Rechtbank Rotterdam, 21-12-2015 / 488382


ECLI:NL:RBROT:2015:9514

Inhoudsindicatie
Gezagsbeëindiging van de draagouders. Het belasten van de wensouders met de voogdij doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan het draagmoederschap-traject dat de draagouders en de wensouders gezamenlijk in harmonie zijn aangegaan, emotioneel en fysiek goed hebben doorlopen, en waar zij nog altijd volledig achter staan. Een ongestoorde voortzetting van de huidige verzorgings- en opvoedingssituatie bij de wensouders is in het belang van de minderjarige.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-21
Publicatiedatum
2015-12-21
Zaaknummer
488382
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

beschikking



RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd


zaakgegevens : C/10/488382 / JE RK 15-3418

datum uitspraak: 21 december 2015


beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Rotterdam,


betreffende


[Naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [roepnaam] .


De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:


[Naam draagmoeder] , hierna te noemen de draagmoeder,

wonende te [woonplaats] ,


[Naam draagvader] , hierna te noemen de draagvader,

wonende te [woonplaats] ,


[Naam wensmoeder] , hierna te noemen de wensmoeder,

wonende te [woonplaats] ,


[Naam wensvader] , hierna te noemen de wensvader,

wonende te [woonplaats] .



Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 3 november 2015, ingekomen bij de griffie op 6 november 2015.


Op 7 december 2015 heeft de meervoudige kamer de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de draagmoeder;

- de draagvader;

- de wensmoeder;

- de wensvader;

- een vertegenwoordigster van de Raad, mevrouw [naam] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de draagouders.


[de minderjarige] wordt sinds zijn geboorte feitelijk verzorgd en opgevoed door de beide wensouders.


De wensvader en de wensmoeder hebben zich bij brief van 5 oktobter 2015 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.


Het verzoek

De Raad heeft verzocht het gezag van de draagouders te beëindigen en te bepalen dat de voogdij over [de minderjarige] door beide wensouders wordt uitgeoefend.

De Raad heeft zijn verzoek ter zitting toegelicht. De draagmoeder en de wensmoeder zijn volle zusters van elkaar. Bij de wensouders leeft al langere tijd een sterke kinderwens waarvan duidelijk is geworden dat deze niet middels een zwangerschap van de wensmoeder in vervulling kan gaan. Bij de draagouders was reeds sprake van een gezin met twee kinderen dat zij als voltooid beschouwen. Alle betrokkenen hebben duidelijke afspraken en een plan gemaakt rondom de zwangerschap. Vanaf het begin van het draagmoederschap-traject hebben zij contact opgenomen met de instanties om hun wensen kenbaar te maken en de wijze waarop zij de zwangerschap wilden vormgeven. Dat heeft geresulteerd in een samenwerking tussen de Raad Arnhem en de Raad Rotterdam-Dordrecht om een onderzoek te doen waarin alle stappen gedurende en na de zwangerschap beschreven staan. Aan de wensvader is door de Raad uitgelegd waarom de zinssnede ‘ernstig in de ontwikkeling bedreigd’ in het raadsbesluit is opgenomen. De wet kent geen andere wijze om het gezag van de draagouders te beëindigen dan middels dit onderhavige verzoek.


Standpunt van belanghebbenden

De wensouders zijn voornemens [de minderjarige] zo spoedig mogelijk te adopteren teneinde familierechtelijke betrekkingen met hem tot stand te brengen.

Zij zullen hem voorlichting geven over de manier waarop hij is geboren, zodat zijn identiteit in de toekomst niet in het gedrang zal komen. De wensouders zijn de draagouders heel dankbaar. Met hen en met [de minderjarige] gaat het goed. Om de gehechtheid te bevorderen heeft de wensmoeder zich ervoor ingezet geïnduceerde borstvoeding tot stand te brengen. Dit is gelukt; zij voedt [de minderjarige] tot op heden zelf.


De draagouders hebben ter zitting verklaard dat ook zij volledig achter hun keus staan, dat het goed met hun gaat, en dat zij in de toekomst in alle openheid met [de minderjarige] zijn afstamming willen bespreken en hij met vragen altijd bij hen terecht zal kunnen. Naar hun eigen kinderen zijn de draagouders ook duidelijk geweest. De draagouders hebben hen vanaf het begin van de zwangerschap verteld dat [de minderjarige] hun neefje zou worden. De draagouders hebben het voornemen in het tweede kwartaal van 2016 met hun gezin te emigreren naar Frankrijk, maar zullen ook na hun emigratie contact onderhouden met de wensouders en [de minderjarige] .


