Rechtbank Den Haag, 01-07-2013 / SGR 12/6178 en SGR 12/8706


ECLI:NL:RBDHA:2013:15620

Inhoudsindicatie
Wet Bpm. Beroep ongegrond. De rechtbank wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af. Van de totale behandelingsduur van ongeveer twee jaar en drie maanden komt een periode van ruim vier maanden volledig voor rekening van eiseres omdat het bezwaarschrift en het beroepschrift eerst enige tijd na indiening zijn gemotiveerd.
Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2013-07-01
Publicatiedatum
2013-11-19
Zaaknummer
SGR 12/6178 en SGR 12/8706
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 12/6178 en SGR 12/8706

proces-verbaal van de mondelinge uitspraken van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2013 in de zaak tussen

[X] V.O.F., gevestigd te [Z], eiseres(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.


De bestreden uitspraken op bezwaar


De uitspraak van verweerder van 29 juni 2012 inzake de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) en de uitspraak van verweerder van 23 augustus 2012 inzake de voldoening op aangifte van Bpm.


Zitting


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [B]. Namens verweerder is verschenen [C].


Ter zitting zijn tevens de beroepen behandeld die door de gemachtigde zijn ingediend met de zaaknummers: SGR 12/4077, SGR 12/4728, SGR 12/5055, SGR 12/5071, SGR 12/5074, SGR 12/5077, SGR 12/5079, SGR 12/5417, SGR 12/5691, SGR 12/5698, SGR 12/5699, SGR 12/5899, SGR 12/5901, SGR 12/6180, SGR 12/6244, SGR 12/6247, SGR 12/7045, SGR 12/7062, SGR 12/7796, SGR 12/7797, SGR 12/6638 tot en met SGR 12/6714.


Beslissing


De rechtbank verklaart:

-het beroep inzake de voldoening op aangifte niet-ontvankelijk;

-het beroep inzake de naheffingsaanslag ongegrond.


Overwegingen


1.

Eiseres heeft in januari 2011 aangifte Bpm (de aangifte) gedaan ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een personenauto van het merk Renault, type Clio Sport 2.0 16v (de registratie) voor een bedrag van € 220.


2.

Met dagtekening 2 maart 2011 heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag Bpm opgelegd ten bedrage van € 929 omdat volgens hem de verschuldigde belasting € 1.149 bedraagt. Aan eiseres is een betaalbericht uitgereikt voor dit bedrag van € 1.149.Op 8 maart 2011 heeft eiseres het totaalbedrag van de aangifte en van de naheffingsaanslag van € 1.149 voldaan.


3.

Ter zitting heeft gemachtigde verklaard dat verweerder zich in de uitspraak op bezwaar inzake de voldoening op aangifte terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de aangifte de zogenoemde 12% regeling niet in acht is genomen en dat het bezwaar dan ook terecht ongegrond is verklaard. Het beroep inzake de voldoening op aangifte is daarom wegens het ontbreken van processueel belang niet-ontvankelijk verklaard.


4.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is tussen partijen nog uitsluitend in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of er aanleiding is tot toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn.


5.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 28 juni 2013, nr. 12/00400, LJN: BY1258, het volgende overwogen:

“4.5. Uit de hiervoor in 4.3 en 4.4 beschreven systematiek – in het bijzonder het voorschrift dat de aangifte gepaard moet gaan met het betalen van het verschuldigde bedrag aan BPM – vloeit voort dat de BPM voor de registratie van een voertuig wordt verschuldigd bij het doen van de aangifte en het gelijktijdig daarmee betalen van het aangegeven bedrag. Daardoor is sprake van ‘belasting die op aangifte behoort te worden voldaan’ in de zin van artikel 20, lid 1, AWR. Daaraan doet niet af dat het belastbare feit (de registratie) waarop de aangifte ziet, zich eerst nadien voordoet.

Dit brengt mee dat, ingeval met het oog op het in artikel 1, lid 2, van de Wet BPM omschreven belastbare feit (registratie in het kentekenregister) aangifte is gedaan en het bedrag van de aangifte is voldaan, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan naheffen voor zover het bedrag dat is betaald minder is dan het bedrag dat behoorde te zijn betaald, ook reeds voordat de registratie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daaraan doet niet af dat, zoals in dit geval, de belanghebbende het bedrag van de aangifte niet daadwerkelijk bij het doen van de aangifte heeft betaald, maar met toestemming van de belastingdienst op een later tijdstip”.

Het standpunt van eiseres dat verweerder de naheffingsaanslag niet heeft mogen opleggen treft, gezien het hiervoor aangehaalde arrest, geen doel.


6.

Volgens de uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag berekend op basis van de afschrijvingstabel zodat er geen aanleiding is de naheffingsaanslag te verminderen naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012, nr. 11/0078 waarin is bepaald dat artikel 10, tweede lid van de Wet Bpm strijdig is met artikel 110 EG-Verdrag. Eiseres heeft dit niet weersproken en ook overigens geen gronden aangevoerd waaruit volgt dat de de naheffingsaanslag op een onjuist bedrag is vastgesteld.


7.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep inzake de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.


Immateriële schadevergoeding

8.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/05112, LJN: BO5080, beslist dat ook in belastingzaken een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend. De Hoge Raad oordeelde dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat artikel 8:73 van de Awb in die gevallen van overeenkomstige toepassing is. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. In het onderhavige geval heeft verweerder het (pro forma) bezwaar ontvangen op 10 april 2011.


9.

Tussen 10 april 2011 en heden, 1 juli 2013, zijn twee jaren en, afgerond, drie maanden verstreken zodat sprake is van de overschrijding van de redelijke termijn met drie maanden. Eiseres heeft het bezwaarschrift eerst drie en een halve maand na indiening, te weten op 21 juli 2011, van gronden voorzien en het beroepschrift dat op 28 juli 2012 is ingediend eerst op 24 augustus 2012 van gronden voorzien. Van de totale behandelingsduur komt derhalve een periode van ruim vier maanden volledig voor rekening van eiseres. De totale behandelingsduur dient daarom met die vier maanden te worden verminderd. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding dan ook af.


10.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2013.


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep