Parket bij de Hoge Raad, 02-10-2012 / 10/05168


ECLI:NL:PHR:2012:BX5112

Inhoudsindicatie
Verjaring. HR ambtshalve: De feiten onder 3 zijn begaan in de periode van 9-7-1999 tot en met 9-7-2005. Op grond van art. 70.ahf. 2° Sr jo. art. 72.2 Sr beloopt de verjaringstermijn i.c. ten hoogste 2 maal 6 jr. Het OM is daarom nog slechts wat betreft een deel van de tenlastegelegde periode ontvankelijk in zijn vervolging. HR vernietigt de bestreden uitspraak m.b.t. feit 3 en de strafoplegging en wijst de zaak in zoverre terug.
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum genomen
2012-10-02
Publicatiedatum
2012-10-02
Zaaknummer
10/05168
Rechtsgebied
Strafrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RvdW 2012/1257
Conclusie

Nr. 10/05168

Mr. Hofstee

Zitting: 26 juni 2012


Conclusie inzake:


[Verzoeker = verdachte]


1. Verzoeker is bij arrest van 16 november 2010 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1 en 2 "Als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd en als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd" en 3 "Opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het Hof verzoeker veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.


2. Namens verzoeker heeft mr. J.M.M. Heilbron, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.(1)


3. Het eerste middel, in samenhang gelezen met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat er geen (directe) relatie kan worden vastgesteld tussen de tenlastegelegde informatieverstrekkingen en de giften en dat de tenlastegelegde giften hebben plaatsgevonden (soms jaren) voorafgaand aan de informatieverstrekking, niet, althans onvoldoende heeft weerlegd. Uit de door het Hof aangehaalde verklaringen alsmede uit de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen kan niet worden opgemaakt dat de giften op of nabij de tenlastegelegde periode zijn verstrekt, aldus de steller van het middel.


4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 november 2010 heeft de raadsvrouw van verzoeker het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig haar aan het Hof overlegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden - voor zover hier van belang - het navolgende in:

"(...)


2.2. Wetswijziging artikel 363 Sr


De feiten 1 en 2 (na wijzigingen tenlastelegging) hebben betrekking op artikel 363 van het wetboek van Strafrecht. Gedurende de periode dat cliënt strafrechtelijke verwijten wordt gemaakt is de wet echter gewijzigd. Het nieuwe (ruimere) artikel 363 Sr. is in februari 2001 in werking getreden. Dit is reden dat het OM de strafbare verwijten heeft opgesplitst in twee afzonderlijke feiten. Feit 2 heeft betrekking op de situatie voorafgaand aan de wetswijziging en feit 1 heeft betrekking op de periode ná februari 2001.


2.3. Periode voor wetwijziging (Feit 2):


Ik zal deze feiten afzonderlijk behandelen en beginnen met de "oude" situatie, ten laste gelegd als feit 2. Destijds was voorwaarde voor strafbaarheid ten aanzien van artikel 363 Sr. dat niet alleen de informatie werd verstrekt maar dat er daarnaast ook een tegenprestatie geleverd is.


Delictsbestanddeel is "het aannemen van een gift(...)" dient vervuld te worden. Blijkens de parlementaire geschiedenis ten aanzien van dit artikel is het delict zelfs pas voltooid op het moment dat de gift daadwerkelijk is aangenomen. Het "aannemen" wordt verder gezien als een feitelijk begrip. Indien een gift is beloofd maar deze uiteindelijk niet is ontvangen dan sluit dat strafbaarheid zelfs uit. Dat vooraf.


Naast vaststellen dat cliënt in de ten laste gelegde periode (1 januari 1999 t/m 31 december 2000) vertrouwelijke informatie naar buiten heeft gebracht zult u - op basis van het voorhanden zijnde dossier - moeten vast stellen of ten aanzien van die informatieverstrekking ook (telkens) een gift (belofte of dienst) heeft ontvangen. Ook het ontvangen van die gift/dienst zal in (of omstreeks) dezelfde periode maar in ieder geval in de ten laste gelegde periode moeten hebben plaatsgehad. Ik ben van mening dat u dat op basis van het dossier niet kunt vaststellen. Waardoor het delictsbestanddeel "het aannemen van een gift(...)" niet vervuld kan worden.


In het dossier zijn de (mede)verdachten uitvoering en langdurig gehoord. Beiden hebben naar mijn idee volledige openheid van zaken gegeven en hebben uitvoerige verklaringen afgelegd. De dagvaarding spitst zich echter toe op een aantal specifieke gegevensoverdrachten die - zoals uit de achterliggende stukken blijkt - weliswaar moeten hebben plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode. Maar ten aanzien van die (specifieke) gegevensoverdrachten blijkt allerminst dat er een gift, dienst of belofte is gevolgd.


De nadere feitelijke omschrijving van het aannemen van een gift, (hoogte van het) bedrag (6561,34 euro) alsmede de in de tenlastelegging genoemde leningen grijpt terug naar de nadeelberekening in de ontnemingszaak.


Cliënt en overigens ook medeverdachte [medeverdachte] verklaren wel over (geldelijke) vergoedingen en vriendendiensten die de twee elkaar hebben geleverd maar de periode waarover beide verdachten spreken zijn bijzonder ruim. Op pagina 54 van het dossier verklaart medeverdachte [medeverdachte] dat de periode dat de vrienden elkaar diensten hebben geleverd een periode van 15 tot 20 jaar betrof. Ook cliënt verklaart soortgelijk.


Omtrent de "giften" verschillen de verklaringen van cliënt en [medeverdachte] nogal. Ten tijde van het vervaardigen van deze pleitnotities is het helaas niet gelukt medeverdachte [medeverdachte] op dit punt nader te horen. U zult het ten aanzien van (het bewijs van) de giften met het dossier moeten doen.


De dagvaarding spitst zich ten aanzien van (het gewijzigde) feit 2 toe op de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000. In die periode zal bewijs voorhanden moeten zijn dat cliënt giften heeft ontvangen.


Een aantal specifieke financiële transacties zijn uitgewerkt in het dossier, ter illustratie het volgende:


A: lening BFL ten behoeve van de aankoop van een Honda Civic:


Zowel cliënt (p. 26 en p. 91 van Persoonsdossier [verdachte]) als [medeverdachte] (zie p. 13 en p. 50 van Persoonsdossier [medeverdachte]) verklaren over deze lening. Uit de opgevraagde bankrekeningen blijkt dat er op 7 augustus 2001 ook daadwerkelijk een bedrag van 2200 euro is bijgeschreven van BFL naar cliënt met als omschrijving "lening aankoop auto"/ "lening Benolux". Deze betaling valt niet in de (overigens al ruime) ten laste gelegde periode (1 januari 1999 tot en met 31 december 2000). Het is dan ook uiterst onwaarschijnlijk dat deze "lening"betrekking heeft op de verstrekkingen genoemd onder feit 2.


B: lening ECA:


[Medeverdachte] verklaart (zie p. 50 van Persoonsdossier [medeverdachte]) dat hij gezorgd heeft dat cliënt een tweede keer een lening heeft gekregen dit keer bij ECA. Cliënt heeft immer ontkend een lening bij (via?) ECA te hebben ontvangen (zie p. 91 persoonsdossier [verdachte]). Ook uit de nadeelberekening in de ontnemingszaak (p. 7) blijkt niet dat er daadwerkelijk een betaling heeft plaatsgevonden door ECA (of wie dan ook) aan cliënt. Gerapporteerd wordt: "Uit de gevorderde bankgegevens blijkt dat betalingen van ECA niet zijn aangetroffen". Wel wordt er door de rapporteur toch een bedrag meegenomen aangezien de betaling volgens de rapporteur dan voorafgaand aan de gevorderde periode zou moeten hebben plaatsgevonden. Deze redenatie snijdt geen hout nu de aangetroffen betaling (BFL) ook niet in de opgevraagde periode heeft plaatsgevonden. Blijkbaar heeft de bank over een ruimere periode dan verzocht gegevens verstrekt. In ieder geval ligt er in het dossier geen concreet bewijs dat - ten tijde ven de periode waar de tenlastelegging op ziet (1 januari 1999 tot en met 31 december 2000) leningen aan cliënt zijn verstrekt.


C: contante geldbedragen:


Cliënt verklaart (zie p. 26 Persoonsdossier [verdachte]) dat hij niet na elke verstrekking van informatie geld ontving. Ook [medeverdachte] verklaart dat de tegenprestatie nooit "één op één "ging (zie p. 13 Persoonsdossier [medeverdachte]). Ten aanzien van de verstrekkingen van informatie door cliënt ten laste gelegd onder feit 2 (5 data, 4 zaaksdossiers) zit in het dossier geen enkel bewijs dat ten aanzien van die verstrekkingen ook daadwerkelijk een contante betaling heeft plaatsgevonden.


D: overige diensten:


Verder verklaart cliënt nog dat [medeverdachte] hem eens heeft geholpen in verband met een loonbeslag. Ten aanzien van dit beslag heeft blijkens het dossier plaatsgevonden in 2004, derhalve niet gedurende de ten laste gelegde periode.


Ook verklaart cliënt over een geldbedrag dat hij heeft gevraagd ten behoeve van de verbouwing van zijn huis. Hij heeft het gevraagde bedrag nooit ontvangen. Zowel cliënt als [medeverdachte] verklaren hierover gelijkluidend. Cliënt heeft dit huis pas in 2005 aangekocht, ook deze belofte heeft niet plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode.


Uit de verklaringen en het overige dossier is niet althans niet voldoende duidelijk op te maken dat cliënt ten aanzien van de ten laste gelegde verstrekkingen een gift heeft ontvangen. Het delictsbestanddeel "het aannemen van een gift(...)" is niet vervuld. Nogmaals, op basis van de parlementaire geschiedenis ten aanzien van dit artikel is het delict pas voltooid op het moment dat de gift is aangenomen. Indien niet vastgesteld kan worden dat er ten aanzien van de verstrekking een gift is aangenomen, en dat kan op basis van het voor handen zijnde dossier niet, dient vrijspraak te volgen. Ik verzoek u dan ten aanzien van feit twee dan ook te doen.


2.4 Periode ná wetswijziging (Feit 1):


Onder feit 1 (na wijzigingen tenlastelegging) wordt cliënt een tweetal informatieverstrekkingen verweten die beiden zouden hebben plaats gevonden op/omstreeks 3 juni 2003 (zie login gegevens [betrokkene 2 en 3]).


Ten aanzien van dit feit wordt cliënt verweten één of meer giften aangenomen te hebben in of omstreeks de periode van 1 februari 2001 tot en met 11 juli 2005 (een periode van maar liefst 4,5 jaar). Mijns inzien is de ten laste gelegde periode veel te ruim, met name nu het om één specifieke verstrekking van informatie gaat (op of omstreeks 3 juni 2003).


Inmiddels is de wet gewijzigd. Het nieuwe (ruimere) artikel 363 Sr. is in februari 2001 in werking getreden. Blijkens de parlementaire geschiedenis van de nieuwe wet hoeft er geen (directe) relatie te bestaan ten aanzien van de verstrekking en de gift. Ook het daadwerkelijk plaatshebben van de gift is niet langer noodzakelijk.


Ten aanzien van feit één wordt het aannemen van die gift wederom nader verfeitelijkt met verwijzing naar de nadeelberekening (contante betalingen en twee leningen).


Zoals ik bij feit 2 al naar voren heb gebracht heeft de lening van ECA niet plaatsgevonden, heeft de lening bij BLF in augustus 2001 plaatsgevonden. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat als tegenprestatie voor die lening (waarop overigens ook is afbetaald) de informatieverstrekking 2 jaar later (op 3 juni 2003) gebaseerd is.


Ook het nooit ontvangen geld ten behoeve van de verbouwing in 2005 en het advies in verband met het loonbeslag in 2004 staat in een te ver verwijderd verband met de verstrekking van gegevens in 2003.


Er dient een verband te bestaan tussen de twee, in casus is dat verband te ver verwijderd. Ik verzoek u dan ook van feit 1 vrij te spreken.


(...)"


5. Blijkens het bestreden arrest heeft het Hof ten aanzien van de ter terechtzitting gevoerde bewijsverweren van de raadsvrouw - voor zover hier van belang - overwogen:


"Ter terechtzitting gevoerd bewijsverweer en bewijsoverweging


De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2010 de volgende verweren gevoerd:

1 ) De verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder feit 2 ten laste gelegde, nu niet vastgesteld kan worden dat ten aanzien van de verstrekking van bepaalde informatie door de verdachte, door hem een gift is aangenomen;

2) De verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder feit 1 ten laste gelegde, nu er een te ver verwijderd verband bestaat tussen de verstrekking van de gegevens, zoals onder feit 1 ten laste gelegd, en het aannemen van een gift.

(...)


Het hof overweegt hieromtrent als volgt.


Ad 1) De verdachte heeft tijdens zijn verhoor door de politie op 13 juli 2005 (persoonsdossier [verdachte], proces-verbaalnummer 0480-0165/2004, pp. 24-28) onder meer verklaard: "Ik ken [medeverdachte] langer dan tien jaar. [Medeverdachte] heeft mij gevraagd om informatie uit de politiesystemen op te vragen. Ik heb vanaf 1992 politie-informatie uit tot mij ter beschikking staande politiesystemen aan [medeverdachte] doorgegeven. Hij vroeg mij om een kenteken van een auto na te trekken. Later, het was in het begin, heb ik voor de tweede keer op verzoek van [medeverdachte] een kenteken nagetrokken en heb ik de tenaamgestelde op antecedenten bekeken. Dat was het moment waarop ik bewust werd dat ik fout bezig was. Ik heb in de jaren daarna ook personen op antecedenten bekeken. Tussen mij en [medeverdachte] is een afhankelijkheidsrelatie ontstaan. Ik schat dat ik vanaf 1992 tot heden ongeveer 40 tot 50 keer politie-informatie aan hem heb doorgegeven. In ruil voor deze verstrekte politie-informatie heb ik regelmatig geld of goederen gehad van [medeverdachte]. Zo is de relatie ontstaan. De periode schetst zich dat ik doorlopend geld of goederen kreeg van [medeverdachte]. Ik heb een keer een telefoon van [medeverdachte] gehad. [Medeverdachte] stuurde mij ook naar een autohandelaar die hij kende en ik mocht daar een nieuwe auto uitzoeken tegen inruil van mijn oude auto. Het verschil in waarde zou [medeverdachte] bijleggen. We spraken meestal af op het Centraal Station of bij het grand café "De Hoge Sluys". Ik heb hem ook in het Hilton Hotel in Amsterdam gesproken".

Voorts heeft de verdachte tijdens zijn verhoor door de politie op 16 juli 2005 (persoonsdossier [verdachte], proces-verbaalnummer 0480-0165/2004, pp. 90-95) onder meer verklaard: "[Medeverdachte] heeft een keer een lening voor mij geregeld. Toen is er geld naar mij over gemaakt. Ik heb eerder verklaard over de inruil van een auto bij een bedrijf en de aankoop van een andere auto. Dat moet tussen 1995 en 2000 zijn geweest. Als ik geld kreeg van [medeverdachte] gaf hij dat altijd cash en altijd bij ontmoetingen tussen hem en mij. De bedragen die ik kreeg verschilden. Zo was het wel eens € 100,- of € 150,-, maar soms gaf hij ineens € 250,-. Ik werd door [medeverdachte] tevreden gehouden met het geld. Vanaf 1995 heb ik ongeveer 100 ontmoetingen met [medeverdachte] gehad." Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2010 onder meer verklaard, zakelijk weergegeven: "Ik heb op verschillende tijdstippen in de periode dat ik hem ken telkens geld gekregen van [medeverdachte]. Via [medeverdachte] kreeg ik ook een geldlening bij BFL van € 2.000,-. Ik heb [medeverdachte] vanaf 1992 informatie gegeven. Geleidelijk aan ben ik vanaf dat moment het verband gaan zien tussen de informatie die ik aan [medeverdachte] gaf en het geld en de goederen die hij mij gaf".


Uit bovenstaande verklaringen van de verdachte, in onderling verband en in samenhang bezien met wat zich aan informatie overigens in het strafdossier bevindt, blijkt dat sprake is geweest van een situatie waarin de verdachte gedurende een tijdspanne van ongeveer 13 jaren aan [medeverdachte] frequent informatie doorgaf en daarvoor doorlopend in diezelfde periode geld en goederen van [medeverdachte] ontving. Gelet op het duidelijke patroon dat hieruit naar voren komt, op het door de verdachte zelf aangegeven verband tussen de informatie en de giften, alsmede op de frequentie en de continuïteit van de informatievoorziening en de ontvangen giften, is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat in de onder 2 ten laste gelegde periode ten aanzien van de verstrekking van bepaalde informatie door de verdachte, door hem giften van [medeverdachte] zijn aangenomen. Aldus is naar het oordeel van het hof voldaan aan het voor de bewezen verklaring vereiste verband tussen de informatie en de giften als bedoeld in artikel 363 (oud) Sr. Het hof verwerpt derhalve het verweer.


Ad 2) Op grond van hetgeen hiervoor onder ad 1) is overwogen is het hof van oordeel dat ook in de onder feit 1 ten laste gelegde periode sprake is van een verband tussen de verstrekking van bepaalde informatie door de verdachte aan [medeverdachte] en door de verdachte van [medeverdachte] ontvangen giften. Het hof verwerpt het verweer."


6. Na de uitvoerige weergave van de pleitnotities van de raadsvrouw en de bewijsoverweging van het Hof, kan ik mijn oordeel over het middel kort houden. Het ter terechtzitting van het Hof gevoerde betoog van de raadsvrouw levert inderdaad een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Van dat standpunt is het Hof afgeweken. Daarbij heeft het Hof, mede in het licht van de door hem gebezigde bewijsmiddelen, in zijn bewijsmotivering voldaan aan de hier van toepassing zijnde motiveringsplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. In de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsvrouw heeft het Hof immers toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat in de tenlastegelegde perioden sprake is geweest van een verband tussen de door verzoeker verstrekte informatie en de daarvoor door hem van [medeverdachte] ontvangen giften, en wel met een frequentie en continuïteit dat te dien aanzien zelfs van een patroon gesproken kan worden. Verder merk ik nog op dat het Hof niet gehouden was op ieder detail van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsvrouw in te gaan.(2)


7. Het eerste middel faalt.


8. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, bevat twee klachten. Ten eerste wordt geklaagd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Ten tweede wordt geklaagd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in haar totaliteit, dat wil zeggen de totale duur van het onderhavige strafgeding in ogenschouw nemend.


9. De eerste klacht faalt, nu in cassatie niet met vrucht voor het eerst kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak van het Hof wanneer de zaak in tegenwoordigheid van de betrokkene en/of zijn raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd.(3) Op geen van de (twee) terechtzittingen van het Hof is door de verdediging een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn. Volledigheidshalve wijs ik er op dat op de eerste terechtzitting de toen verschenen raadsvrouw heeft verklaard uitdrukkelijk door de betrokkene te zijn gemachtigd om de verdediging namens hem te voeren en dat op de tweede terechtzitting de betrokkene zelf aanwezig was, bijgestaan door zijn raadsvrouw.


10. Wel heeft de raadsvrouw blijkens het slot van haar pleitnotities het Hof gevraagd rekening te houden met het tijdsverloop in de strafzaak. Dat lange tijdsverloop houdt volgens het Hof een schending van de redelijke termijn in, waarmee het Hof rekening heeft gehouden. Ook om die reden is de klacht, bij gebreke van feitelijke grondslag, tevergeefs voorgesteld. Volledigheidshalve wijs ik op de volgende overweging in de strafmotivering van het Hof:


"Daarnaast heeft het hof geconstateerd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof zou zonder evengenoemde constatering, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden en een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, hebben opgelegd maar ziet thans aanleiding, ook mede gelet op de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, de (voorwaardelijke) gevangenisstraf vast te stellen op zes maanden. Het hof acht na te noemen straf, alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, passend en geboden."


11. Ten aanzien van de tweede klacht heeft het volgende te gelden. De toelichting op het middel houdt - voor zover hier van belang - in:


"Overschrijding termijn in zijn totaliteit:


Op het moment van het concipiëren van deze grief is de vervolging van requirant nog niet tot een definitief einde gekomen, wel zijn er inmiddels al zes jaar en drie maanden verstreken. Het is vaste jurisprudentie van Uw Raad dat de behandeling van een strafzaak binnen vijf jaar dient te zijn afgerond. Nu de zaak van requirant nog steeds niet tot een onherroepelijk einde is gekomen heeft de berechting van requirant heeft niet binnen een redelijk termijn plaatsgevonden."


12. Vooropgesteld moet worden dat in cassatie in volle omvang kan worden geoordeeld over de eventuele overschrijding van de redelijke termijn mede als gevolg van het tijdsverloop na de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld.(4) Een klacht betreffende overschrijding van de redelijke termijn kan evenwel onbesproken blijven, indien de bestreden uitspraak geheel dan wel gedeeltelijk wordt vernietigd in cassatie en op grond daarvan de zaak wordt teruggewezen of verwezen naar het betreffende Hof om met betrekking tot de strafoplegging opnieuw te worden berecht en afgedaan.


13. De onderhavige klacht laat ik verder buiten bespreking, omdat ik hieronder op grond van een ambtshalve kanttekening over een zich hier voordoende verjaringskwestie en de consequentie daarvan zal concluderen tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het Hof voor wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing in zoverre naar het Hof.


14. Voor zover het middel - welwillend gelezen - ook beoogt te klagen over schending van de redelijke inzendtermijn in cassatie, merk ik het volgende op. Blijkens een daarop gezet stempel zijn de stukken van het geding op 28 juli 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Het cassatieberoep is ingesteld op 25 november 2010. De voorgeschreven inzendtermijn is dus met drie dagen overschreden. Indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat de bestreden uitspraak van het Hof op grond van de door mij aangekondigde verjaringskwestie dient te worden vernietigd en teruggewezen naar het Hof, kan ook deze deelklacht onbesproken blijven.(5)


15. Ambtshalve merk ik het volgende op. Het Hof heeft ten aanzien van de onder 3 tenlastegelegde feiten - voor zover hier van belang - bewezen verklaard:


"hij in de periode van 9 juli 1999 tot en met 9 juli 2005 te Amsterdam meermalen een geheim, waarvan hij wist dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was dat geheim te bewaren, opzettelijk heeft geschonden (...)."


16. Ingevolge art. 70 (oud) Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld (aanhef en onder 2º). De onder 3 ten laste gelegde feiten zijn gepleegd in de periode van 9 juli 1999 tot en met 9 juli 2005. Daargelaten of de verjaring in de onderhavige zaak door een daad van vervolging tijdig is gestuit, geldt voor de feiten die voor 1 januari 2006 niet zijn verjaard dat ingevolge art. 72, tweede lid, Sr het recht tot strafvordering vervalt ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.(6) Daaruit volgt dat de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren beloopt. Wat betreft een deel van de onder 3 ten laste gelegde feiten is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.(7) Ik heb mij afgevraagd of gelet op deze verjaring met betrekking tot slechts een gering deel van de tenlastegelegde periode wel enig gevolg zou moeten verbonden aan de strafoplegging. Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de bewijsmiddelen 2, 10 t/m 13, 15 en 17, heeft de betrokkene echter ook een aantal keer opzettelijk zijn ambtsgeheim geschonden in de 'verjaarde periode'. Om die reden kan naar mijn inzicht niet worden volstaan met de enkele niet-ontvankelijk verklaring van de Officier van Justitie voor deze periode en zal daarnaast de uitspraak van het Hof voor wat betreft de strafoplegging moeten worden vernietigd.


17. Wellicht ten overvloede merk ik wederom ambtshalve ook het volgende op. Het Hof heeft in zijn arrest bij de strafoplegging bevolen dat de tijd die door verzoeker voor de tenuitvoerlegging van 's Hofs uitspraak in verzekering is doorgebracht, in geval van tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf daarop in mindering zal worden gebracht.


18. Nu verzoeker tevens is veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, had mijns inziens het Hof de door verzoeker in verzekering doorgebrachte tijd op deze straf in mindering behoren te brengen met vaststelling volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.(8) Indien mijn eerste ambtshalve opmerking (betreffende de verjaring) niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de strafoplegging leidt, kan de Hoge Raad ten aanzien van de aftrek, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat het Hof had behoren te doen.


19. Het eerste middel en de eerste klacht in het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. De tweede klacht en de deelklacht in het tweede middel kunnen buiten bespreking worden gelaten.


20. Andere gronden dan de hiervoor onder 16 genoemde waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.


21. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de bij gewijzigde dagvaarding onder 3 tenlastegelegde feiten en de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van een deel van die feiten alsmede dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voor wat betreft de strafoplegging en de zaak in zoverre terugwijst naar het Gerechtshof te Amsterdam.


De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden


AG


1 Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/05168, 10/05171P en 11/03599. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

2 HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.

3 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.9) m.nt. Mevis.

4 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.2), m.nt. Mevis.

5 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.5.3) m.nt. Mevis.

6 Voor een meer verdiepende beschouwing verwijs ik naar mijn conclusie voor HR 10 april 2012, LJN BW1361.

7 Ik meen dat het ten laste gelegde respectievelijk het bewezen verklaarde hier niet als een geheel kan worden opgevat op een wijze als in HR 5 juni 2012, LJN BW7371.

8 Vgl. HR 28 januari 1997, LJN ZD0625, NJ 1997/408.