Rechtbank Noord-Nederland, 06-06-2013 / AWB 09/1869, 09/1870 en 10/1064


ECLI:NL:RBNNE:2013:CA2771

Inhoudsindicatie
Immateriële schadevergoeding. Rechtbank bepaalt redelijke termijn op 2 jaar en 8 maanden gezien onder meer de proceshouding van eiseres en de omvang van het dossier. Nu verweerder nimmer uitspraak heeft gedaan op eiseres' bezwaar komt de periode ná indiening van de verweerschriften voor rekening van de Staat. De inhoudelijke beoordeling van de beroepen was toen pas mogelijk.
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2013-06-06
Publicatiedatum
2013-06-11
Zaaknummer
AWB 09/1869, 09/1870 en 10/1064
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2013/1348
  • FutD 2013-1539
Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht


locatie Leeuwarden


procedurenummers: AWB 09/1869, 09/1870 en 10/1064


Nadere uitspraak ingevolge artikel 8:77 en 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)



in het geding tussen


[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigden [gemachtigden],


en


de volgende verweerders:


1. de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, de inspecteur,


2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie), de Staat.



Procesverloop

Bij uitspraken van 2 oktober 2012 heeft de Rechtbank Leeuwarden uitspraak gedaan in de beroepen van eiseres met de procedurenummers AWB 09/1869, 09/1870 en 10/1064. De rechtbank heeft het onderzoek hierbij heropend ter voorbereiding van de onderhavige uitspraak over het verzoek van eiseres om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.


De Staat, in dezen vertegenwoordigd door de Raad voor de Rechtspraak, is op grond van artikel 8:26 van de Awb in het geding betrokken.


De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.


De Staat heeft ten aanzien van het verzoek van eiseres bij brief van 21 februari 2013 een standpunt ingenomen. Eiseres heeft bij brief van 1 maart 2013 hierop gereageerd.


De inspecteur heeft bij brief van 6 maart 2013 zijn standpunt met betrekking tot de gevraagde immateriële schadevergoeding kenbaar gemaakt. Eiseres heeft hier bij brief van 12 maart 2013 op gereageerd.


De zaak is behandeld ter zitting op 14 maart 2013 te Leeuwarden. Met kennisgeving aan de rechtbank is daar namens eiseres en namens de Staat niemand verschenen. Namens de inspecteur zijn verschenen [gemachtigden].

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt welke aan deze uitspraak is gehecht.



Motivering

Feiten


procedure AWB 09/1869

1.1 De procedure AWB 09/1869 heeft betrekking op de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003, alsmede de gelijktijdig opgelegde boetebeschikking en heffingsrentebeschikking. Eiseres heeft bij brief van 30 januari 2009, ingekomen bij de inspecteur op 2 februari 2009, bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente.

1.2 De inspecteur heeft bij brief van 5 februari 2009 de ontvangst van dit bezwaarschrift bevestigd en daarbij meegedeeld dat hij gebruik maakt van de mogelijkheid om de beslistermijn met vier weken te verlengen. Bij brief van 6 maart 2009 heeft de inspecteur voorgesteld de beslissing op het bezwaarschrift voor onbepaalde tijd uit te stellen in verband met een nader feitenonderzoek. Hij heeft eiseres' gemachtigde verzocht om hiermee in te stemmen. Eiseres' gemachtigde heeft op deze brief niet gereageerd.

1.3 Bij brief van 11 augustus 2009, ontvangen bij de rechtbank op 12 augustus 2009, heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschrift. De inspecteur heeft bij brief van 9 oktober 2009 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.


procedure AWB 09/1870

1.4 De procedure AWB 09/1870 heeft betrekking op de aan eiseres opgelegde aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) over het jaar 2005 en de gelijktijdig opgelegde beschikking heffingsrente. Eiseres heeft bij brief van 24 december 2008, ingekomen bij de inspecteur op 29 december 2008, bezwaar gemaakt tegen voormelde aanslag Vpb en beschikking heffingsrente. De inspecteur heeft bij brief van 13 januari 2009 de ontvangst van dit bezwaarschrift bevestigd en daarbij aan eiseres' gemachtigde meegedeeld dat hij gebruik maakt van de mogelijkheid om de beslistermijn met vier weken te verlengen. Bij brief van 16 januari 2009, gericht aan [A] van [B] Accountants, heeft de inspecteur voorgesteld de beslissing op het bezwaarschrift uit te stellen tot het boekenonderzoek is afgerond. De inspecteur heeft [A] verzocht om hiermee in te stemmen. Bij brief van 9 maart 2009, wederom gericht aan [A] van [B] Accountants, heeft de inspecteur [A] herinnerd aan zijn verzoek om verlenging van de beslistermijn. Op de brieven van 16 januari 2009 en 9 maart 2009 is niet gereageerd. Bij brief van 11 augustus 2009, ontvangen bij de rechtbank op 12 augustus 2009, heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschrift. De inspecteur heeft bij brief van 15 oktober 2009 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.


procedure AWB 10/1064

1.5 De procedure AWB 10/1064 heeft betrekking op de naheffingsaanslag omzetbelasting over periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004, alsmede de gelijktijdig opgelegde boetebeschikking en heffingsrentebeschikking. Bij brief van 12 januari 2010, ontvangen door de inspecteur op 13 januari 2010, heeft eiseres hiertegen bezwaar ingediend. Bij uitspraak op bezwaar van 1 mei 2010 heeft de inspecteur de zojuist bedoelde naheffingsaanslag en beschikking heffingsrente gehandhaafd. De bij beschikking opgelegde boete heeft verweerder verminderd. Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 mei 2010, ontvangen door de rechtbank op 25 mei 2010, beroep ingesteld bij de rechtbank.


1.6 Voor de overige feiten verwijst de rechtbank naar haar op 2 oktober 2012 gedane uitspraken. De inspecteur is in deze uitspraken aangeduid als verweerder.



Geschil

2.1 In geschil is of, en zo ja, tot welk bedrag eiseres recht heeft op immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. Voorts dient, voor zover schade vergoed dient te worden, te worden beslist welk deel van de overschrijding van de termijn moet worden toegerekend aan de inspecteur en welk deel aan de Staat, zodat de vergoedingsplicht dienovereenkomstig kan worden gesplitst.

2.2 Eiseres stelt zich -kort gezegd- op het standpunt dat zowel in bezwaar als in beroep de redelijke termijn is overschreden. Eiseres stelt dat zij in elk van de onderhavige zaken in aanmerking komt voor een vergoeding van de door haar geleden immateriële schade.

De onderhavige zaken zijn niet als samenhangende zaken aan te merken, omdat de beroepen op verschillende momenten zijn ingesteld en ook de geschilpunten niet hetzelfde zijn. De rechtbank heeft een proceskostenvergoeding toegekend op basis van een gemiddeld gewicht, zodat er geen aanleiding is de termijn te verlengen vanwege ingewikkeldheid. Verder is er geen aanleiding een deel van de termijn aan eiseres toe te rekenen. Dat de inspecteur tijd moest worden gegund voor een schriftelijke reactie en eiseres gebruik maakt van haar ten dienste staande rechtsmiddelen kan haar niet worden aangerekend. Eiseres' verzoek in de beroepsfase om uitstel voor het geven van een reactie was te wijten aan de proceshouding van de inspecteur (indienen van nieuwe geanonimiseerde stukken zonder zich te beroepen op artikel 8:29 Awb). Ten slotte stelt eiseres dat niet de vertraagde termijn doorslaggevend is, maar de totale duur van de bezwaar- en beroepsfase. Zij heeft deze in de zaak 09/1869 becijferd op 44 maanden, ofwel 7 halve jaren. Dit geeft volgens eiseres recht op een schadevergoeding van € 3.500 in de procedure 09/1869. Voor de procedure 09/1870 geldt hetzelfde bedrag. In de procedure 10/1064 bedraagt de schadevergoeding 5 halve jaren maal € 500 is € 2.500.

