Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16-09-2008 / K08/0162


ECLI:NL:GHSHE:2008:BF4176

Inhoudsindicatie
Klacht ex artikel 12 Sv.; art. 41 Sr. Het hof acht gerechtvaardigd dat beklaagde zijn vuurwapen heeft getrokken toen hij klager op zich af zag komen. Of er vervolgens ter noodzakelijke verdediging van zichzelf ook voldoende rechtvaardiging bestond voor beklaagde om zijn vuurwapen daadwerkelijk te gebruiken, staat evenwel niet vast. Op grond van het dossier is naar ’s hofs oordeel namelijk onvoldoende duidelijk wat de oorzaak is van het feit dat de kogel vanaf de zijkant de auto is binnengedrongen. Het hof sluit niet uit dat – gelet op het feit dat het vuurwapen van beklaagde voorzien is van een “double-action” systeem – beklaagde de trekker overhaalde op een moment dat hij nog handelde ter noodzakelijke verdediging van zichzelf. In dat geval komt beklaagde een beroep op noodweer toe. Echter, ook valt naar het oordeel van het hof niet uit te sluiten dat beklaagde de trekker overhaalde op een moment dat zulks niet meer nodig was ter noodzakelijke verdediging van zichzelf. Het hof acht in dat geval evenwel, gelet op de omstandigheden waarin beklaagde zich bevond, aannemelijk dat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de handeling van klager veroorzaakt. In dat geval komt beklaagde een beroep op noodweer-exces toe.
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2008-09-16
Publicatiedatum
2008-10-02
Zaaknummer
K08/0162
Procedure
Raadkamer
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

K08/0162


GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH




Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 16 september 2008 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:



[klager],

wonende te Brunssum,

hierna te noemen: klager,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht,


over de beslissing van de officier van justitie te Maastricht tot het niet vervolgen van:



[beklaagde],

wonende te Stein,

hierna te noemen: beklaagde,



wegens poging tot doodslag c.q. poging tot zware mishandeling.



De feitelijke gang van zaken.


Op 11 mei 2005 heeft klager aangifte gedaan van poging tot doodslag c.q. poging tot zware mishandeling, beweerdelijk jegens hem gepleegd door beklaagde.


Op 3 juli 2006 is door de hoofdofficier van justitie aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat sprake was van noodweer(exces).


Hierop heeft klager bij schrijven van 16 april 2008 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 17 april 2008, met het verzoek de vervolging te bevelen.


De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 22 mei 2008 het hof geraden primair klager niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair het beklag af te wijzen.


Op 19 augustus 2008 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klager en zijn advocaat.


De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.



De beoordeling.


Ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid:


De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat klager in zijn beklag niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de lange tijd die is verstreken tussen het moment waarop klager in kennis is gesteld van het feit dat beklaagde niet vervolgd wordt en het indienen van het klaagschrift.


Het hof is, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat er geen aanleiding is klager in zijn beklag niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de wet – buiten de gevallen als bedoeld in de artikelen 12k en 12l van het Wetboek van Strafvordering, welke artikelen niet op de onderhavige kwestie van toepassing zijn – geen termijn stelt aan het doen van beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof verklaart klager ontvankelijk in zijn beklag.


Ten aanzien van de inhoudelijke klacht:


Klager heeft op 4 oktober 2004 getracht zich te onttrekken aan zijn aanhouding door de politie. Hij is op hoge snelheid weggereden, waarbij de politieauto hem moest achtervolgen. Op enig moment kwam de auto van klager op een bouwterrein tot stilstand, waarop beklaagde – één van de politieagenten – trachtte uit te stappen. De auto van klager raakte de politieauto, waardoor beklaagde verhinderd was onmiddellijk uit te stappen. Toen de auto van klager verder achteruit gereden was, stapte beklaagde uit en trachtte hij klager aan te houden. Daarop reed klager met zijn auto rakelings langs beklaagde. Beklaagde zag de auto van klager in zijn richting komen, trok vervolgens zijn dienstwapen en loste een schot. De kogel raakte de auto van klager aan de zijkant, maar klager bleef ongedeerd. Omdat klager zijn auto klemreed, kon hij alsnog worden aangehouden.


Klager heeft verklaard dat hij niet op beklaagde is ingereden en dat hij beklaagde niet heeft zien staan; hij trachtte slechts weg te komen. Hierdoor is van poging tot doodslag geen sprake. Dit verweer is in zijn strafzaak gehonoreerd. Het dossier bevat het vonnis van de rechtbank waaruit blijkt dat klager – op dit onderdeel – is vrijgesproken. De reden daarvoor is met name dat is gebleken dat klager van beklaagde wegstuurde toen hij in zijn richting reed.


Beklaagde heeft in zijn aangifte verklaard dat de auto van klager recht op hem afkwam en dat hij geen kant op kon. Hij vreesde te worden aangereden en zag geen andere uitweg om zijn leven zeker te stellen dan gebruik te maken van zijn dienstwapen. Nadat de auto van klager in eerste instantie recht op beklaagde afreed, draaide de bestuurder op het laatste moment naar links waardoor hij beklaagde rakelings passeerde.


Uit technisch onderzoek is gebleken dat de auto van klager beklaagde passeerde op minder dan 60 cm. afstand. Voorts is gebleken dat het op locatie donker was en dat beklaagde ter plaatse niet bekend was. Tenslotte is vastgesteld dat het vuurwapen waarvan beklaagde gebruik maakte een semi-automatisch vuurwapen betreft, voorzien van een “double-action” systeem. Als gevolg hiervan bestaat enig tijdsverschil tussen het overhalen van de trekker en het moment waarop de kogel het vuurwapen verlaat.


Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat beklaagde op enig moment de auto van klager met hoge snelheid op zich af zag komen, terwijl hij ter plaatse onbekend was en het bovendien donker was. Het hof is van oordeel dat beklaagde er onder die omstandigheden vanuit mocht gaan dat er een reële kans was dat hij zou worden aangereden door klager. Dat klager uiteindelijk niet wegens poging tot doodslag is veroordeeld, doet aan het vorenstaande niet af.


Het hof acht gerechtvaardigd dat beklaagde zijn vuurwapen heeft getrokken toen hij klager op zich af zag komen. Of er vervolgens ter noodzakelijke verdediging van zichzelf ook voldoende rechtvaardiging bestond voor beklaagde om zijn vuurwapen daadwerkelijk te gebruiken, staat evenwel niet vast. Op grond van het dossier is naar ’s hofs oordeel namelijk onvoldoende duidelijk wat de oorzaak is van het feit dat de kogel vanaf de zijkant de auto is binnengedrongen. Het hof sluit niet uit dat – gelet op het feit dat het vuurwapen van beklaagde voorzien is van een “double-action” systeem – beklaagde de trekker overhaalde op een moment dat hij nog handelde ter noodzakelijke verdediging van zichzelf. In dat geval komt beklaagde een beroep op noodweer toe. Echter, ook valt naar het oordeel van het hof niet uit te sluiten dat beklaagde de trekker overhaalde op een moment dat zulks niet meer nodig was ter noodzakelijke verdediging van zichzelf. Het hof acht in dat geval evenwel, gelet op de omstandigheden waarin beklaagde zich bevond, aannemelijk dat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de handeling van klager veroorzaakt. In dat geval komt beklaagde een beroep op noodweer-exces toe.


Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen.



De beslissing.



Het hof verklaart klager ontvankelijk in zijn beklag.


Het hof wijst het beklag af.






Aldus gegeven door

mr. P.A.M. Hendriks, als voorzitter,

mr. A.J.W.M. Jurgens en mr. F.J.M. Walstock, als raadsheer,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, als griffier.


op 16 september 2008.



Mr. Jurgens is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.