Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-04-2019 / 20-000421-16


ECLI:NL:GHSHE:2019:1242

Inhoudsindicatie
Fiscale fraudezaak. De fiscale fraudekamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het meermalen opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden. Overwegingen over de wijze van tenlasteleggen van grote aantallen feiten in fiscale fraudezaken en het rekening houden met de grootschaligheid van het delict in de straftoemeting.
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2019-04-02
Publicatiedatum
2019-04-04
Zaaknummer
20-000421-16



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Viditax (FutD), 04-04-2019
  • FutD 2019-0996
  • V-N Vandaag 2019/847
  • NJFS 2019/223
  • V-N 2019/50.19.3
Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH



Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000421-16

Uitspraak : 2 april 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 2 februari 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-994004-14 tegen:


[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1981,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:[adres] .



Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.



Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.


Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.


De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.


De raadsman van de verdachte heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof. Voor wat betreft de straftoemeting heeft de verdediging zich geschaard achter de vordering van de advocaat-generaal.



Vonnis waarvan beroep


Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.


Tenlastelegging


Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 juli 2011 tot en met 1 augustus 2012, in elk geval op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks het jaar 2011 en/of het jaar 2012, te Berkel en Rodenrijs in de gemeente Lansingerland en/of in de gemeente(n) Oss en/of Rotterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [vennootschap] B.V. en/of met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (maand)aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [vennootschap] B.V. over een (groot) aantal aangiftetijdvakken, waaronder juni 2011 (D-854) en/of september 2011 (D-857) en/of december 2011 (D-860) en/of maart 2012 (D-863) en/of juni 2012 (D-866) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans laten doen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of [vennootschap] B.V. en/of (één of meer van) hun medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken), in elk geval één of meer tijdvak(ken), – zakelijk weergegeven – (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven en/of doen opgeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[vennootschap] B.V., hierna te noemen ‘de B.V.’, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 juli 2011 tot en met 1 augustus 2012, in elk geval op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks het jaar 2011 en/of het jaar 2012, te Berkel en Rodenrijs in de gemeente Lansingerland en/of in de gemeente(n) Oss en/of Rotterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (maand)aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [vennootschap] B.V. over een/de (groot) aantal aangiftetijdvakken, waaronder juni 2011 (D-854) en/of september 2011 (D-857) en/of december 2011 (D-860) en/of maart 2012 (D-863) en/of juni 2012 (D-866) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans laten doen, immers heeft/hebben de B.V. en/of (één of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken), in elk geval één of meer tijdvak(ken), – zakelijk weergegeven – (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven en/of doen opgeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.


De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.



Geldigheid van de dagvaarding


Aan de verdachte is ten laste gelegd, zowel in de primaire als in de subsidiaire variant, dat hij in de periode 8 juli 2011 tot en met augustus 2012 – ofwel als medepleger (primair), ofwel als feitelijke leidinggever (subsidiair) – aangiften voor de omzetbelasting over een (groot) aantal tijdvakken onjuist of onvolledig heeft gedaan, waaronder de tijdvakken juni, september en december 2011 alsmede maart en juni 2012.


De bedoeling van de steller van de tenlastelegging is, gelet op de tekst, zo begrijpt het hof, om naast de expliciet genoemde tijdvakken mede nog een (groot) aantal andere tijdvakken ten laste te leggen. In de tenlastelegging is niet kenbaar gemaakt welke andere aangiftetijdvakken het betreft.


De rechtbank heeft overwogen dat uit de wijze waarop ten laste is gelegd, namelijk door het woord ‘waaronder’ te bezigen, blijkt dat het de steller van de tenlastelegging ging om alle onjuiste aangiften omzetbelasting van de vennootschap in de betreffende periode.


Hoewel de verdediging geen beroep heeft gedaan op (partiële) nietigheid van de dagvaarding en het kennelijk voor de verdediging duidelijk was waartegen deze zich had te verdedigen, ziet het hof, naar aanleiding van genoemde overweging van de rechtbank, aanleiding om zich ambtshalve uit te laten over de geldigheid van de dagvaarding.


Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering dient de dagvaarding immers een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse alsmede de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan. De tenlastelegging strekt er daarbij toe voor de procesdeelnemers – zowel voor het Openbaar Ministerie en de rechter als voor de verdachte – de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen.


In geval van tenlasteleggingen waarbij grootschaligheid van de feiten aan de orde is heeft de Hoge Raad, met betrekking tot tenlastelegging van het bezit van kinderpornografie, richtinggevende arresten gewezen en uitgangpunten geformuleerd met betrekking tot de strafrechtelijke beoordeling van het op grotere schaal voorhanden hebben van kinderporno. In die arresten zijn opmerkingen geplaatst over de wijze van tenlasteleggen en de wijze waarop bij de straftoemeting rekening kan worden gehouden met het grootschalig karakter van het delict.

Die uitgangspunten komen hierop neer dat de steller van de tenlastelegging zich bij voorkeur zou moeten beperken tot het beschrijven van een selectie van een gering aantal representatieve afbeeldingen, zo mogelijk ten hoogste vijf, zonder in de tenlastelegging zelf enige aanduiding van of verwijzing op te nemen naar een wellicht grotere hoeveelheid waarvan die afbeeldingen deel uitmaken. In geval van bewezenverklaring van het handelen van de verdachte met betrekking tot een of meer van die in de tenlastelegging omschreven afbeeldingen kan vervolgens bij de straftoemeting rekening worden gehouden met het grootschalig karakter van het delict, bijvoorbeeld op grond van de erkenning door de verdachte van het grootschalig karakter.


Het hof acht deze jurisprudentie mede van belang in de onderhavige zaak, waar het gaat om tenlastelegging van fiscale delicten. Die delicten zien immers eveneens vaak op grotere aantallen feiten.


De steller van de onderhavige tenlastelegging heeft zich, in afwijking van de door de Hoge Raad aanbevolen werkwijze, niet beperkt tot tenlastelegging van een beperkte selectie, te weten vijf aangiften voor de omzetbelasting, aangezien, zo begrijpt het hof de tenlastelegging, juist is bedoeld om nog meer, en eventueel een groot aantal aangiften ten laste te leggen. Daarbij is vervolgens niet vermeld, zoals vereist in het door de Hoge Raad aangereikte model, door middel van een (specifieke) aanduiding van bijvoorbeeld de documentnummers, welke aangiften voor de omzetbelasting (in de pleegperiode) nog meer onder het ten laste gelegde begrepen dienen te worden.


Een en ander heeft consequenties, niet alleen voor de straftoemeting, maar allereerst voor de grondslag van het onderzoek, de bewezenverklaring en de daarbij in het arrest of in de aanvulling daarop op te nemen bewijsmiddelen. Het hof is derhalve van oordeel dat het op de weg van het Openbaar Ministerie ligt om hierover duidelijkheid te scheppen. Het hof constateert dat in de onderhavige zaak, door de wijze waarop de steller van de tenlastelegging in het midden heeft gelaten:

(a) of gekozen wordt voor tenlastelegging van slechts vijf feiten, zonder vermelding van meer feiten, waarbij het grote aantal in de straftoemeting wordt meegenomen, dan wel

(b) of ervoor gekozen wordt een groot aantal ten laste te leggen waarbij, naast vijf representatieve feiten, ook (specifiek) is aangeduid welke feiten nog meer worden bedoeld,ten aanzien van de dagvaarding niet is voldaan aan de vereisten van duidelijkheid die te stellen zijn aan een dagvaarding.


Het hof zal de dagvaarding op het punt van het woord ‘waaronder’ derhalve nietig verklaren. Het hof zal vervolgens bij de straftoemeting toekomen aan de vraag naar de grootschaligheid van het delict.



Vrijspraak primair ten laste gelegde


De verdachte staat ingevolge hetgeen primair aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van het tezamen en in vereniging met [vennootschap] B.V. opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting.


Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij [vennootschap] B.V., een onderneming die zich bezighield met schoonmaakwerkzaamheden in (voornamelijk) het openbaar vervoer, op 23 juni 2011 heeft overgenomen. Sindsdien was hij de feitelijke leidinggevende. De verdachte heeft bekend dat hij vrijwel direct na de overname is begonnen met het aangeven van een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting. Alle aangiften omzetbelasting over de aangiftetijdvakken juni 2011 tot en met mei 2012 zijn door hem onjuist gedaan. De verdachte diende deze aangiften naar zijn zeggen zelf in, zonder hulp of betrokkenheid van anderen.


Anders dan de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat, nu niet is gebleken van enige betrokkenheid van derden bij het indienen van de onjuiste aangiften omzetbelasting, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [vennootschap] B.V. bij het doen van de aangiften omzetbelasting.


Het bewezenverklaarde handelen van de verdachte dient naar het oordeel van het hof daarentegen te worden aangemerkt als het feitelijke leidinggeven aan het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting door de belastingplichtige rechtspersoon [vennootschap] B.V., zoals is omschreven in het subsidiair tenlastegelegde feit op de dagvaarding.


Het vorenoverwogene leidt er aldus toe dat het hof de verdachte zal vrijspreken van hetgeen primair aan hem ten laste is gelegd.



Bewezenverklaring


Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


[vennootschap] B.V., hierna te noemen ‘de B.V.’, op tijdstippen in de periode van 8 juli 2011 tot en met 1 augustus 2012, te Berkel en Rodenrijs in de gemeente Lansingerland en/of in de gemeenten Oss en/of Rotterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, meermalen telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten maandaangiften voor de omzetbelasting ten name van [vennootschap] B.V. over de aangiftetijdvakkenjuni 2011 en september 2011 en december 2011 enmaart 2012 en juni 2012 onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft de B.V. toen aldaar telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken, telkens valselijk en in strijd met de waarheid een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting doen opgeven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.


Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.



Bewijsmiddelen


Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Roermond, op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, dossiernummer 50970, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst/FIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-1456.


Met betrekking tot het bewezen verklaarde volstaat het hof, gelet op de bekennende verklaring van verdachte daaromtrent, met de navolgende opgave van de bewijsmiddelen conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.


1.

Aangiften omzetbelasting ten name van [vennootschap] B.V. over de aangiftetijdvakken juni 2011, september 2011, december 2011, maart 2012 en juni 2012, dossierpagina’s 1283-1295.


2.

Ambtsedige verklaring omzetbelasting met bijlagen, dossierpagina’s 1259-1282, opgemaakt door [belastingambtenaar] , belastingambtenaar, inhoudende de verklaring dat over de tijdvakken juni 2011 tot en met juli 2012 de aangiften omzetbelasting betreffende de belastingplichtige [vennootschap] B.V. digitaal zijn binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst en als bijlage 2/24 (dossierpagina 1260) een overzicht van datum en tijdstip waarop de desbetreffende aangiften zijn ontvangen door de Belastingdienst/Centrale administratie Apeldoorn.


3.

Proces-verbaal van ambtshandeling inzake het nadeel, dossierpagina’s 113-117, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD, inhoudende het relaas van voormelde verbalisant over de nadeelberekening ontstaan als gevolg van het opzettelijk indienen van aangiften omzetbelasting.



4.

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 maart 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte [verdachte] ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting, zoals bewezen is verklaard.



Bewijsoverwegingen


De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.


Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.



Strafbaarheid van het bewezen verklaarde


Het bewezen verklaarde van het subsidiair ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:


opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.



Strafbaarheid van de verdachte


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.



Op te leggen straf


Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.


Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijke leidinggeven aan het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Hoewel de verdachte omzetbelasting op facturen van door [vennootschap] B.V. verrichte diensten in rekening heeft gebracht, heeft hij verzuimd om de omzetbelasting volledig aan te geven en te voldoen. De verdachte heeft namelijk op de aangiften omzetbelasting over de maanden juni 2011 tot en met mei 2012 telkens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. Uit het procesdossier komt naar voren dat de verdachte al meteen nadat hij de onderneming van [vennootschap] B.V. had overgenomen, is begonnen met zijn frauduleuze handelen.


De verdachte heeft naar het oordeel van het hof geen openheid van zaken gegeven met betrekking tot vragen hoe hij ertoe gekomen is voor 2 miljoen euro een bedrijf te kopen van de echtgenoot van zijn schoonzus en diens broer, welke beiden na de verkoop nog als accountmanager voor het bedrijf zijn blijven werken tegen een zeer hoog salaris, onder de verplichting voor de verdachte om maandelijks een bedrag van 150.000 euro af te lossen aan de broers. Een en ander heeft vragen opgeroepen, mede omdat een van de broers bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij het bedrijf nooit verkocht zou hebben als er maandelijks zoveel winst uit gehaald kon worden en dat het bedrijf te koop stond omdat de onderneming minder goed liep.


De verdachte heeft verklaard dat de voormalige eigenaren van het bedrijf niets afwisten van zijn onjuiste belastingaangiften en ook uit het dossier is niet gebleken van bewijs daarvoor.