2.3 De inspecteur stelt in reactie op de door eiseres geclaimde immateriële schadevergoeding -kort gezegd- dat er geen recht op schadevergoeding bestaat, omdat de schade (mede) is ontstaan door eigen schuld van eiseres. Eiseres heeft niet op voldoende voortvarende wijze gebruik gemaakt van de door de Awb geboden mogelijkheid om beroep in te stellen wegens een fictieve weigering. Gelet op de non-coöperatieve houding van eiseres in de controlefase is eiseres zelf debet aan de lengte van de procedure. Dit is reden voor een verlenging of schorsing van de redelijke termijn. In de zaken 09/1869 en 09/1870 begint de redelijke termijn ten aanzien van de bezwaarfase op 29 december 2008 respectievelijk op 2 februari 2009. Deze eindigt volgens de inspecteur -naar hij ter zitting heeft verklaard- op 11 augustus 2009 wanneer het beroep bij de rechtbank is ingesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Binnen die periode is de redelijke termijn van 10 maart 2009 tot 11 augustus 2009 geschorst, omdat de inspecteur onder meer bezig was feiten en omstandigheden te ordenen, opdat het controlerapport kon worden afgerond. In het bezwaarschrift is niet inhoudelijk ingegaan op de correcties, daarom is sprake van een schorsing van de aangevangen redelijke termijn tot 11 augustus 2009. Op het moment van indiening van de verweerschriften op 9 respectievelijk 15 oktober 2009 moet de inspecteur worden geacht uitspraak op bezwaar te hebben gedaan. Gelet hierop is de materiële uitspraak op bezwaar gedaan binnen de met de schorsingstermijn verlengde termijn van 6 maanden na ontvangst van de bezwaarschriften. In de zaak 10/1064 is er binnen zes maanden na indiening van het bezwaar uitspraak op bezwaar gedaan, zodat er in die zaak geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. Er moet niet worden uitgegaan van de totale duur van de procedure, maar van de vertraagde termijn. In geen van de zaken is aanleiding voor een schadevergoeding. Zo er reden is voor een schadevergoeding kan de overschrijding van de totale termijn slechts tot het moment van indiening van het verweerschrift aan de inspecteur worden toegerekend.

2.4 De Staat heeft -kortgezegd- de volgende standpunten ingenomen ten aanzien van de geclaimde immateriële schadevergoeding. Het procesgedrag van eiseres brengt een verlenging van de redelijke termijn van circa 4 maanden met zich mee, nu eiseres pas op 4 april 2012 heeft gereageerd op de brief van 30 september 2011 van de inspecteur genaamd "conclusies van dupliek" (zie procesverloop uitspraken 2 oktober 2012).Vanwege de ingewikkeldheid en de samenhang met de andere zaken is een verlenging van de redelijke termijn gerechtvaardigd met zes maanden. In elk van de zaken 09/1869 en 09/1870 bedraagt de redelijke termijn voor de beroepsfase 28 maanden (18 + 10 maanden). De overschrijding van de redelijke termijn met 10 maanden leidt tot schadevergoeding van € 1.000 in elk van deze zaken. In de zaken 09/1869 en 10/1064 moet worden volstaan met één schadevergoeding, omdat sprake is van samenhangende zaken. De Staat verwijst hierbij naar de uitspraak van Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 augustus 2012, LJN BX5668.

De schadevergoeding moet dan worden toegekend in de zaak 09/1869 waarin de termijnoverschrijding het grootst is; voor afzonderlijke toekenning van een immateriële schadevergoeding in de zaak 10/1064 is dan geen plaats meer.

2.5 Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige gedingstukken.



Beoordeling van het geschil


Uitgangspunten

3.1 In zijn arresten van 10 juni 2011 (waaronder het arrest met zaaknummer 09/05112, LJN BO5080) heeft de Hoge Raad beslist dat in belastingzaken aanspraak kan bestaan op een schadevergoeding met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb, indien het belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn wordt beslecht. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. Dit is respectievelijk op 29 december 2008 (09/1870), 2 februari 2009 (09/1869 en 13 januari 1010 (10/1064) (zie 1.4, 1.1 en 1.5). Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet, aldus de Hoge Raad, worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006.

3.2. Uit de hiervoor genoemde arresten volgt dat de redelijke termijn in zaken zoals deze in beginsel is overschreden wanneer na indiening van het bezwaar meer dan twee jaar is verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. Dit betekent dat de te beoordelen termijn eindigt op de dag waarop de rechtbank uitspraak doet, zijnde 2 oktober 2012.

3.3 Grondslag voor de immateriële schadevergoeding vormt de termijn waarmee de redelijke termijn is overschreden en niet, zoals eiseres stelt, de totale duur van de behandeling van het bezwaar en beroep. Als uitgangspunt voor de schadevergoeding dient een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

3.4 Het uitgangspunt dat de redelijke termijn in beginsel twee jaar bedraagt neemt niet weg dat de met de beslechting van het geschil gemoeide redelijke termijn mede afhankelijk kan zijn van een aantal factoren. De rechtbank zal deze factoren achtereenvolgens bespreken.


Eigen schuld/gevaarzetting

3.5 De inspecteur heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met gevaarzetting of eigen schuld van de zijde van eiseres. De rechtbank overweegt dat de onderhavige schadevergoedingsplicht zijn grond vindt in de schending van het rechtszekerheidsbeginsel door het bestuursorgaan en/of de rechter. Het gedrag van eiseres, daargelaten de vraag of de door verweerder geschetste omstandigheden kunnen worden aangemerkt als gevaarzetting of eigen schuld, laat onverlet dat eiseres recht heeft op beslechting van het geschil binnen een redelijke termijn. De mate waarin laakbare of onrechtmatige gedragingen van een belastingplichtige ten grondslag liggen aan dat geschil is niet van belang bij het antwoord op de vraag of er grond is voor toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.6 Het voorgaande laat onverlet dat sprake kan zijn van een negatieve invloed die van gedragingen van een belastingplichtige uitgaat op de duur van de termijn die met de beslechting van het geschil is gemoeid. Voor zover de overschrijding van de redelijke termijn aan dergelijke gedragingen is toe te schrijven, bestaat er geen recht op schadevergoeding.


Gedragingen voor risico van eiseres

3.7 De inspecteur heeft in dit verband gewezen op het feit dat eiseres de ingediende bezwaarschriften niet heeft gemotiveerd, waardoor de termijn voor afdoening van het geschil in negatieve zin is beïnvloed. De rechtbank oordeelt ten aanzien van dit punt dat de inspecteur zijn aanslagen ter behoud van rechten (de onder 1.1 en onder 1.4 bedoelde belastingaanslagen) summierlijk heeft gemotiveerd. Hij heeft bij het opleggen van de aanslagen geen inhoudelijk standpunt met betrekking tot zijn bevindingen uit het boekenonderzoek kenbaar gemaakt. Gegeven die omstandigheid heeft eiseres de ingediende bezwaarschriften afdoende gemotiveerd. De rechtbank betrekt in haar overwegingen dat de inspecteur eiseres ook niet heeft verzocht om de gronden van het bezwaar kenbaar te maken en heeft voorgesteld de beslistermijn op het bezwaar te verlengen in verband met het nog lopende feitenonderzoek (zie 1.2 en 1.4).

3.8 Voor zover de inspecteur heeft betoogd dat de weinig coöperatieve houding van eiseres gedurende de controlefase meebrengt dat sprake is van gedragingen als bedoeld onder 3.6 oordeelt de rechtbank dat er weliswaar gedurende de controlefase sprake is geweest van non-coöperatief gedrag van de zijde van eiseres, maar dat uit de feiten zoals deze zijn vastgesteld in de uitspraken van 2 oktober 2012 niet volgt dat er ná de indiening van de onderhavige bezwaarschriften (op 29 december 2008 voor de VPB 2005 en op 2 februari 2009 voor de OB 2003) nog vragen zijn gesteld aan eiseres, haar inlichtingen zijn gevraagd of anderszins haar medewerking is verlangd. Desgevraagd heeft de inspecteur ter zitting op 14 maart 2013 verklaard dat de controlefase na indiening van deze bezwaarschriften weliswaar doorliep, maar dat er na indiening van de bezwaarschriften geen acties in de hiervoor bedoelde zin meer richting eiseres zijn ondernomen. Van non-coöperatief gedrag sinds de indiening van de bezwaarschriften is de rechtbank dan ook niet gebleken, zodat er op die grond geen aanleiding bestaat de redelijke termijn te verlengen danwel een deel van deze termijn voor rekening van eiseres te achten.

3.9 Voor zover de inspecteur heeft gesteld dat eiseres de schade had kunnen beperken door in een eerder stadium een beroep wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar in te stellen, verwerpt de rechtbank deze stelling onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2013, 11/04270, LJN BX6666, waarin deze oordeelde dat:

"(…) voor een aanspraak op vergoeding van immateriële schade niet van belang is of de belanghebbende al dan niet heeft aangedrongen op een spoedige behandeling van zijn zaak teneinde de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM te voorkomen (vgl. HR 16 december 1998, nr. 34148, LJN: AA2596 , BNB 1999/303). Reeds daarom kan aan belanghebbende in dit verband niet worden tegengeworpen dat hij niet eerder beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op zijn bezwaarschrift (vgl. ABRvS 29 juni 2005, nr. 200406974/1, LJN: AT8446 , AB 2006/43, en CRvB 15 december 2010, nr. 10/1033 TW, LJN: BP1398, RSV 2011/142)".


Verlenging van de redelijke termijn?

3.10 Zoals hiervoor onder 3.4 reeds vermeld, neemt het uitgangspunt dat de redelijke termijn in beginsel twee jaar bedraagt, niet weg dat de met de beslechting van het geschil gemoeide termijn mede afhankelijk is van een aantal factoren. Naast de reeds besproken factoren kunnen onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de belastingplichtige of diens gemachtigde op het procesverloop omstandigheden zijn die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.

3.11 Ten aanzien van de ingewikkeldheid van de zaak, volgt de rechtbank de stelling van eiseres dat de zaak niet bovengemiddeld ingewikkeld is. In zoverre is er geen aanleiding voor een verlenging van de termijn. De rechtbank is echter van oordeel dat ook de omvang van het dossier en de momenten waarop de gedingstukken zijn geproduceerd in de beoordeling dienen te worden betrokken en overweegt hieromtrent als volgt. De eerste mondelinge behandeling was gericht op een afronding van de zaak en sluiting van het onderzoek. Door de omvangrijke pleitnota's van de zijde van eiseres met daarin nieuwe stellingen was het evenwel noodzakelijk over te gaan tot schorsing van het onderzoek, teneinde de inspecteur in de gelegenheid te stellen hierop te kunnen reageren. De hierdoor ontstane vertraging komt voor rekening van eiseres. Wanneer eiseres de gelegenheid wordt geboden om op deze reactie van de inspecteur (de 'conclusie van repliek') te reageren, vraagt eiseres vervolgens zelf om uitstel. Dit gevraagde uitstel komt naar het oordeel van de rechtbank eveneens voor rekening van eiseres. Voorts heeft eiseres nog een verzoek gedaan om nadere inzending van de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb en heeft zij nog gebruik gemaakt van haar recht op inzage in het dossier. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur op de voet van artikel 8:42 van de Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. De omstandigheid dat een belastingplichtige verzoekt om overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb rechtvaardigt daarom in beginsel geen verlenging van de redelijke termijn. Ook de gebruikmaking van het recht op inzage in het dossier kan in beginsel geen verlenging van de redelijke termijn met zich brengen. Echter, in het onderhavige geval heeft eiseres eerst geruime tijd na de (eerste) mondelinge behandeling gebruik gemaakt van de aan haar ter beschikking staande middelen zoals het inzagerecht en dit heeft bovendien tot gevolg gehad dat het dossier na de eerste mondelinge behandeling nog aanzienlijk is uitgebreid. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een verlenging van de redelijke termijn. Overeenkomstig de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 augustus 2012, nr 04/01848, LJN BX5668 oordeelt de rechtbank dat de behandeling van een geheimhoudingsverzoek in beginsel een verlenging van de termijn rechtvaardigt van zes maanden, waarbij in geval van misbruik van procesrecht of kennelijke frustratie van een goede procesorde een langere termijn gehanteerd kan worden. In het onderhavige geval heeft weliswaar geen behandeling door de geheimhoudingskamer plaatsgevonden, maar heeft eiseres de rechtbank wel, meer dan eens, verzocht om de zaak naar de geheimhoudingskamer te verwijzen. De behandeling van deze verwijzingsverzoeken -met toepassing van hoor en wederhoor- vormt eveneens een rechtvaardiging voor enige verlenging van de redelijke termijn.

