Rechtbank Middelburg, 13-04-2011 / 11/73 en 11/74


ECLI:NL:RBMID:2011:BQ1140

Inhoudsindicatie
Eindverslag inspraakprocedure is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Instantie
Rechtbank Middelburg
Uitspraakdatum
2011-04-13
Publicatiedatum
2011-04-13
Zaaknummer
11/73 en 11/74
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht


AWB nummers: 11/73 en 11/74


Uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken

met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht,

tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van die wet


inzake


[NAMEN],

wonende te [PLAATS],

eisers,

gemachtigde mr. dr. A. Holleman, kantoorhoudende te Middelburg,


tegen


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg,

verweerder.



I. Procesverloop


Op 14 december 2010 heeft verweerder ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5 van de Inspraakverordening Middelburg (hierna: de Inspraakverordening) vastgesteld het eindverslag inspraakprocedure “Doorgaande route Arnemuiden”. De vaststelling van het eindverslag is op 22 december 2010 gepubliceerd.


Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld. Hangende het beroep hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


Het verzoek is op 8 april 2011 behandeld ter zitting. Eisers zijn daar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden J.W. Lievense en J.A. Vermeer.



II. Overwegingen


1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


Op grond van artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien het verzoek wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het geschil.


2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beoordeling van de zaak geen nader onderzoek meer vergt, terwijl ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die zich tegen toepassing van artikel 8:86 Awb zouden verzetten.


3. Er is derhalve aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Daartoe wordt als volgt overwogen.


4. Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder f, van de Inspraakverordening wordt in elk geval inspraak verleend over de inrichting of herinrichting van wegen, straten of pleinen.


Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Inspraakverordening maakt het bestuursorgaan ter afronding van de inspraak een eindverslag.

Ingevolge het tweede lid van artikel 5 bevat het eindverslag in elk geval:

a. een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;

b. een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;

c. een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.


5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het op 14 december 2010 vastgestelde eindverslag inspraakprocedure “Doorgaande route Arnemuiden” geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is, omdat dit op zichzelf geen rechtsgevolg in het leven roept. De vaststelling van het eindverslag betreft slechts de formele afronding van de inspraakprocedure waarbij tevens het ontwerp voor het inrichtingsplan “Doorgaande route Arnemuiden” is vastgesteld. Voor zover het inrichtingsplan is vastgesteld zullen de hiermee samenhangende verkeersbesluiten, zoals het instellen van een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, het opheffen van de voorrangsmaatregelen en het verwijderen van twee voetgangersoversteekplaatsen, nog worden genomen, aldus verweerder.


6. Eisers stellen dat het besluit met betrekking tot vaststelling van het inrichtingplan met toepassing van Afdeling 3.4. van de Awb is voorbereid, waarmee te kennen wordt gegeven dat het om een gewichtige wijziging van de ruimtelijke ordening in Arnemuiden gaat die wel degelijk rechtsgevolgen heeft voor de bestemming van de ruimte in Arnemuiden. Te denken valt aan de vele rechtsgevolgen voor de inwoners woonachtig aan Het Schuttershof, de Nieuwlandseweg en omgeving, zoals de onmogelijkheid om auto’s daar te parkeren waar dat voorheen wel mogelijk was en het andere gebruik van de openbare ruimte zoals “het plein” dat is geprojecteerd voor de supermarkt Emté. Verder stellen eisers dat de vaststelling van het inrichtingsplan niets anders is dan een verkapt bestemmingplan dat tot doel heeft om het op

26 april 2010 vastgestelde bestemmingsplan Arnemuiden, waarbij verzuimd is om rekening te houden met het huidige en toekomstige industriële en recreatieve Noord-Zuid-verkeer en omgekeerd dat door Arnemuiden wordt geleid en aansluit op c.q. afslaat van de A58, aan te vullen dan wel te corrigeren. Het inrichtingsplan heeft derhalve dezelfde rechtsgevolgen als een bestemmingsplan en is daarom een besluit in de zin van de Awb.


De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


7. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Slechts tegen een besluit in de zin van de Awb staan rechtsmiddelen, waaronder beroep, open.


8. Blijkens de toelichting op de Inspraakverordening is inspraak een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid en heeft inspraak een tweeledig doel.

Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken, anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging.


9. Het door verweerder op 14 december 2010 ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5 van de Inspraakverordening vastgestelde eindverslag betreft het sluitstuk van inspraak waarbij wordt aangegeven wat met de ingebrachte zienswijzen wordt gedaan en waarmee derhalve wordt vastgesteld wat het beleidsvoornemen is met betrekking tot de inrichting van het onderhavige gebied. De voorzieningenrechter onderschrijft het door verweerder ingenomen standpunt dat hierdoor op zichzelf geen rechtsgevolg in het leven wordt geroepen. Voor zover eisers bezwaren hebben tegen de nog te nemen verkeersbesluiten dienen die bezwaren aan de orde te worden gesteld in een procedure tegen die besluiten.


10. Het feit dat de uitvoering van de inspraakprocedure wordt voorbereid van toepassing van Afdeling 3.4 van de Awb heeft geen betekenis voor de vraag of sprake is van een besluit in de zin van de Awb.


11. Het vorenstaande in aanmerking genomen komt de rechtbank tot het oordeel dat de vaststelling van het eindverslag van de inspraakprocedure “Doorgaande route Arnemuiden” niet aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen beroep open staat. Dit heeft tot gevolg dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun beroep. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.


12. Omdat thans op de hoofdzaak is beslist, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt derhalve afgewezen.


13. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. Uitspraak


De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg


verklaart het beroep niet-ontvankelijk;


wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Dijkman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van W.J. Steenbergen, griffier, en op 13 april 2011 in het openbaar uitgesproken.






Tegen deze uitspraak kan, voorzover er op het beroep is beslist, een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.


Afschrift verzonden op: