Rechtbank 's-Gravenhage, 19-10-2012 / AWB 12/3842


ECLI:NL:RBSGR:2012:BY1647

Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Dwangsom. Immateriële schade. Aan eiser wordt een aanslag opgelegd naar een hoger verzamelinkomen dan eiser heeft aangegeven. Bij uitspraak op bezwaar wordt het verzamelinkomen conform de aangifte vastgesteld. In beroep claimt eiser de alleenstaande ouderkorting. Verder stelt eiser dat verweerder het hoorrecht heeft geschonden en niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan en daarom een dwangsom heeft verbeurd. Verder maakt eiser aanspraak op een vergoeding van immateriële schade. De rechtbank oordeelt dat verweerder het hoorrecht niet heeft geschonden en dat eiser geen recht heeft op de alleenstaande ouderkorting. De rechtbank wijst de dwangsom af omdat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift de wettelijke bepalingen inzake de dwangsom nog niet van kracht waren. Aangaande de schadevergoeding oordeelt de rechtbank dat de behandeling van het bezwaar drie jaar te lang heeft geduurd, waarvan een jaar en vier maanden het gevolg zijn van de wijze waarop verweerder het bezwaar heeft behandeld. De rechtbank verklaart het beroep uiteindelijk ongegrond, maar veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 500 per half jaar, hetgeen naar boven afgerond resulteert in een vergoeding van 3 x € 500 = € 1.500.
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Uitspraakdatum
2012-10-19
Publicatiedatum
2012-11-19
Zaaknummer
AWB 12/3842
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2012/2735
  • V-N 2013/2.2.1
  • FutD 2012-2913 met annotatie van Fiscaal up to Date
Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE


Sector bestuursrecht


zaaknummer: AWB 12/3842


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2012 in de zaak tussen


[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),


en


de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.


Procesverloop


Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.386.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 april 2012 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.944.


Eiser heeft daartegen bij brief van 9 mei 2012, ontvangen bij de rechtbank op 10 mei 2012, beroep ingesteld.


Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.


Eiser heeft daarop bij ongedateerde brief, ontvangen bij de rechtbank op 2 augustus 2012 schriftelijk gerepliceerd. Verweerder heeft daarop niet gedupliceerd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2012.

Namens eiser is [B] daar verschenen, bijgestaan door [A]. Namens verweerder is [C] verschenen, bijgestaan door [D].


Overwegingen


Feiten

1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:


Eiser is geboren in 1953 en woont op het adres [a-straat 1] te [E]. Hij is ongehuwd en heeft een zoon, [F] (hierna: de zoon), geboren op [datum] 2004.


2. In 2005 was eiser in dienstbetrekking werkzaam bij [G] te [E].


3. Voor het jaar 2005 heeft eiser een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 16.944. Daarbij heeft hij onder meer een bedrag aangegeven van € 934 als loon van [G] en een persoonsgebonden aftrek in aanmerking genomen van € 6.651.


4. Bij het opleggen van de aanslag heeft verweerder het loon van [G] vastgesteld op € 4.711 en de persoongebonden aftrek op € 1.986. De aanslag is gedagtekend 1 oktober 2008 en is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.386 (€ 16.944 + € 4.711 -/- € 934 + € 6.651 -/- € 1.986). Direct na het opleggen van de aanslag maakt eiser daartegen bezwaar. Naar aanleiding daarvan vraagt verweerder eiser, per brief van 13 oktober 2008, om nadere inlichtingen. Eiser reageert daarop per brief van 2 november 2008.


5. Per brief van 1 april 2010 deelt verweerder eiser mee dat hij voornemens is het bezwaar af te wijzen. In de brief stelt verweerder eiser in de gelegenheid zijn bezwaar mondeling toe te lichten en vraagt hij hem vóór 22 april 2010 schriftelijk te reageren. Per brief van 4 mei 2010 herinnert verweerder eiser daaraan. In die brief wordt tevens melding gemaakt van een telefoongesprek tussen partijen, dat plaatsvond op 2 april 2010. Verweerder verzoekt eiser om vóór 20 mei 2010 alsnog schriftelijk te reageren. Eiser reageert daarop met een brief die is gedagtekend 2 april 2010. Volgens stempelafdrukken op die brief, is deze verzonden op 25 mei 2010 en bij verweerder ontvangen op 31 mei 2010. In de brief doet eiser een compromisvoorstel.


6. Per brief van 26 oktober 2010, bij verweerder ontvangen op 27 oktober 2010, stelt eiser verweerder in gebreke, als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


7. Per brief van 3 februari 2011 deelt verweerder eiser mee dat hij voornemens is het bezwaar gedeeltelijk af te wijzen en de aanslag te verminderen tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.148. Tevens geeft verweerder te kennen dat de dwangsomregeling op deze zaak zijns inziens niet van toepassing is. In de brief wordt eiser uitgenodigd voor een hoorgesprek op 24 februari 2011.


8. Naar aanleiding van de brief van verweerder van 3 februari 2011 neemt eiser telefonisch contact op met verweerder en vraagt hij hem de zaak opnieuw te beoordelen op basis van het door eiser gedane compromisvoorstel. Per brief van 23 juni 2011 deelt verweerder eiser mee dat hij het compromisvoorstel afwijst en geen mogelijkheden ziet voor een tegenvoorstel. Verweerder stelt eiser in de gelegenheid zijn bezwaren mondeling toe te lichten en deelt hem mee dat hij daartoe vóór 14 juli 2011 telefonisch een afspraak kan maken. Eiser reageert daarop per brief van 23 juni 2011. In die brief stelt eiser dat hij recht heeft op de alleenstaande oudertoeslag (de rechtbank verstaat: alleenstaande-ouderkorting) en dat een hoorgesprek, vanwege de stellingname en de handelwijze van verweerder, geen zin heeft.


9. Per brief van 15 juli 2011 deelt verweerder eiser onder meer mee dat hij tot het inzicht is gekomen dat een bedrag voor leefkilometers in aftrek kan worden toegelaten, waardoor de persoonsgebonden aftrek wordt bepaald op € 4.720. Verweerder deelt mee dat hij daarom voornemens is de aanslag te verminderen tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.875. Eiser wordt opnieuw gevraagd te reageren en daarbij te vermelden of hij wel of niet afziet van een hoorgesprek. Eiser reageert daarop per brief van 29 juli 2011.


10. Per brief van 9 november 2011 nodigt verweerder eiser uit voor een hoorgesprek op 30 november 2011. Op 14 november 2011 neemt eiser telefonisch contact op met verweerder en vraagt het hoorgesprek, wegens drukke werkzaamheden van zijn gemachtigde, uit te stellen tot na 1 januari 2012. Per brief van 14 november 2011 deelt verweerder eiser mee dat hij voor inwilliging van dat verzoek geen aanleiding ziet. Per brief van 15 november 2011 geeft eiser uiting aan zijn ongenoegen daarover en geeft hij te kennen dat hij door een andere inspecteur (de rechtbank verstaat: een andere ambtenaar) wil worden gehoord. Per brief van 24 november 2011 deelt verweerder eiser mee dat de datum en het tijdstip van het hoorgesprek, 30 november om 14.00 uur, niet worden veranderd.


11. Per brief van 26 maart 2012 deelt verweerder eiser mee op welke wijze hij het bezwaar zal afdoen. Verweerder deelt mee dat hij om praktische redenen aan enkele bezwaren van eiser tegemoet komt en het belastbare inkomen uit werk en woning, conform de aangifte zal verminderen tot € 16.944, maar dat eiser geen recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting. Op 20 april 2012 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. De aanslag is daarbij verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.944. De daarover berekende IB bedraagt € 5.831, zodat na aftrek van de algemene heffingskorting van € 1.894 en de arbeidskorting van € 88 een bedrag aan verschuldigde IB resteert van € 3.849.


Geschil

12. In geschil is of eiser recht heeft op de alleenstaande ouderkorting, of verweerder een dwangsom heeft verbeurd en of eiser recht heeft vergoeding van immateriële schade. Verder is in geschil of verweerder het hoorrecht heeft geschonden. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken.


13. Eiser concludeert tot gegrond verklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, toekenning van de alleenstaande-ouderkorting, verbeurte van een dwangsom van € 1.260 en toekenning van een vergoeding van immateriële schade van € 3.000.


14. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.


Beoordeling van het geschil

De alleenstaande-ouderkorting

15. Op grond van artikel 8.15, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (wet IB 2001) geldt de alleenstaande ouderkorting voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden geen partner heeft, een huishouding voert met een kind dat in belangrijke mate door hem wordt onderhouden en in de basisadministratie persoonsgegevens op hetzelfde woonadres staat ingeschreven als de belastingplichtige en deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.


16. Naar verweerder onweersproken heeft gesteld staat de zoon in de basisadministratie persoonsgegevens niet ingeschreven op hetzelfde adres als eiser. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat eiser geen recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting. De rechtbank merkt nog op de dat eiser heeft gesteld dat hij co-ouder is van de zoon, maar dat hij daarvoor geen bewijsstuk heeft overgelegd en ook verder niets heeft aangevoerd of overgelegd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat de zoon tot zijn huishouden behoort en de zoon in belangrijke mate door hem wordt onderhouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de alleenstaande-ouderkorting daarom terecht geweigerd.


17. Het beroep van eiser op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2001, nr. 35.748, LJN: AA9985, faalt. Dat arrest is gewezen onder de werking van artikel 46, eerste lid, aanhef, onderdeel a, onder 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (wet IB 1964) , in welk artikelonderdeel onder meer was bepaald dat recht bestond op aftrek van kosten van levensonderhoud van kinderen die jonger waren dan 27 jaar, als de ouder geen recht had op kinderbijslag. Omdat de belanghebbende in die zaak als co-ouder geen recht had op kinderbijslag, had hij wel recht op aftrek van kosten van levensonderhoud. De voorwaarde dat het kind moet staan ingeschreven op hetzelfde adres als de ouder werd in artikel 46 van de Wet IB 1964 niet gesteld. Daarentegen is de in artikel 46 van de Wet IB 1964 gestelde voorwaarde dat een co-ouder geen recht mocht hebben op kinderbijslag niet opgenomen in artikel 8.15 van de Wet IB 2001 als voorwaarde voor het recht op de alleenstaande-ouderkorting. Hetgeen bij genoemd arrest is beslist, is dus niet toepasbaar in de onderhavige zaak.


Schending van het hoorrecht

18. Vaststaat dat eiser door verweerder meerdere keren in de gelegenheid is gesteld zijn standpunten mondeling toe te lichten. Naar aanleiding van de in 8 vermelde brief van verweerder van 23 juni 2011 liet eiser weten dat een hoorzitting zijns inziens geen zin meer had. Nadat verweerder eiser toch had uitgenodigd voor een hoorzitting op 30 november 2011, vroeg eiser om verdaging van de hoorzitting tot na 1 januari 2012 omdat hij daar wegens drukke werkzaamheden geen tijd voor had. Het vorenstaande kan, naar het oordeel van de rechtbank, tot geen ander oordeel leiden dan dat verweerder het hoorrecht niet heeft geschonden. Weliswaar dient een geplande hoorzitting te worden verdaagd als zich bijzondere omstandigheden voordoen die het de belanghebbende onmogelijk maken de hoorzitting bij te wonen, maar drukke werkzaamheden, zoals eiser heeft aangevoerd, behoren daar niet toe. Overigens zijn in geding geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat en in hoeverre eiser door het achterwege blijven van een hoorzitting in zijn procesbelangen is geschaad. De rechtbank merkt daar nog bij op dat schending van het hoorrecht slechts kan leiden tot terugwijzing van de zaak naar verweerder teneinde eiser alsnog te horen en opnieuw uitspraak op bezwaar te doen. Eiser heeft daar in beroep niet met zoveel woorden om verzocht en zijn proceshouding was er ook veeleer op gericht dat de rechtbank de zaak inhoudelijk zou beoordelen.


Dwangsom

19. Het verbeuren van een dwangsom door een bestuursorgaan wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag is geregeld in paragraaf 4.1.3.2, bestaande uit de artikelen 4.16 tot en met 4.20, van de Awb. Deze paragraaf is ingevoerd bij de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Staatsblad 2009, nr. 383, hierna: Wet Dwangsom). In artikel III, eerste lid, van de Wet Dwangsom is bepaald dat op het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift dat is ingediend vóór het tijdstip waarop paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is geworden, het recht van toepassing blijft zoals dit gold vóór het tijdstip van toepassing. Op grond van artikel IV van de Wet Dwangsom trad die wet in werking op de dag na de datum van uitgifte van het staatsblad waarin zij werd geplaatst. Plaatsing in het Staatsblad heeft plaatsgevonden op 30 september 2009, zodat de wet in werking trad op 1 oktober 2009.


20. Uit hetgeen is vermeld in 4 komt naar voren dat het bezwaarschrift is ingediend vóór 1 oktober 2009. Dit kan, met inachtneming van wat is overwogen in 17, tot geen ander oordeel leiden dan dat dwangsomregeling van paragraaf 4.1.3.2 in dit geval geen toepassing vindt. Dat eiser op de invoering van de dwangsomregeling is vooruitgelopen en daarom onder overgangswetgeving zou vallen, faalt, omdat in de Wet Dwangsom niet is voorzien in een overgangsregeling voor lopende bezwaarprocedures. Voor zover eiser heeft bedoeld dat sprake is van ontoereikende wetgeving, stuit dit af op artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, volgens welke bepaling het de rechter niet is toegelaten de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder, ongeacht of hij al dan niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan, geen dwangsom verbeurt.


21. De rechtbank merkt nog op dat op grond van artikel 4:18 van de Awb de verschuldigdheid en de hoogte van een dwangsom bij beschikking worden vastgesteld. Op grond van artikel 4:19 wordt een bezwaar tegen een beschikking op aanvraag, in dit geval tegen de aanslag, mede geachte te zijn gericht tegen de in artikel 4:18 bedoelde beschikking. Omdat paragraaf 4.1.2.3, waartoe deze artikelen behoren, ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift nog niet was ingevoerd, was verweerder niet gehouden om voor het niet verschuldigd zijn van een dwangsom een beschikking te geven op de voet van artikel 4:18. En omdat het bezwaar om dezelfde reden niet kan worden geachte mede te zijn gericht tegen een beslissing over een dwangsom, was verweerder ook niet gehouden in de uitspraak op bezwaar daarvan melding te maken. Voor zover de beroepsgronden van eiser daarop betrekking hebben, falen zij.


Vergoeding van immateriële schade

22. Bij zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639, LJN: BO5046 heeft de Hoge Raad beslist dat bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden ook in belastinggeschillen aangesloten moet worden bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37.984, LJN AO9006. Eén van deze uitgangspunten is dat voor de berechting van een zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die de langere duur rechtvaardigen. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bezwaarschrift wordt ontvangen en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Volgens vast jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een halfjaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren.


23. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.


24. Naar het oordeel van de rechtbank is de onderhavige zaak niet zodanig dat deze moet worden aangemerkt als bijzonder zwaarwegend en is er geen reden voor verhoging of verlaging van het te hanteren basisbedrag van € 500. Voor de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden houdt de rechtbank het ervoor dat het bezwaarschrift is ingediend op 2 oktober 2008. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 20 april 2012, zodat de behandeling van het bezwaar ongeveer drie en een half jaar en daarmee dus ongeveer drie jaar te lang heeft geduurd.


25. Uit de gedingstukken blijkt dat het bezwaar tegen de aanslag onder meer een gevolg was van een geschil tussen eiser en [G] en dat niet eerder uitspraak op het bezwaar kon worden gedaan dan nadat het geschil met [G] was beslecht. Bij de in 5 vermelde brief, die op 25 mei 2010 aan verweerder is verzonden, heeft eiser verweerder de stukken toegestuurd waaruit bleek dat de zaak tussen eiser en [G] was afgewikkeld. Naar het oordeel van de rechtbank is het uitlopen van de behandeltermijn tot die datum niet aan verweerder toe te rekenen. Evenwel ziet de rechtbank niet in waarom verweerder daarop pas na ruim acht maanden, namelijk bij de in 7 vermelde brief van 3 februari 2011, heeft gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een aan verweerder toe te rekenen termijnoverschrijding van zes maanden. Na de brief van 3 februari 2011 heeft verweerder zich kennelijk beraden over het compromisvoorstel van eiser. Verweerder heeft dit compromisvoorstel bij brief van 23 juni 2011 afgewezen. Gelet op de aard en de omvang van de zaak valt niet in te zien waarom voor dit beraad bijna vijf maanden nodig waren. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een aan verweerder toe te rekenen termijnoverschrijding van drie maanden. Bij een ongedateerde brief, waarvan de rechtbank aanneemt dat die rond 1 juli 2011 bij verweerder is ontvangen, heeft eiser op de brief van verweerder van 23 juni 2011 gereageerd en daarbij onder meer aangegeven dat een hoorgesprek zijns inziens geen zin meer had. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 12 juli 2011 zijn standpunt kenbaar gemaakt en eiser opnieuw gevraagd daarop te reageren en de gelegenheid gegeven voor een mondelinge toelichting. Deze brief gaf aanleiding tot nieuwe gedachtewisselingen tussen partijen en op 20 april 2012 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank was er na de rond 1 juli 2011 ontvangen brief van eiser geen reden het bezwaar nog langer aan te houden en had verweerder kort daarna, in elk geval vóór 1 september 2011, uitspraak op bezwaar kunnen doen. Omdat eerst op 20 april 2012 uitspraak is gedaan, is de rechtbank van oordeel dat daarmee sprake is van een aan verweerder toe te rekenen termijnoverschrijding van acht maanden.


26. Op grond van wat is overwogen in 25 is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de behandeltermijn van het bezwaar voor een jaar en vier maanden aan verweerder is toe te rekenen. Met inachtneming van wat is overwogen in 23 heeft eiser daarom recht op een schadevergoeding van 3 x € 500 = € 1.500.


27. Het beroepschrift is op 10 mei 2012 bij de rechtbank ontvangen. Deze uitspraak van de rechtbank is gedaan op 19 oktober 2012, zodat de behandeling van het beroep minder dan zes maanden en daarmee niet te lang heeft geduurd. Er is daarom geen aanleiding om de Staat te veroordelen tot het vergoeden van immateriële schade.


28. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard, doch dient verweerder te worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 1.500.


Proceskosten

29. De rechtbank vindt geen aan¬lei¬ding voor een proceskostenveroordeling.


30. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder eiser, op de voet van het Besluit een kostenvergoeding toegekend van € 161, namelijk 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 161. Deze waarde per punt gold tot 1 oktober 2009. Omdat het bezwaarschrift is ingediend op 1 oktober 2008 heeft verweerder dus terecht de tot 1 oktober 2009 geldende waar per punt toegepast. Vaststaat dat eiser niet op een hoorzitting is verschenen, zodat verweerder terecht slechts een punt heeft toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een hogere vergoeding dan die, welke verweerder eiser bij de uitspraak op bezwaar heeft toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn evenmin feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding zouden kunnen geven voor een hogere vergoeding dan de forfaitaire vergoeding volgens het Besluit.


Beslissing


De rechtbank:

-verklaart het beroep ongegrond;

-veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een vergoeding van immateriële schade van € 1.500;

-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2012.


griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.


Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.