De beoordeling

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.


Tussen de draagouders en de wensouders zijn voorafgaand aan de zwangerschap duidelijke afspraken gemaakt over de zwangerschap en is er openheid geweest naar de betrokken instanties. Zowel de draagouders als de wensouders hebben zich van tevoren goed voorbereid op het traject. Ook hebben de draagouders hun kinderen vanaf het begin van de zwangerschap geïnformeerd over de geboorte van hun neefje. Gebleken is dat de gehele situatie door alle betrokkenen als vanzelfsprekend is ervaren. De draagouders hebben nimmer de intentie gehad de verzorging en opvoeding voor [de minderjarige] te dragen en wilden met het draagmoederschap tegemoet komen aan de grote kinderwens van de wensouders. Naar het oordeel van de rechtbank is dan daarin de bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] gelegen, dat de draagouders, gegeven hun intenties met het draagouderschap, in ieder geval emotioneel niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.


De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a. BW is voldaan, en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de draagouders toewijzen.


Omdat de beëindiging van het gezag van de draagouders ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [de minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW (een) voogd(en) over hem te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.


Het belasten van de wensouders met de voogdij doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan het draagmoederschap-traject dat de draagouders en de wensouders gezamenlijk in harmonie zijn aangegaan, emotioneel en fysiek goed hebben doorlopen, en waar zij nog altijd volledig achter staan. Een ongestoorde voortzetting van de huidige verzorgings- en opvoedingssituatie bij de wensouders is in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] wordt immers sinds zijn geboorte feitelijk verzorgd, krijgt (borst)voeding van de wensmoeder en wordt opgevoed door zijn wensouders, en de wensvader is de biologische vader van [de minderjarige] . De wensouders hebben aangegeven altijd open naar [de minderjarige] te zullen zijn over het draagmoederschap en met vragen kan hij ook bij zijn draagouders terecht, zodat zijn identiteitsontwikkeling geen gevaar loopt.

Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie, temeer nu de draagouders voornemens zijn in het tweede kwartaal van 2016 naar Frankrijk te emigreren.


De wensouders hebben zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.


De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de voogdij over [de minderjarige] door [Naam wensvader] en [Naam wensmoeder] gezamenlijk zal worden uitgeoefend.


Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 eerste lid, BW worden de ouders van wie het gezag is beëindigd, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan haar opvolger in dit bewind, ervan uitgaande dat zij het bewind voerden over het vermogen van de minderjarige.


Overigens wordt nog het navolgende overwogen. Een kinderbeschermingsmaatregel zoals de gezagsbeëindiging ex artikel 1:266 BW is door de wetgever vanzelfsprekend niet primair bedoeld voor de onderhavige situatie. Evenwel dient gelet op het bepaalde in artikel 3 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind het belang van [de minderjarige] voorop te staan bij de door de rechtbank in deze casus te nemen beslissingen. Dat belang is er het meest mee gediend dat de rechtbank, gegeven het verzoek dat de Raad voor de kinderbescherming de rechtbank thans heeft gedaan, dat verzoek toewijst en dus de beslissingen in het dictum verwoord en hiervoor gemotiveerd, neemt.

Wenselijker echter, en ook passender, zou het zijn geweest om gelijktijdig met de beëindiging van het gezag van de draagouders, de adoptie van [de minderjarige] door zijn wensouders uit te spreken. Op het eerste gezicht lijkt de termijn van één jaar als bedoeld in artikel 1:228, eerste lid, sub f, BW daaraan in de weg te staan. Echter, bedacht moet worden dat in een situatie als de onderhavige, de voormelde termijn van één jaar geen enkel kinderbeschermingsbelang meer lijkt te dienen, terwijl pas na het uitspreken van de adoptie de gewenste familierechtelijke betrekkingen worden tot stand gebracht tussen de minderjarige en zijn wensouders.


De beslissing

De rechtbank:


beëindigt het ouderlijk gezag van [Naam draagvader] en [Naam draagmoeder] over [de minderjarige] ;


benoemt tot voogden over genoemde minderjarige [Naam wensvader] en [Naam wensmoeder]


veroordeelt de draagouders aan de voogden rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [de minderjarige] te doen;


verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.



Deze beschikking is gegeven door mr. P. Vlaardingerbroek, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. O.E.M. Leinarts en mr. M. de Geus, rechters, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kraaijeveld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2015.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.