3.12 De onder 3.11 beschreven proceshouding van eiseres (de lange pleitnota's met nieuwe stellingen en het gevraagde uitstel), de omvang van het dossier, de gang van zaken na de eerste mondelinge behandeling (de nog benutte rechten en nog geproduceerde gedingstukken) en de termijn om opgeworpen verzoeken te behandelen, alle in hun onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een verlenging van de termijn met acht maanden.

3.13 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat een redelijke termijn om de onderhavige bezwaar- en beroepschriften te behandelen twee jaar en acht maanden bedraagt. Gelet op de termijn die sinds de indiening van de bezwaarschriften is verstreken, is de redelijke termijn in de onderhavige zaken overschreden. De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of in elk van de zaken een afzonderlijke schadevergoeding op zijn plaats is, hoe hoog het bedrag van de schadevergoeding dient te zijn en op welke wijze deze moet worden toegerekend aan de inspecteur en de Staat.


Schadevergoeding in elk van de onderhavige zaken?

3.14 Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 23 augustus 2012, LJN BX5668, geoordeeld:

"Het Hof stelt voorop dat de belastingplichtige die in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende geschillen over meerdere belastingjaren aanhangig heeft gemaakt, recht heeft op beslechting van die geschillen binnen een redelijke termijn. Dit brengt mee dat, indien de redelijke termijn voor de beslechting van die geschillen is overschreden, als uitgangspunt voor elk van die geschillen een schadevergoeding wordt toegekend overeenkomstig de uitgangspunten van de arresten van 10 juni 2011. Een belastingplichtige die in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende en gezamenlijk behandelde geschillen over meerdere belastingjaren aanhangig heeft gemaakt, zal in het algemeen meer spanning en frustratie ondervinden van de overschrijding van de redelijke termijn dan de belastingplichtige die procedeert over één belastingjaar. Er zal in het algemeen echter geen strikte evenredigheid bestaan tussen de mate van spanning en frustratie die dientengevolge wordt ondervonden en het aantal aanhangige geschillen. De ter zake van die geschillen in totaal toegekende schadevergoeding dient in redelijke mate van evenredigheid te staan tot de door de belastingplichtige geleden schade. Dit kan meebrengen dat in een concreet geval, waarbij de in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende zaken gezamenlijk zijn behandeld, wordt volstaan met toekenning van een schadevergoeding, overeenkomstig de uitgangspunten van de arresten van 10 juni 2011, in één of enkele zaken van dezelfde belastingplichtige, terwijl in de overige wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het Hof zal in dit verband, in navolging van de Centrale Raad van Beroep, het criterium van "in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende zaken" hanteren, welk criterium niet identiek is aan het begrip "samenhangende zaken" zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (zie bijvoorbeeld CRvB 28 april 2008, nrs. 02/2000 WUBO + 07/4178 WUBO en 03/4567 WUBO + 07/1559 WUBO + 07/4280 WUBO + 07/6114 WUBO, LJN: BD1320 en BD1328)."

3.15 De rechtbank neemt bovenstaand uitgangspunt over. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of ten aanzien van de onderhavige zaken sprake is van in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende zaken. De rechtbank oordeelt dat dit ten aanzien van de beide procedures over de omzetbelasting (09/1869 en 10/1064) inderdaad het geval is. Beide procedures hebben in hoofdzaak betrekking op de toepassing van het landbouwforfait, voorbelasting op kostenfacturen en de plaats van dienst ten aanzien van de managementfee. Deze geschillen zijn ook gezamenlijk behandeld. Of de bezwaar- en beroepschriften nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend, een criterium dat aan de orde komt in het kader van artikel 3 lid 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, speelt in dit verband geen rol. Dat de beroepsprocedure in de zaak 09/1869 is aangevangen vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar leidt evenmin tot een ander oordeel. De rechtbank zal daarom voor de procedures 09/1869 en 10/1064 slechts één keer een schadevergoeding toekennen, uitgaande van de langste behandelduur (in de zaak 09/1869). Niet aannemelijk is dat eiseres zodanig veel meer spanning en frustratie heeft ondervonden doordat de ingediende bezwaarschriften betrekking hadden op twee naheffingsaanslagen, dat daarmee een hogere vergoeding dan

€ 500 per half jaar overschrijding in de zaak 09/1869 wordt gerechtvaardigd.


Hoogte van de schadevergoeding

3.16 In de zaak 09/1869 bedraagt de totale behandeltermijn (afgerond) drie jaar en acht maanden, dus een overschrijding van de in deze zaak vastgestelde redelijke termijn met precies één jaar. De hoogte van de schadevergoeding bedraagt in de zaak 09/1869 dan ook 2 halve jaren maal € 500, ofwel € 1.000.

3.17 In de zaak 09/1870 bedraagt de totale behandeltermijn (afgerond) drie jaar en tien maanden, dus een overschrijding van de in deze zaak vastgestelde redelijke termijn met één jaar en twee maanden. Dit betekent een vergoeding van drie halve jaren maal € 500, ofwel

€ 1.500.


Toerekening aan de inspecteur en aan de Staat

3.18 Nu de hoogte van de vergoeding is bepaald, dient de rechtbank nog vast te stellen hoe de vergoeding dient te worden verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. In navolging van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in sociale zekerheidszaken heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 22 maart 2013, LJN BX6666 als uitgangspunt een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar redelijk geacht. Voor de beroepsfase geldt derhalve als uitgangspunt een redelijke termijn van anderhalf jaar. In de zaken 09/1869 en 09/1870 heeft de inspecteur voorafgaand aan de uitspraken van de rechtbank van 2 oktober 2012, geen uitspraak op bezwaar gedaan. Dit brengt in beginsel mee dat de bezwaarfase heeft voortgeduurd totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Vanaf de indiening van de onderhavige beroepschriften op 11 augustus 2009 zijn de zaken echter in handen van de rechter. Een inhoudelijke beoordeling van de onderhavige beroepen (waar eiseres om heeft verzocht) is evenwel pas mogelijk nadat de inspecteur zijn inhoudelijke standpunt kenbaar maakt. De rechtbank stelt vast dat dit op het moment van indiening van de onderhavige verweerschriften is geweest op respectievelijk 9 en 15 oktober 2009. Ofschoon de rechtbank het standpunt van de inspecteur dat hij geacht moet worden op dat moment uitspraak op bezwaar te hebben gedaan niet deelt, oordeelt de rechtbank dat een redelijke toerekening van de termijnen meebrengt dat de periode ná indiening van de verweerschriften voor rekening van de Staat dient te komen. De periode vóór de bekendmaking van het inhoudelijke standpunt van de inspecteur komt daarmee voor diens rekening. De rechtbank merkt op dat de onder 3.11 genoemde omstandigheden, die leiden tot de onder 3.12 genoemde verlenging van de redelijke termijn, allemaal hebben plaatsgevonden in de voor rekening van de Staat komende termijn.

3.19 In de procedure 09/1869 komt derhalve de periode van 2 februari 2009 tot 9 oktober 2009 voor rekening van de inspecteur, dit is acht maanden. De redelijke termijn voor de bezwaarfase is dan overschreden met twee maanden, afgerond op één keer een half jaar. De schadevergoeding voor rekening van de inspecteur bedraagt dan in de procedure 09/1869

€ 500.

3.20 In de procedure 09/1870 komt de periode van 29 december 2008 tot 15 oktober 2009 voor rekening van de inspecteur, dit is bijna 10 maanden. De redelijke termijn voor de bezwaarfase is dan overschreden met 4 maanden, afgerond op één half jaar. De schadevergoeding voor rekening van de inspecteur bedraagt dan in de procedure 09/1870

€ 500.

3.21 Het overwogene onder 3.16 en 3.17 in samenhang met het overwogene onder 3.19 en 3.20 brengt mee dat de schadevergoeding voor rekening van de Staat moet worden vastgesteld op een bedrag van € 500 in de procedure 09/1869 en op een bedrag van € 1.000 in de procedure 09/1870.


Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van eiseres aangezien in de onderhavige schadeprocedure geen kosten zijn gesteld of anderszins aannemelijk zijn geworden, die gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.



Beslissing

De rechtbank:


- veroordeelt de inspecteur om aan eiseres immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen tot een bedrag van € 1.000;

- veroordeelt de Staat om aan eiseres immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen tot een bedrag van € 1.500.



Aldus gegeven door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. M. van den Bosch en mr. T. Tanghe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2013.





w.g. M. Hiemstra w.g. A.F. Germs-de Goede




Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.


Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.




Afschrift verzonden op: