Gerechtshof Amsterdam, 04-07-2017 / K16/0347


ECLI:NL:GHAMS:2017:2619

Inhoudsindicatie
Artikel 12 Sv. Afwijzing beklag ter zake van smaad(schrift)/laster en belediging.
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2017-07-04
Publicatiedatum
2017-07-05
Zaaknummer
K16/0347
Procedure
Raadkamer
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER




Beschikking van 4 juli 2017 op het beklag met het rekestnummer K16/0347 van



[klaagster] ,

klaagster,

domicilie kiezende ten kantore van haar gemachtigde:

[advocaat] , advocaat te Zoetermeer.



1Het beklag


Het klaagschrift is op 19 juli 2016 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde], ter zake van smaad(schrift)/laster en belediging.


2Het verslag van de advocaat-generaal


Bij verslag van 2 januari 2017 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.


3De voorhanden stukken


Behalve van het klaagschrift met bijlagen en van het verslag heeft het hof kennis genomen van het in deze zaak door de politie opgemaakte proces-verbaal van aangifte, van het ambtsbericht namens de hoofdofficier van justitie te Amsterdam van 27 september 2016 en van de schriftelijke reactie van de gemachtigde van 25 januari 2017.


Aan deze beschikking zijn kopieën van het verslag en het ambtsbericht gehecht.


4De behandeling in raadkamer


Het hof heeft klaagster in de gelegenheid gesteld op 10 mei 2017 het beklag toe te lichten. Klaagster is, bijgestaan door de gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.


Klaagster heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:


Ik ben bewust niet naar de discussiebijeenkomst op 31 januari 2016 in Amsterdam gegaan. Ik wist dat die bijeenkomst was georganiseerd naar aanleiding van het verschijnen van het boek van [schrijver] en dat beklaagde als spreker was uitgenodigd. Ik was niet uitgenodigd, maar als ik had gewild had ik ernaartoe kunnen gaan, want een ieder kon komen.

Ik heb [schrijver] vrij snel na het verschijnen van zijn boek ter verantwoording geroepen voor de bijdrage van beklaagde aan het boek, omdat beklaagde daarin meermalen het woord “neger” gebruikt. [schrijver] liet de beslissing over het gebruik van dit woord echter aan beklaagde over en het n-woord werd niet geschrapt. Ik heb toen mijn verdere medewerking aan het boek alsnog ingetrokken.

Ik heb nooit gewerkt voor de regering in Suriname. Ik ben zesenveertig jaar ambtenaar bij de gemeente Den Haag geweest en nu ben ik met pensioen.

Beklaagde gebruikt het n-woord niet functioneel, maar als belediging tegen mij en dat weet hij. Het n-woord is discriminerend en racistisch. Ook de politiek hoort daar oplettend op te zijn. Ik leg relevante documenten met betrekking tot het n-woord aan u over.


De gemachtigde heeft – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht:


Het woord “neger” is door de CERD (Committee on the Elimination of Racial Discrimination) aangeduid als een ongewenst woord in verband met de link naar slavernij. Het woord is op zijn minst besmet en moet vermeden worden. Beklaagde heeft het woord bij herhaling in zijn voorgelezen brief richting mijn cliënte gebezigd en dat was niet essentieel voor zijn bijdrage aan het debat; het gebruik van het woord “negerin” was onnodig grievend en beledigend. Met betrekking tot het delict van smaad heb ik in mijn schriftelijke reactie al opgemerkt dat de uitlatingen van beklaagde met het oog op een bewezenverklaring van dit delict voldoende specifiek en feitelijk zijn en dat een aanduiding naar tijd en plaats niet is vereist. Mijns inziens dient beklaagde vervolgd te worden voor belediging en laster.


De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft zij geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien. De advocaat-generaal heeft haar schriftelijke aantekeningen aan het hof overgelegd. Ook heeft zij delen uit de bijdrage van klaagster aan het boek van [schrijver] overgelegd (screenshots e-book).


