Rechtbank Noord-Holland, 04-07-2018 / 16/4149


ECLI:NL:RBNHO:2018:6039

Inhoudsindicatie
Douanekamer/ indelingscode(s) strijkijzer en strijkplankovertrek Bij de beoordeling of goederen bij elkaar horen en bestemd zijn om in de kleinhandel als één geheel te worden verkocht, is (…) van belang hoe ze in de kleinhandel normaliter worden aangeboden”
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2018-07-04
Publicatiedatum
2018-08-01
Zaaknummer
16/4149
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Viditax (FutD), 02-08-2018
  • FutD 2018-2136
  • DouaneUpdate 2018-0291
Uitspraak Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem


Bestuursrecht


zaaknummer: HAA 16/4149


uitspraak van de meervoudige douanekamer van 4 juli 2018 in de zaak tussen


[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres,


enerzijds en


de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder,



en



de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister,

anderzijds.


16/4149


Procesverloop


Verweerder heeft aan eiseres bij beschikkingen van 4 februari 2016 twee bindende tariefinlichtingen afgegeven, één met kenmerk NL [A KENMERK] en één met kenmerk NL [B KENMERK] (de BTI’s).


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de tegen de BTI’s ingediende bezwaren afgewezen.


Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2018 te Haarlem. Eiseres is verschenen [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ü. Gürsültür en mr. K.M. Chung.



Overwegingen


Feiten

1. Eiseres heeft op 6 november 2015 een bindende tariefinlichting aangevraagd voor een product met de handelsbenaming “ [A PRODUCT] ” (het product). In de aanvraag staat onder meer dat het product is bestemd voor Moederdag 2016. Het product bestaat uit een kartonnen doos met daarop illustraties en aanduidingen. In de doos zitten een elektrisch stoomstrijkijzer, een overtrek voor een strijkplank, een ontkalkingscontainer en brochures. Volgens de aanduidingen op de doos is het een voordeelverpakking omdat de overtrek wordt bijgeleverd.


2. Verweerder heeft bij de BTI’s het strijkijzer en de overtrek afzonderlijk ingedeeld in de gecombineerde nomenclatuur (de GN) onder goederencodes [A CODE] en [B CODE] .


3. Het strijkijzer en de strijkplankovertrek zijn ook apart te koop.


Geschil 4. In geschil is of het product als stel of assortiment moet worden ingedeeld, zoals eiseres verdedigt, dan wel of het strijkijzer en de overtrek los elk onder hun eigen post moeten worden ingedeeld, zoals verweerder voorstaat. In het bijzonder is in geschil de uitleg van de voorwaarde voor indelingsregel 3b voor indeling als stel of assortiment, vermeld in de IDR-Toelichting op algemene regel 3b, X, b, inhoudende dat ‘de aangeboden goederen moeten bestaan uit producten of artikelen die samen worden aangeboden om in een behoefte te voorzien of een bepaalde activiteit uit te voeren’ (de voorwaarde). Niet in geschil is dat als sprake is van een set of assortiment, het wezenlijke karakter van het product wordt bepaald door het elektrische strijkijzer en het product aldus moet worden ingedeeld onder goederencode [A CODE] .


5. Eiseres stelt dat het product voorziet in de behoefte om te strijken en dient ter uitvoering van die activiteit. Dat de strijkplank niet tot het product behoort, leidt niet tot de conclusie dat geen sprake is van een stel of assortiment. Strijkijzer en overtrek plegen samen te worden gebruikt en zijn dus gerelateerd. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de BTI’s en afgifte van één BTI voor het product, dan wel tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).


6. Verweerder stelt dat het product niet bestaat uit artikelen die samen worden aangeboden om in een behoefte te voorzien of om een bepaalde activiteit uit te oefenen. Het zijn geen artikelen die nauw samenhangen. Met de aangeboden artikelen kan niet worden gestreken vanwege het ontbreken van een strijkplank. Normaal gesproken worden ze ook afzonderlijk verkocht. Een beroep wordt gedaan op de uitspraak van de rechtbank van 13 december 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11838. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.


Toepasselijke regelgeving

7. Algemene regel voor de interpretatie van de GN 3b luidt als volgt:


“3. Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2b) of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:

a. a) (…)

b) mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a), worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald;”


8. De IDR toelichting op algemene regel 3b luidt, voor zover van belang, als volgt:


“X. Voor de toepassing van deze regel moet de uitdrukking ‘goederen opgemaakt in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein’ worden opgevat betrekking te hebben op goederen die tegelijkertijd:

a. bestaan uit ten minste twee verschillende artikelen die op het eerste gezicht kunnen worden ingedeeld onder verschillende posten. Daarom kunnen bijvoorbeeld zes fonduevorkjes niet worden aangemerkt als een stel of assortiment in de zin van deze regel;

b. bestaan uit producten of artikelen die samen worden aangeboden om in een behoefte te voorzien of om een bepaalde activiteit uit te voeren, en

c. zodanig zijn opgemaakt dat zij, zonder opnieuw te worden verpakt, rechtstreeks aan de verbruiker kunnen worden verkocht (bijvoorbeeld in koffertjes, in dozen, op kartons).

De uitdrukking omvat derhalve stellen of assortimenten bestaande uit, bijvoorbeeld verschillende voedingsmiddelen bestemd om samen te worden gebruikt bij het vervaardigen van een schotel.

Voorbeelden van stellen of assortimenten die met toepassing van regel 3 b kunnen worden ingedeeld zijn:

1a. Stellen of assortimenten samengesteld uit een sandwich bestaande uit een broodje met rundvlees, al dan niet met kaas (post 16.02), en patates frites (post 20.04): indeling onder post 16.02.

1b. stellen of assortimenten waarvan de bestanddelen bestemd zijn om samen te worden gebruikt bij de bereiding van een spaghettischotel, bestaande uit een pakje ongekookte spaghetti (post 19.02), een zakje geraspte kaas (post 04.06) en een blikje tomatensaus (post 21.03), opgemaakt in een karton: indeling onder post 19.02.

Niet als stel of assortiment kunnen worden aangemerkt bepaalde voedingsmiddelen die gezamenlijk worden aangeboden en die bijvoorbeeld bestaan uit:

- een blik garnalen (post 16.05), een blik leverpastei (post 16.02), een blik kaas (post 04.06), een blik met plakjes spek (post 16.02) en een blik cocktailworstjes (post 16.01), of

- een fles alcoholhoudende drank van post 22.08 en een fles wijn van post 22.04.

In het geval van deze twee voorbeelden en van soortgelijke producten, moet ieder artikel afzonderlijk worden ingedeeld naar aard en samenstelling.

Dit is ook van toepassing op, bijvoorbeeld, oploskoffie in een glazen pot (post 21.01), een kop van keramiek (post 69.12) en een keramische schotel (post 69.12), opgemaakt voor de verkoop in het klein in een doos van karton;

2. stellen of assortimenten voor het opmaken van het haar, bestaande uit een tondeuse (post 85.10), een kam (post 96.15), een schaar (post 82.13), een borstel (post 96.03) en een handdoek van textiel (post 63.02), opgemaakt in een doos van leder (post 42.02):

indeling onder post 85.10;

3. tekendozen, bestaande uit een liniaal (post 90.17), een rekenschijf (post 90.17), een passer (post 90.17), een potlood (post 96.09) en een potloodslijper (post 82.14), opgemaakt in een doos van kunststof in vellen (post 42.02): indeling onder post 90.17.

Bij alle vorengenoemde stellen of assortimenten wordt ingedeeld aan de hand van het bestanddeel of de gezamenlijke bestanddelen waaraan het geheel zijn wezenlijke karakter ontleent.”


9. De Richtsnoeren voor de indeling in de gecombineerde nomenclatuur van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein van de Europese Commissie, 2013/C 105/01 (de Richtsnoeren), luiden, voor zover van belang, als volgt:


“Bij algemene regel 3 b) voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur wordt ook voorzien in de indeling van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein.

Voor de toepassing van deze regel, moet de uitdrukking „goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein” worden opgevat als betrekking hebbend op goederen die:

a. a) bestaan uit tenminste twee verschillende artikelen die op het eerste gezicht onder verschillende posten kunnen worden ingedeeld,

b) bestaan uit producten of artikelen die samen worden aangeboden om in een specifieke behoefte te voorzien of om een specifieke activiteit uit te voeren, en

c) zodanig zijn opgemaakt dat zij zonder opnieuw te worden verpakt rechtstreeks aan de verbruiker kunnen worden verkocht (bv. in dozen of koffers of op kartons).

(…)

Aan alle bovenstaande voorwaarden moet worden voldaan.

(…)

DEEL B (I)

… „worden aangeboden om in een behoefte te voorzien of om een specifieke activiteit uit te voeren” …

(1) Met het oog op de indeling van stellen of assortimenten zijn de afzonderlijke artikelen van een stel of assortiment aan elkaar gerelateerd en bedoeld om samen of in combinatie met elkaar te worden gebruikt om in een specifieke behoefte te voorzien of om een specifieke activiteit uit te voeren.

(2) De term specifieke behoefte kan ruim worden geïnterpreteerd aangezien de artikelen, om in een specifieke behoefte te voorzien, hetzij opeenvolgend kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld een cosmetisch huidverzorgingsassortiment bestaande uit verschillende producten), hetzij door elkaar (bijvoorbeeld een stel boren en pluggen (zie ook punt(B)(I)(5)(d))).

(3) De term specifieke activiteit kan worden beschreven als een bij een bepaalde/specifieke gelegenheid uitgevoerde handeling en de artikelen van het stel of assortiment worden gewoonlijk bij deze gelegenheid gebruikt.

(4) Situatie waarin goederen worden aangemerkt/niet worden aangemerkt als opgemaakt om in een specifieke behoefte of specifieke activiteit te voorzien:

a. a) Het gegeven dat de artikelen zijn opgemaakt als een cadeau/in een geschenkverpakking (bijvoorbeeld voor Kerstmis, Moederdag, Valentijnsdag, enz.) betekent niet automatisch dat zij zijn opgemaakt om in een specifieke behoefte te voorzien of om een specifieke activiteit uit te voeren. Dit dient nog steeds van geval tot geval te worden onderzocht.

(…)

(5) Voorbeelden van producten of artikelen die als een stel of assortiment kunnen worden ingedeeld op basis van de algemene regel 3 b) voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur:

a. a) badkamer/verwenassortimenten bestaande uit diverse artikelen zoals douchegel, badschuim, zeep, bodylotion of een combinatie van shampoo, gezichtscrème en handcrème enz., evenals artikelen die samen met deze producten worden gebruikt zoals een spons of een doekje — de artikelen zijn bedoeld om tegelijkertijd, opeenvolgend of door elkaar te worden gebruikt en zijn complementair. (Echter, zie onder punt (B)(I)(6)(a) stellen of assortimenten van was — en andere artikelen — afzonderlijke indeling. Zie ook deel (B)(III) „stellen of assortimenten inclusief een ondergeschikt/verwaarloosbaar artikel”, voorbeeld (ii)).

Als de bovengenoemde artikelen samen worden opgemaakt voor de verkoop in het klein in een zak van kunststof met een rits, dan wordt de zak van kunststof op grond van de algemene regel 5 b) voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, ingedeeld als van de soort die normaal als verpakking voor die goederen wordt gebruikt.

b) overlevingspakket dat slechts bestaat uit artikelen van geringe waarde, bijvoorbeeld: 2 stalen veiligheidsspelden, 2 stalen vishaken, 1 vislijn van textiel (31 m), 1 klein kompas, 1 stalen naainaald, 2 tondels (stokjes om vuur mee aan te maken), 1 koperdraad (91 cm), 1 multifunctioneel snoer (3 m), 4 waterbestendige lucifers, 1 doosje lucifers, 1 fluitje van kunststof, 1 strook plakband (30 cm), 1 scheermesje, 2 alcoholdoekjes (voor het desinfecteren van wonden), 2 zelfklevende pleisters, een hersluitbare zak van kunststof, 2 stalen naalden, 1 stuk folie met spiegeleffect en zelfklevende achterzijde, 1 potlood, 1 zakje gedroogde soep, 1 stukje kauwgom. Alle componenten van het assortiment zitten in een aluminium blik, met lipje, van 11 cm lang, 7,7 cm breed en 2,3 cm diep, en ze worden verkocht in een bedrukte doordrukverpakking. De componenten zijn bestemd voor eenmalig gebruik bij noodgevallen, bijvoorbeeld voor een onverwachte tussenstop in een afgelegen gebied. Zij dienen een specifiek doel: overleven.

c) patiëntenverpakkingen voor opname in een ziekenhuis/hygiëne-reisverpakkingen, inclusief verschillende artikelen van geringe waarde, bijvoorbeeld oppervlaktedoekjes, een wegwerppen, een tandenborstel, tandpasta, shampoo, gezichts- en lichaamsdoekjes, handontsmettingsmiddel, kledingverstuiver, lippenbalsem, zeep, een nagelborstel en een folder over hygiëne, of

hygiëne-assortimenten bestaande uit bijvoorbeeld een stuk zeep in plastic folie, een geparfumeerde papieren handdoek, wat papieren zakdoekjes en 2 papieren wc-brillen (niet herbruikbaar), samen aangeboden in een vouwbaar omhulsel van kunststof.

Echter, vergelijkbare assortimenten — reisassortimenten/luchtvaartassortimenten inclusief, afgezien van toiletartikelen, sloffen, pyjama's enz. — mogen niet worden ingedeeld als stellen of assortimenten op grond van de algemene regel 3 b) voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, omdat de pantoffels, pyjama's enz. geen producten zijn voor de lichaamsverzorging van personen. (Zie ook Verordening (EG) nr. 2855/2000 en de 22e zitting van het Comité GS.)

d) een stel boren en pluggen bestaande uit bijvoorbeeld hogesnelheids spiraalboren voor staal, spiraalboren voor hout, hardmetalen boren voor baksteen, schroevendraaierbladen met een magnetische houder en pluggen. Alle componenten zitten in een kunststof behuizing die is onderverdeeld in een compartiment van kunststof — zelfs als de artikelen normaliter niet samen worden gebruikt om een specifieke activiteit uit te voeren en als slechts enkele ervan kunnen worden gebruikt bij een bepaalde gelegenheid, kunnen zij worden aangemerkt als samen opgemaakt om in een specifieke behoefte te voorzien, bijvoorbeeld renovatie, reparatie of woningverbetering.

e) renovatie- of doe-het-zelfassortiment bestaande uit bijvoorbeeld artikelen om behang te verwijderen en om te schilderen, zoals verfkwasten, timmermanspotloden, verfrollers, speciale messen, schrapers, verfspatels, meetlinten, spanningsmeter, verfblik enz. De goederen voorzien samen in de behoefte aan „muurrenovatie”.

f) een stel bestaande uit een boek en een bij het boek behorende en in het omslag geplaatste cd (de cd bevat bijvoorbeeld bij het boek horende taaloefeningen) wordt op grond van de algemene regel 3 b) voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, ingedeeld als twee artikelen opgemaakt om in een specifieke behoefte te voorzien (bijvoorbeeld het leren van een vreemde taal).

