dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel. Het Hof volgt de oordelen van de rechtbank in rechtsoverwegingen 17 tot en met 19. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep meer of anders naar voren heeft gebracht brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof kan belanghebbende ook niet volgen in zijn betoog dat hij onvoldoende of niet tijdig is geïnformeerd omtrent de inhoud en de uitkomst van het naar aanleiding van de klikbrief ingestelde woonplaatsonderzoek.


Boetebeschikking

5.12.

De inspecteur heeft op grond van artikel 67e van de AWR, aan belanghebbende een vergrijpboete van 50% opgelegd. Hij verwijt belanghebbende (voorwaardelijk) opzet. De boete betreft de bij de vermindering op 22 maart 2008 ten onrechte niet in de heffing betrokken uitkering van [E] van € 37.983. Op de inspecteur rust de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting te bewijzen, die het oordeel rechtvaardigen dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de primitieve aanslag op 22 maart 2008 ten onrechte is verminderd.


5.12.1.

De uitkering van [E] is bij de Navorderingsaanslag terecht alsnog in de heffing betrokken (zie onder 2.3.1 in verbinding met 5.1 – 5.11).


5.12.2.

Belanghebbende heeft voorafgaande aan de ambtshalve vermindering van 22 maart 2008 op eigen initiatief, willens en wetens onjuiste informatie aan de inspecteur verschaft over zijn (vermeende) woonplaats in Thailand (teneinde een fiscale emigratie te bewerkstelligen) en de inspecteur verzocht om de (primitieve) aanslag IB/PVV 2005 om die reden te verminderen. Daartoe heeft belanghebbende onder meer in oktober 2005, toen hij enige weken in Thailand verbleef, allerhande documenten geproduceerd om deze ‘emigratie’ mee te onderbouwen. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende bij het produceren en het verschaffen van deze informatie wist dat de inkomsten van [E] in de heffing van de Nederlandse IB/PVV betrokken dienden te worden. Door het opzettelijk verschaffen van onjuiste informatie heeft hij de inspecteur ertoe gebracht de [E] uitkering niet in de heffing te betrekken.


5.12.3.

Wat er zij van de stelling van belanghebbende dat hij niet is uitgenodigd voor het doen van aangifte IB/PVV 2005, is het Hof van oordeel dat die stelling niet relevant is, nu voor het opleggen van een vergrijpboete als de onderhavige, niet vereist is dat het aan belanghebbende is te wijten dat geen aangifte is gedaan.


5.12.4.

Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn betoog dat hij een pleitbaar standpunt heeft/had met betrekking tot zijn stellingname dat hij in 2005 (tevens) in Thailand woonde. Belanghebbende heeft zulks, gelet op rechtsoverweging 5.12.2, in redelijkheid niet kunnen verdedigen.


5.12.5.

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, zoals zijn stellingen met betrekking tot misstanden op de Nederlandse ambassade te Bangkok, kan – wat hier overigens van zij – niet leiden tot een ander oordeel en is niet relevant voor de beoordeling van de aan belanghebbende opgelegde boete.


5.13.

Het Hof acht, gelet op rechtsoverwegingen onder 5.12, een boete van 50% passend en geboden.


5.14.

Gelet op hetgeen de rechtbank in onderdeel 25 van haar uitspraak heeft geoordeeld met betrekking tot het verzoek om een vergoeding van immateriële schade, staat vast dat in de periode tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 12 november 2010 tot aan de beslissing van de rechtbank op 14 november 2014, de redelijke termijn is overschreden met meer dan anderhalf jaar en minder dan twee jaar. In aanmerking nemende dat de boete is aangekondigd op 9 augustus 2010, is geen andere conclusie mogelijk dan dat ook voor wat betreft de boete de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden. De rechtbank heeft hieraan voor de hoogte van de boete geen gevolgen verbonden. Sinds de aankondiging van de boete op 9 augustus 2010 zijn thans ruim 5 jaren en 5 maanden verstreken. Uitgaande van een redelijke termijn van 4 jaar voor de bezwaarfase, beroep en hoger beroep tezamen, is de redelijke termijn thans overschreden met meer dan 1 jaar en minder dan 2 jaar. De in rechtsoverweging 25 door de rechtbank buiten beschouwing gelaten termijn wegens instemming met aanhouding van het bezwaar, brengt hierin, wat hiervan overigens zij, geen verandering. Zoals het Hof in zijn uitspraak van 2 juli 2009, kenmerk 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, tot uitgangspunt heeft genomen, dient de boete ingeval van een overschrijding van de redelijke termijn met 1 tot 2 jaren, te worden verminderd met 15%. Voor het voorliggende geval betekent dit dat de boete zal worden verminderd tot een boete ten bedrage van (0,85 x € 12.757 =) € 10.843.


Dwangsom

5.15.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 4.17, zesde lid, aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna ook: de Awb) en derhalve geen dwangsom verschuldigd is. Dienaangaande oordeelt het Hof als volgt.


5.16.

Ingevolge voormeld artikel 4.17, zesde lid, aanhef en onderdeel c, van de Awb is de inspecteur geen dwangsom verschuldigd indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Deze bepaling strekt er blijkens de parlementaire toelichting bij dit artikel vooral toe misbruik van de dwangsomregeling te voorkomen. Het is immers niet de bedoeling dat de dwangsomregeling tot gevolg heeft dat het lucratief wordt om maar zoveel mogelijk beschikkingen aan te vragen en bezwaren in te dienen in de hoop dat er zo hier en daar wel een – met dit soort aanvragen en bezwaren overladen – bestuursorgaan niet tijdig zal kunnen beslissen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 934, nr. 6, p. 13). Van een dergelijk misbruik is in casu gesteld noch gebleken.


5.17.

De enkele omstandigheid dat ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2006 en 2007 onherroepelijk is komen vast te staan dat geen sprake was van fiscale emigratie, leidt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, geenszins tot de conclusie dat het onderhavige bezwaar betreffende het jaar 2005 kennelijk ongegrond was. De beoordeling van de fiscale woonplaats van belanghebbende is immers sterk afhankelijk van het feitencomplex waarover partijen van mening verschillen. Dit feitencomplex kan van jaar tot jaar verschillen en dient ieder jaar opnieuw te worden beoordeeld.


5.18.

Met betrekking tot het vergelijkbare artikel 7:3, aanhef en onderdeel b, van de Awb, is in de memorie van toelichting aangegeven dat van een kennelijk ongegrond bezwaar sprake is wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener van het bezwaarschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar zijn tijdens de parlementaire behandeling in dat verband de volgende gevallen genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het bezwaar is evident in strijd met een wettelijk voorschrift; het bezwaar richt zich tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat in het bezwaarschrift melding wordt gemaakt van sedert het eerste besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden; het bezwaar richt zich tegen een beslissing welke geheel overeenkomt met vast – door de rechter aanvaard – beleid (Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 146 en 147).


5.19.

In het voorliggende geval kan niet worden gezegd dat uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds bleek dat de bezwaren van belanghebbende ongegrond waren en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over die conclusie. Het valt, zonder adequate toelichting die ontbreekt, ook niet te begrijpen dat de inspecteur over de behandeling van een – volgens hem ‘kennelijk ongegrond’ – bezwaarschrift pas na ruim drie jaren en een ingebrekestelling uitspraak op bezwaar doet. De in de memorie van toelichting aangedragen voorbeelden doen zich in casu evenmin voor. Bovendien staat vast dat het bezwaarschrift van belanghebbende tevens was gericht tegen de opgelegde boete, hetgeen niet aan de orde was met betrekking tot de uitspraken waarop de rechtbank doelt, zodat ook in dat opzicht de beoordeling van het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 op zichzelf stond.


5.20.

Voor zover de inspecteur meent dat belanghebbende in dezen opzet kan worden verweten – waarmee de inspecteur kennelijk bedoelt dat zonder de opzettelijk onjuiste informatieverschaffing door belanghebbende er aanstonds geen twijfel zou zijn geweest dat belanghebbendes bezwaren ongegrond waren – en dat om die reden het bezwaar als kennelijk ongegrond kan worden gekwalificeerd, volgt het Hof de inspecteur hierin evenmin.


5.21.

Het Hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bezwaar niet als ‘kennelijk’ ongegrond kan worden gekwalificeerd. Dit leidt tot de conclusie dat de inspecteur ten onrechte geen dwangsom heeft vastgesteld. Naar niet in geschil is dateert de ingebrekestelling van 15 maart 2013 en is de uitspraak op bezwaar van 20 januari 2014. Het Hof is van oordeel dat hiervan uitgaande de dwangsom dient te worden gesteld op € 1.260.


Slotsom

Dwangsom (kenmerk 14/01017)

5.22.

Het hoger beroep inzake de dwangsom is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient in zoverre te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank behoorde te doen, zal alsnog een dwangsom worden toegekend.


Navorderingsaanslag / boetebeschikking (kenmerk 14/01018)

5.23.

Nu het Hof de door belanghebbende in hoger beroep betreffende de Navorderingsaanslag en boete aangevoerde grieven ongegrond acht en enkel vanwege de door het Hof ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het hoger beroep tot de conclusie is gekomen dat de boete moet worden verminderd is het hoger beroep van belanghebbende inzake de Navorderingsaanslag en de boete ongegrond. Doende worden wat de rechtbank behoorde te doen zal het beroep ongegrond worden verklaard en de boete worden verminderd als hiervoor berekend (vgl. HR 16 september 2011, kenmerk 10/03571, ECLI:NL:HR:2011:BP8053, BNB 2011/286, r.o. 3.2.1).



6Kosten en griffierecht


Dwangsom (kenmerk 14/01017)

6.1.

Nu het hoger beroep inzake de dwangsom gegrond is, zal de inspecteur worden gelast het in die zaak door belanghebbende in eerste aanleg (kenmerk 14/951) en in hoger beroep (kenmerk 14/01017) verschuldigde griffierecht te vergoeden, zijnde € 45 respectievelijk € 122, derhalve in totaal € 167.


6.2.

Voorts ziet het Hof in deze gegrondverklaring aanleiding voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Het Hof stelt de zwaarte van de zaak op de factor 1,5. Hiervan uitgaande stelt het Hof het bedrag van de kosten van rechtsbijstand overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op:

Rechtbank: 2 punten (beroepschrift 1, zitting 1) x 1,5 (zwaarte) x € 496 = € 744; en

Hof: 2 punten (hoger beroepschrift 1, zitting 1) x 1,5 (zwaarte) x € 496 = € 744.

Totaal derhalve: € 1.488.


Navorderingsaanslag / boetebeschikking (kenmerk 14/01018)

6.3.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet of voor een vergoeding van griffierechten (HR 16 september 2011, kenmerk 10/03571, ECLI:NL:HR:2011:BP8053, BNB 2011/286, r.o. 3.2.2). De rechtbank heeft geen griffierechten geheven in de zaak met kenmerk 14/952, zodat voor een vergoeding in zoverre hoe dan ook geen aanleiding bestaat.



7Beslissingen in hoger beroep


Dwangsom (kenmerk 14/1017)

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep inzake de dwangsom gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt de door de inspecteur verbeurde dwangsom vast op een bedrag van € 1.260;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.488; en

- gelast de inspecteur het griffierecht in eerste aanleg en hoger beroep, in totaal € 167, aan belanghebbende te vergoeden.


Navorderingaanslag / boetebeschikking (kenmerk 14/01018)

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep ongegrond, en

- vermindert de boete tot € 10.843.



De uitspraak is gedaan door mrs. A.A. Fase, voorzitter, P.F. Goes en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 4 februari 2016 in het openbaar uitgesproken.








Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.