5De beoordeling van het beklag


Uit het dossier komt het volgende naar voren


Klaagster heeft op 5 februari 2016 aangifte gedaan van smaad/laster en belediging door beklaagde. Volgens de aangifte heeft beklaagde op 31 januari 2016 tijdens een discussiebijeenkomst bij de organisatie SIMUD (Stichting Instituut voor Multiculturele Dienstverlening) te Amsterdam een brief van zijn hand laten voorlezen door een journalist. Deze discussiebijeenkomst vond plaats naar aanleiding van een door [schrijver] uitgebracht boek getiteld “Surinamers in de polder” en werd rechtstreeks uitgezonden door een lokaal radiostation. In de voorgelezen tekst van beklaagde is klaagster meermalen aangeduid met het woord “negerin” en komt voor dat klaagster werkt voor de moordenaar [naam] en dat zij [naam] dient.


Op 5 juli 2016 heeft de officier van justitie de zaak geseponeerd op grond dat geen sprake is van strafbare feiten.


Klaagster kan zich niet verenigen met deze beslissing van de officier van justitie.

Klaagster heeft grote bezwaren tegen het gebruik van het woord “neger/negerin” door beklaagde, omdat het rechtstreeks verwijst naar het slavernijverleden van de Surinamers van Afrikaanse afkomst en van mensen van Afrikaanse afkomst die ten gevolge van de slavenhandel in andere werelddelen terecht zijn gekomen. De zin van beklaagde inhoudende dat klaagster “voor de moordenaar [naam] werkt en de staatsterreur en moorden van deze gangster met de zogenaamde waarheidscommissie heeft bedekt” is zeer concreet en daarmee is sprake van tenlastelegging van een voldoende specifiek bepaald feit in de zin van smaad/laster.

Beklaagde kan ook worden vervolgd voor belediging nu hij klaagster heeft aangeduid met woorden als “een kennelijk gefrustreerde negerin”, “de negerin [klaagster] ”, “deze negerin” en “focking lafaard”. Zij deelt niet de visie van de officier van justitie dat de context van het maatschappelijk debat het beledigende karakter aan de door beklaagde gekozen woorden ontneemt; als dat al moet worden aangenomen dan is het woordgebruik in elk geval onnodig grievend, aldus klaagster.


Het Openbaar Ministerie heeft zich naar aanleiding van het klaagschrift op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het delict van smaad/laster niet is voldaan aan het ten laste leggen van een bepaald feit, waarmee is bedoeld een concrete historische gedraging. De door beklaagde gebezigde woorden “werken voor [naam] ” en “bedekken van staatsterreur en moorden met de waarheidscommissie” zijn te algemeen en onvoldoende in plaats en tijd te duiden.

Met klaagster is het Openbaar Ministerie van mening dat de door beklaagde gebezigde woorden “neger” en “negerin” op zichzelf genomen beledigend zijn, maar dat beklaagde deze woorden heeft gebezigd in een maatschappelijk debat om het belang van de vrijheid van meningsuiting te onderstrepen. Deze context ontneemt het beledigend karakter aan beklaagdes uitlatingen. Voorts is er geen wanverhouding tussen enerzijds de functionaliteit van de uitlatingen, gedaan in de context van het maatschappelijk debat, en anderzijds de mate van grievendheid. Tenslotte, het bestanddeel “door telastlegging van een bepaald feit” kan niet worden bewezen.


De overwegingen van het hof


Het hof heeft allereerst te beoordelen of vervolging op basis van de aanwijzingen in het dossier ertoe zou kunnen leiden dat de strafrechter aan wie de zaak zou worden voorgelegd, tot een bewezenverklaring zou komen. Als dat niet het geval is, heeft het hof te beoordelen of aanvullend onderzoek tot een andere opvatting zou kunnen leiden. Indien een bewezenverklaring mogelijk zou kunnen zijn, dient het hof vervolgens te beoordelen of er voldoende maatschappelijk belang is dat de vervolging kan rechtvaardigen.


Beklaagdes uitlatingen zijn voorgelezen tijdens een discussiebijeenkomst die plaatsvond naar aanleiding van het verschijnen van een boek van politicus [schrijver] . Het gaat om een interviewbundel getiteld “Surinamers in de polder” waarin vijftien bekende Surinaamse Nederlanders, onder wie beklaagde en aanvankelijk ook klaagster, aan het woord komen en vertellen over hun komst naar Nederland, over hun persoonlijke ervaringen en over hun visie op Nederland. Omdat het uitkomen van het boek voor de nodige opschudding zorgde, had [schrijver] discussiebijeenkomsten in den lande georganiseerd, waaronder die op 31 januari 2016 in Amsterdam.

Hieraan voorafgaand, na het verschijnen van de eerste druk in december 2015, had klaagster [schrijver] ter verantwoording geroepen voor de bijdrage van beklaagde aan zijn boek, omdat beklaagde hierin meermalen het woord “neger” gebruikt. [schrijver] liet de beslissing om aan klaagsters bezwaren tegemoet te komen aan beklaagde over; het woord “neger” werd niet geschrapt. Hierop heeft klaagster haar medewerking aan het boek alsnog ingetrokken; in een volgende druk zal het interview met haar niet meer worden opgenomen.


In de op 31 januari 2016 in Amsterdam voorgelezen brief van beklaagde wordt aan de orde gesteld dat klaagster niet bij [schrijver] maar bij hem, beklaagde, had moeten klagen. Beklaagde gaat verder in op het gebruik van het woord “neger” en andere kwalificaties van personen op basis van hun afkomst en ook schrijft hij dat klaagster voor [naam] werkt en diens staatsterreur en moorden met een waarheidscommissie heeft bedekt; dit laatste kennelijk naar aanleiding van de inhoud van de bijdrage van klaagster aan het boek van [schrijver] . Volgens de brief gaat het beklaagde erom dat de vrijheid van meningsuiting een groot goed is in een democratisch land als Nederland en dat iedere gedachte en ieder woord geuit moet kunnen worden binnen de grenzen van de wet waarbij de rechter oordeelt of grenzen zijn overschreden.



- Ten aanzien van smaad


Art. 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht luidt:

Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.


Met een “bepaald” feit wordt gedoeld op een concrete gedraging tegen één of meer aanwijsbare personen. Het tenlastegelegde feit is bepaald indien het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst.

Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het "feit" niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging.


De door beklaagde gedane uitlatingen houden in dat klaagster: “… voor de moordenaar [naam] werkt en de staatsterreur en moorden van deze gangster met de zogenaamde waarheidscommissie heeft bedekt.”


Het hof is van oordeel dat hiermee geen sprake is van een duidelijk te onderkennen concrete gedraging die klaagster wordt ten laste gelegd, maar eerder van uitlatingen van suggestieve aard. Het is niet te verwachten dat de strafrechter aan wie de zaak zou worden voorgelegd op grond hiervan tot een bewezenverklaring van het bestanddeel “telastlegging van een bepaald feit” zou komen.


- Ten aanzien van eenvoudige belediging


Artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht luidt:

Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of bij afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.


De strafrechter moet eerst beoordelen of de uitlating op zichzelf beledigend is. Als dat het geval is dient hij zich af te vragen of de (maatschappelijke/artistieke) context waarin de uitlating is gedaan het beledigend karakter van de uitlating wegneemt. Als dat laatste het geval is dient hij te beslissen over de vraag of de uitlating onnodig grievend is.


Het hof gaat er van uit dat de strafrechter in dit geval tot het oordeel zou kunnen komen dat de uitlatingen van beklaagde op zichzelf beledigend zijn.

Wat de context aangaat: beklaagdes uitlatingen zijn voorgelezen tijdens een openbare discussiebijeenkomst naar aanleiding van het verschijnen van een boek met interviews dat voor enige opschudding in de samenleving zorgde. Beklaagde heeft in de brief onder meer (en kennelijk in het bijzonder naar aanleiding van de bijdrage van klaagster aan dat boek) kritiek geleverd op aanduiding van mensen op basis van hun afkomst (of die van hun voorouders). Het hof verwacht dat de strafrechter gelet op deze context van het publieke debat zou oordelen dat het beledigende karakter van beklaagdes uitlatingen wordt weggenomen. Gelet op de – ook in verband met de door beklaagde ten aanzien van zichzelf gebruikte – karikaturale kwalificaties, valt ook niet te verwachten dat de uitlatingen als onnodig grievend zullen worden aangemerkt.

:

Dit brengt het hof tot het oordeel dat niet is te verwachten dat de strafrechter aan wie de zaak zou worden voorgelegd tot bewezenverklaring van strafbare feiten zou komen. Het hof ziet geen aanknopingspunten om nog nader onderzoek te doen verrichten.


Het hof is gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om beklaagde niet te vervolgen op goede gronden is genomen en zal het beklag afwijzen.


6De beslissing


Het hof wijst het beklag af.



Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

4 juli 2017 door mrs. P.C. Kortenhorst, voorzitter, M.J.G.B. Heutink en M.F.J.M. de Werd, raadsheren, in tegenwoordigheid van J.K. Krijnen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.