(6) Voorbeelden van een product of van artikelen die niet als een stel of assortiment kunnen worden ingedeeld op basis van de algemene regel 3 b) voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur:

a. a) badkamerassortimenten/verwenassortimenten bestaande uit wasartikelen (zoals douchegel, zeep) en bijkomende artikelen die afzonderlijk moeten worden gebruikt zoals pantoffels, handspiegels, haarborstels, decoratieve kaarsen enz. De verschillende artikelen worden niet samen of in combinatie met elkaar gebruikt. Hoewel ze in dezelfde plaats (de badkamer) kunnen worden gebruikt, zijn ze voor verschillende behoeften ontworpen. De wasartikelen worden gebruikt voor „was/lichaamsverwenningsbehandelingen”, terwijl de andere artikelen bijvoorbeeld worden gebruikt om „aan te kleden/als kleding/als haarbehandeling”. (Echter, zie ook in punt (B)(I)(5)(a) het voorbeeld van een badkamerassortiment dat als een assortiment is ingedeeld, en deel (B)(III): „stellen of assortimenten inclusief een ondergeschikt/verwaarloosbaar artikel”, bijvoorbeeld (ii)).

b) Een multiboxassortiment (ook bekend als „startersassortimenten”) bestaande uit bijvoorbeeld diverse stalen nagels, diverse gedeeltelijk gecoate oogschroeven en stalen oogjes, diverse stalen haken (inclusief fotohaken), gecoat, stalen punaises, gecoat, elastieken van rubber, plankendragers van kunststof met stalen pinnen, ringen van rubber, stalen en kunststof punaises, sleutelhangers met een stalen ring en hangers van kunststof, stalen paperclips, pluggen, diverse stalen schroeven, rubberen ringen of papier. De componenten van het assortiment zijn onderverdeeld in vijf dozen van kunststof, die beurtelings in een draagbaar frame van kunststof kunnen worden geplaatst. In vergelijking met bijvoorbeeld het renovatieassortiment van in punt (B)(I)(5)(e), voorziet het multiboxassortiment niet in een specifieke behoefte, maar heeft het daarentegen diverse toepassingen die verder gaan dan renovatie, reparatie of woningverbetering. Het bevat artikelen als elastieken, sleutelhangers en paperclips die andere doeleinden dienen.”


Beoordeling van het geschil


Algemene indelingsregel 3b

10. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken. Het is vaste rechtspraak van het HvJ EU dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de post zijn omschreven. De door de Commissie vastgestelde toelichtingen op de GN en de in het kader van de Werelddouaneorganisatie (WDO) uitgewerkte toelichtingen op het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (de GN- en GS-toelichtingen) zijn, hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.


11. Volgens de rechtspraak van het HvJ EU is sprake van „stellen of assortimenten” in de zin van de voornoemde regel indien er in de handel een nauwe samenhang tussen de betrokken goederen bestaat, zodanig dat de goederen niet enkel samen ter inklaring worden aangeboden, maar normaal ook in de verschillende handelsfasen – en met name in de kleinhandel – samen en in dezelfde verpakking worden gepresenteerd, ter voldoening aan specifieke behoeften of ter verrichting van een welbepaalde activiteit (zie HvJ EU 7 oktober 1985, Telefunken Fernseh und Rundfunk GmbH, 163/84, ECLI:EU:C:1985: 396, overweging 35).


12. Uit hetgeen eiseres heeft verklaard ter zitting en de aanvraag voor een BTI leidt de rechtbank af dat het product ten tijde van de invoer bedoeld was voor Moederdag, maar dat werd overwogen het product ook nadien op de Europese markt te brengen. Momenteel worden echter het strijkijzer en de strijkplankovertrek in de Europese Unie niet tezamen in de detailhandel verkocht. In Turkije is dat wel het geval. Hieruit blijkt dat normaliter het strijkijzer en de overtrek op de Europese Unie niet in de verschillende handelsfasen, doch met name niet in de kleinhandel, samen en in dezelfde verpakking worden gepresenteerd. Om die reden is gelet op de hiervoor aangehaalde overweging van het arrest Telefunken Fernseh und Rundfunk GmbH geen sprake van een voldoende nauwe samenhang tussen beide producten om het product aan te merken als stel of assortiment.


13. Eiseres heeft in dit verband gesteld dat Telefunken Fernseh und Rundfunk GmbH een relatief oud arrest is en daarom minder waarde aan overweging 35 daaruit moet worden gehecht. Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, is die overweging echter herhaald in overweging 36 van het arrest van het HvJ EU van 10 maart 2016, VAD BVBA, C-499/14, ECLI:EU:C:2016:155. Hieruit blijkt dat het HvJ EU nog steeds waarde hecht aan die overweging. Eiseres heeft zich in dit verband verder beroepen op overweging 41 van het laatstgenoemd arrest. In die overweging staat dat de douaneautoriteiten, wanneer zij op het ogenblik dat de betrokken goederen bij hen worden aangeboden moeten uitmaken of deze bij elkaar horen – met andere woorden of zij een stel of assortiment vormen – zich bij hun beoordeling moeten laten leiden door de wijze waarop deze goederen aan de consument zullen worden aangeboden, dat wil zeggen de vraag of zij aan de consument zullen worden gepresenteerd als een geheel. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat alle goederen die aan de consument worden gepresenteerd als een geheel als een stel of assortiment moeten worden aangemerkt. Dit zou afbreuk doen aan de bedoeling van algemene indelingsregel 3b, zoals ook blijkt uit de IDR-toelichting en de daarin gegeven voorbeelden. Ten slotte faalt ook de stelling van eiseres dat indelingsregel 3b niet in de weg staat aan nieuwe (combinaties van) producten. Bij de beoordeling of goederen bij elkaar horen en bestemd zijn om in de kleinhandel als één geheel te worden verkocht, is immers van belang hoe ze in de kleinhandel normaliter worden aangeboden.


14. Gelet op het voorgaande is het gelijk aan verweerder. Het verder door hem ter ondersteuning van zijn standpunt gestelde behoeft geen behandeling.


15. Het verzoek van eiseres om over de uitleg van algemene indelingsregel 3b prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, wijst de rechtbank af. Eiseres heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat het hier gaat om een rechtsvraag die rechtstreeks van belang is voor de beslechting of beëindiging van meerdere andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag kan worden opgeworpen. Ook het verzoek van eiseres om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU wijst de rechtbank af. Er is sprake van een acte éclairé dan wel acte clair.


Vergoeding immateriële schade

16. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.


17. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten zoals neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.


18. Op 25 februari 2016 is het bezwaarschrift van eiseres bij verweerder binnengekomen. Op die datum is dus de termijn aangevangen. De rechtbank doet uitspraak op 30 juli 2018. De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn bedraagt aldus (afgerond) 2 jaar en vijf maanden. Verweerder heeft gesteld dat sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor de redelijke duur van de berechting is verlengd. In dit verband is van belang dat partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 25 juli 2017. Indien die was doorgegaan had de rechtbank wellicht binnen 2 jaar uitspraak gedaan. Volgens partijen is de zitting is op verzoek van eiseres verplaatst. Daarvan uitgaande heeft te gelden dat éénmalig verlenen van uitstel van de mondelinge behandeling op verzoek van één van de beide partijen geen bijzondere omstandigheid is (HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.6.2). De redelijke termijn is dan ook overschreden met (afgerond) 5 maanden. Dit leidt tot een te vergoeden immateriële schade van € 500.


19. De uitspraak op bezwaar is van 8 juli 2016 en dus gedaan binnen een half jaar, zodat de bezwaarfase niet onredelijk lang heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn moet dus geheel worden toegerekend aan de beroepsfase, zodat de Minister de schade dient te vergoeden. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op zijn beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.


20. Gelet op het hiervoor overwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.


Proceskosten en griffierecht

21. Aangezien gesteld noch gebleken is dat eiseres voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt, zal de rechtbank geen proceskostenvergoeding vaststellen. Wel is er aanleiding om op de voet van 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het griffierecht te vergoeden.



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;

- veroordeelt de Minister om aan eiseres een bedrag aan immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen van € 500;

- draagt de Minister op het betaalde griffierecht ad € 334 aan eiseres te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. A. van Dongen, leden, in aanwezigheid van mr. E.G. van der Laan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2018.








griffier voorzitter





Afschrift verzonden aan partijen op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.


Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.