Het hof gaat er daarom op basis van de voorhanden gegevens vanuit dat de verdachte geheel alleen heeft gehandeld. Over zijn gedragingen heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep nog verklaard dat een of meer geldschieters zich voor de aankoop van het bedrijf teruggetrokken hadden, maar dat hij het bedrijf desalniettemin gekocht heeft omdat het hem qua carrière een mooie kans leek. Hij heeft daarbij, naar eigen zeggen, te veel hooi op zijn vork genomen. In die periode was de verdachte naar zijn zeggen tevens gokverslaafd en heeft hij grote bedragen aan gokken uitgegeven.


Een en ander heeft er, zo concludeert het hof, kennelijk toe geleid dat de verdachte gelijk na de aankoop welbewust is gaan frauderen.


De Staat der Nederlanden en de Europese Unie hebben als gevolg van de door de verdachte begane belastingfraude een belastingnadeel van € 1.018.128,00 geleden. Dit bedrag is gebaseerd op het nadeel dat is ontstaan als gevolg van veertien zich in het dossier bevindende onjuiste aangiften omzetbelasting. Hoewel in de tenlastelegging slechts vijf van die veertien aangiften omzetbelasting zijn gespecificeerd, is het hof met de rechtbank van oordeel dat bij de straftoemeting rekening kan worden gehouden met het nadeel dat is ontstaan als gevolg van het indienen van al die aangiften.

De verdachte is in het vooronderzoek over alle aangiften, dus meer dan de in de tenlastelegging gespecificeerde aangiften, gehoord en ter terechtzitting in hoger beroep zijn alle aangiften in de tenlastegelegde periode aan de verdachte voorgehouden, waarna hij ter zake van het opzettelijk onjuist indienen van al die aangiften een bekennende verklaring heeft afgelegd.


Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Bij belastingheffing zijn immers in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Hij heeft de fiscus als financier gebruikt voor eigen geldelijk gewin, kennelijk ofwel om de aankoopsom van zijn onderneming te financieren, ofwel om zijn gokverslaving te kunnen bekostigen. Het door de verdachte aangevoerde voornemen om later, (vermoedelijk) door middel van het indienen van suppletieaangiften, de te weinig betaalde omzetbelasting alsnog te betalen, doet niet af aan de laakbaarheid van zijn handelen, temeer niet nu uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat de verschuldigde omzetbelasting nog steeds onbetaald is gebleven.

Het bewezenverklaarde strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat uitgegaan kan worden van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. De verdachte heeft hiervan grof misbruik gemaakt. Door aangiften te doen die niet stroken met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven.


Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, rekent het hof het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.


Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 januari 2019, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk door de rechter voor strafbare feiten is veroordeeld.


Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij thans geen vaste woonplaats heeft, dat hij geen inkomen geniet en gebukt gaat onder een grote schuldenlast, dat hij drie jonge kinderen heeft en dat een scheiding met zijn echtgenote aanstaande is. Ook heeft de verdachte naar eigen zeggen veel last van een schouderfractuur, waarvoor hij recent is geopereerd.


Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In de respectievelijk door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen komt de ernst van de bewezenverklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking, zodat daarmee naar ’s hofs oordeel niet kan worden volstaan. Het hof zal daarom overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van langere duur.


Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Daarbij heeft het hof tevens de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude, in aanmerking genomen. Voorts is gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd.


Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. Het hof stelt vast dat de verdachte op 9 december 2013 voor de eerste maal is verhoord door de FIOD. Nadat hij was gedagvaard voor de rechtbank en de zaak in eerste aanleg was behandeld, heeft de rechtbank op 2 februari 2016 vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 15 februari 2016 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 2 april 2019 – einduitspraak.


Het tijdsverloop tussen 9 december 2013, zijnde het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 2 jaren en 2 maanden. Het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en het wijzen van eindarrest bedraagt op basis van het voormelde bijna 3 jaren en 2 maanden. Voorts behelst de totale procesduur in eerste aanleg en hoger beroep meer dan 6 jaren.


Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de fases van eerste aanleg en hoger beroep in totaliteit met ongeveer 16 maanden is overschreden. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, zal het hof deze overschrijding in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd met 3 maanden.


Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden.



Toepasselijke wettelijke voorschriften


De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.



BESLISSING


Het hof:


vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:


verklaart de inleidende dagvaarding partieel nietig, namelijk voor wat betreft de daarin gebezigde bewoording ‘waaronder’;


verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;


verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.



Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. drs. P. Fortuin en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 2 april 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.



1 Zie o.a. Hoge Raad 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3124 en Hoge Raad 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3322.